Nehemia 5:14-19
Nehemia had van zijn eigen handelwijze gesproken als een drijfveer voor de edelen om de armen niet te bezwaren, neen, zelfs niet met rechtvaardige eisen. Hier verhaalt hij meer in bijzonderheden hoe zijn wijze van doen is geweest, niet uit hoogmoed of verwaandheid of om zichzelf te prijzen, maar als een beweegreden voor zijn opvolgers en voorde mindere overheidspersonen, om even zorgzaam te zijn voor het gemak en de verlichting des volks.
I. Hij duidt aan wat de handelwijze van zijn voorgangers is geweest, vers 15. Hij noemt hen niet, omdat het niet tot hun eer was wat hij van hen te zeggen had, en in zo'n geval is het goed om maar geen namen te noemen, maar het volk wist welke lasten zij hun opgelegd hadden en hoe duur het nut en voordeel van hun regering het land te staan is gekomen. De regering stond hun veertig zilveren sikkelen toe, dat is bijna zestig gulden, (waarschijnlijk per dag), maar bovendien verplichtten zij het volk hen te voorzien van brood en wijn dit eisende als emolumenten van hun ambt, en dat niet alleen, maar zij lieten toe dat hun dienaren het volk uitzogen, alles wat zij maar konden uit hen te krijgen. Het is niets nieuws dat zij, die openbare ambten bekleden, meer zichzelf zoeken dan de welvaart van het volk, ja zichzelf te bevoordelen met de verliezen die het volk lijdt. Meesters zijn verantwoordelijk voor al de daden van bedrog en onrechtvaardigheid, het geweld en de verdrukking, die zij dulden in hun dienaren.
II. Hij zegt ons wat zijn wijze van doen is geweest. In het algemeen: hij had niet gedaan zoals de vorige landvoogden gedaan hebben. Hij wilde het niet, hij durfde het niet om van de vreze Gods wil. Hij had ontzag voor Gods majesteit en vrees voor Zijn toorn. En:
1. Dat weerhield hem van het volk te verdrukken, zij, die waarlijk God vrezen, zullen niets durven doen dat wreed en onrechtvaardig is.
2. Het was zuiver en alleen dat, wat hem weerhield. Hij is zo edelmoedig geweest, niet om lof van de mensen te verwerven of om er invloed door te krijgen op het volk, maar zuiver en alleen om des gewetens wil, om van de vreze Gods wil, dat zal niet alleen een krachtig, maar een Gode welbehaaglijk beginsel zijn van gerechtigheid en barmhartigheid. Hoeveel voordeel en gewin zijn voorgangers uit hun ambt wisten te halen, bleek uit de grote bezittingen, die zij verwierven, maar Nehemia verkreeg er niets door behalve het genot van goed doen, wij hebben geen land gekocht vers 16. Aldus betoonde hij zich een goed en barmhartig landvoogd, die er niet op uit was zichzelf te bevoordelen, maar het welzijn van het land op het oog had.
Laat ons gedenken aan de woorden des Heeren, hoe Hij gezegd heeft: "Het is zaliger te geven dan te ontvangen," Handelingen 20:35, en merk hier op:
A. Hoe weinig Nehemia ontving van wat hij had kunnen eisen: hij deed het werk van de landvoogd, maar heeft het brood van de landvoogd niet gegeten, vers 14, hij heeft het niet geëist of gezocht, vers 18. Zover was hij van meer te eisen dan hem toekwam, dat hij nooit gevraagd heeft om wat hem toekwam, maar leefde op hetgeen hij aan het hof van de koning van Perzië verkregen had en van zijn eigen bezitting in Judea. De reden, die hij geeft voor deze daad van zelfverloochening is: omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk. Hij zou de gewone, gangbare verontschuldiging hebben kunnen gebruiken voor strengheid in zulke gevallen, namelijk dat hij door niet te eisen wat hem toekwam, onrecht deed aan zijn opvolgers, maar laat die voor zichzelf zorgen, hij neemt de tegenwoordige toestand van de Joden in aanmerking, en terwijl zij zuchtten onder zovele moeilijkheden, kon hij het niet over zich verkrijgen om nog aan hun lasten toe te doen, maar wilde liever zijn eigen vermogen verminderen dan hun ten ondergang te brengen. Wij moeten in onze eisen niet alleen rekening houden met het rechtvaardige ervan, maar ook met het vermogen van hen, aan wie wij die eisen doen, wij weten wie zijn recht verliest, waar niets te verkrijgen is.
B. Hoeveel hij gaf, dat hij had kunnen terughouden.
a. Het werk van zijn dienaren, vers 16. Dienaren van vorsten achten dat zij vrijgesteld zijn van werk, maar Nehemia's dienaren zijn ongetwijfeld op zijn bevel, verzameld geweest tot het werk. Zij, die vele dienaren hebben moeten bedenken hoe zij goed met hen zullen doen, hoe hen op goede wijze bezig te houden.
b. Zijn eigen spijs, vers 17, 18. Hij hield een zeer goede tafel, niet enkel op zekere dagen maar voortdurend, hij had veel aanzienlijke gasten, wel honderd vijftig tenminste van zijn eigen landgenoten, personen van de eerste rang, behalve nog vreemdelingen, die voor zaken tot hem kwamen, en hij voorzag hen van overvloedige spijzen, rundvlees en schapevlees en gevogelte, en allerlei soorten van wijn. Laat hen, die openbare betrekkingen bekleden, er aan denken dat zij bevorderd werden om goed te doen, niet om zich te verrijken, en laat personen van mindere rang of aanzien leren "herbergzaam te zijn jegens elkaar zonder murmureren" 1 Petrus 4:9.
Eindelijk. Hij besluit met een gebed, vers 19. Gedenk mijner, mijn God, ten goede.
1. Nehemia maakt hier melding van hetgeen hij gedaan heeft voor zijn volk, niet in hoogmoed als zich beroemende, noch in drift of hartstocht, alsof hij het hun verweet, het blijkt ook niet dat hij het tot zijn rechtvaardiging heeft behoeven te doen, zoals Paulus het nodig had om te gewagen van een even gelijke zelfverloochenende tederheid, die hij gehad heeft voor de Corinthiers, maar om de oversten beschaamd te maken over hun verdrukkingen. Laat hen van hem leren noch onmatige eiser te doen noch karig of schraperig te zijn in hetgeen zij voor het publiek te koste leggen dan zullen zij, evenals hij, de eer en het genot ervan hebben.
2. Hij maakt er melding van bij God in het gebed, niet alsof hij dacht dat hij hiermede gunst bij God verdiend had, dat God hem er iets voor schuldig was, maar om te betuigen dat hij voor zijn edelmoedigheid geen beloning verwachtte van mensen, maar op God vertrouwde om hem het verlies te vergoeden, dat hij leed in hetgeen hij voor Zijn eer te koste had gelegd, "zo God slechts mijner gedenkt ten goede, dan heb ik genoeg." Gods gedachten over ons zijn om ons gelukkig te maken, Psalm 40:6. Hij laat het aan God over om hem te belonen naar Zijn welgevallen, "indien de mensen mij vergeten, zo laat God" "slechts mijner gedenken, meer begeer ik niet."