Ezra 2:64-70
I. Hier is de som totaal van het gezelschap, dat nu uit Babel was opgetrokken. De afzonderlijke sommen, tevoren opgegeven, zijn tezamen nog geen dertig duizend, (negen en twintig duizend achthonderd en achttien) zodat er meer dan twaalf duizend waren, die niet in deze afzonderlijke opgaven begrepen zijn. Waarschijnlijk behoorden deze tot de overige stammen Israëls, behalve Juda en Benjamin, maar konden zij niet zeggen tot welk bijzonder geslacht of stad zij behoorden, maar alleen dat zij Israëlieten waren en tot welke stam zij behoorden.
1. Nu was dit meer dan dubbel het getal van hen, die door Nebukadnezar gevankelijk naar Babel gevoerd werden, zodat, evenals in Egypte, de tijd van hun verdrukking de tijd was van hun vermenigvuldiging.
2. Dezen waren slechts weinigen om er opnieuw een volk, een staat mee te grondvesten, maar krachtens de aloude belofte, gedaan aan hun vaderen, zijn zij zó vermenigvuldigd dat zij, voordat het laatste verderf over hen gekomen was door de Romeinen vijf honderd jaren later, een zeer talrijk volk weren geworden. Als God zegt: vermenigvuldigt u, dan zal de kleinste tot duizend worden.
II. Hun gevolg. Zij waren zelf weinig beter dan dienstknechten, en daarom is het niet te verwonderen dat hun knechten en dienstmaagden, vergelijkenderwijs, weinig in aantal waren vers 65, en hun lastdieren ongeveer evenveel vers 66, 67. Het was nu niet met hen zoals in vroegere dagen. Maar er wordt nota genomen van twee honderd zangers en zangeressen, die zich onder hen bevonden, die, naar wij willen veronderstellen, bedoelden hun rouw te verhogen, zoals 2 Kronieken 35:25, want er was voorzegd dat zij bij deze gelegenheid zullen komen "wandelende en wenende," en klaagliederen zingende, Jeremia 50:4.
III. Hun overgaven. In vers 68 en 69 wordt gezegd:
1. Dat zij kwamen ten huize des Heeren te Jeruzalem en toch lag dit huis, dat heilig en heerlijk huis, nu nog in puin, maar evenals hun vader Abraham zijn zij, toen het altaar weg was, "tot de plaats van het altaar" gekomen, Genesis 13:4, en het is de aard van de ware zonen van Zion, dat zij zelfs het gruis er van vereren, Psalm 102:15.
2. Dat zij vrijwillige bijdragen gaven, om het te zetten op zijn vaste plaats. Dat schijnt het eerste huis te zijn geweest, dat zij wilden oprichten, en hoewel zij van een reis kwamen en de wereld opnieuw moesten beginnen, (twee kostbare zaken), offerden zij toch vrijwillig voor het bouwen van de tempel. Laat niemand klagen over de noodzakelijke onkosten van zijn Godsdienst, maar geloven dat, als de balans wordt opgemaakt, blijken zal dat die kosten gedekt zijn. Hun offeranden waren als niets, vergeleken met die van de vorsten in Davids tijd, toen offerden zij bij talenten, 1 Kronieken 29:7 nu bij drachmen, maar deze drachmen naar hun vermogen zijnde, waren Gode even welgevallig, als die talenten, zoals de twee penningskens van de weduwe. De één en zestig duizend drachmen goud zijn, naar Cumberlands berekening, gelijk aan even zoveel ponden van ons geld, en even zoveel groten. leder pond zilver schat hij op zestig sikkelen, namelijk dertig ons, die wij kunnen rekenen op zeven pond, tien shilling van ons geld, zodat deze vijf duizend ponden zilver meer dan zeven en dertig duizend pond sterling van ons geld bedraagt. Het schijnt dat God hen met toeneming van rijkdom gezegend had, zowel als met toeneming van het aantal van hun volk, in Babel, en naar God hen voorspoedig had gemaakt, gaven zij blijmoedig voor de dienst van Zijn huis.
3. Dat zij in hun steden woonden, vers 70. Die steden waren bouwvallig, maar omdat het hun steden waren, die God hun had toegewezen wilden zij er gaarne in wonen en waren zij dankbaar voor vrijheid en eigendom, al hadden zij ook weinig pracht, overvloed of macht. Hun armoede was een slechte oorzaak, maar hun eenheid en eensgezindheid was er een goed gevolg van. Hier was voor hen allen en voor al hun have plaats genoeg, zodat er geen strijd onder hen was, maar volkomen harmonie, een gelukkig voorteken voor hun vestiging, gelijk hun onenigheid, in de laatste tijden van hun staat, de voorbode was van hun verderf.