Esther 4:1-4
Hier hebben wij een bericht van de algemene rouw onder de Joden na de afkondiging van Hamans bloedig edict tegen hen. Het was een treurige tijd voor de kerk.
1. Mordechai hief een bitter klaaggeschrei aan, scheurde zijn klederen en trok een zak aan, vers 1, 2. Hij gaf aldus niet slechts lucht aan zijn smart, maar maakte haar bekend, opdat allen konden opmerken dat hij zich niet schaamde zich als een vriend van de Joden te bekennen en een medelijder van hen was, hun broeder en medegenoot in de verdrukking, hoe verachtelijk en hatelijk zij nu ook door Hamans partij voorgesteld werden. Het was kloekmoedig gehandeld om aldus openlijk een zaak te omhelzen, die hij wist rechtvaardig te zijn, de zaak van God te zijn, zelfs toen zij een wanhopige geheel verloren zaak scheen te zijn. Mordechai nam meer dan iemand anders de zaak ter harte, omdat hij wist dat Hamans toorn in de eerste plaats hem gold, en dat om zijnentwil de slag tegen de overige Joden gericht was, en hoewel hij geen berouw had van hetgeen sommigen zijn stijfkoppigheid zouden noemen, want hij volhardde er in, Hoofdst. 5:9, heeft het hem toch zeer gesmart dat zijn volk om zijn gewetensbezwaren zal moeten lijden, hetgeen maakte dat sommigen het in hem als al te angstvallige nauwgezetheid afkeurden. Daar hij echter God tot getuige kon aanroepen, dat hij naar de beginselen van plicht en geweten heeft gehandeld, kon hij met een gerust hart zijn zaak en die van zijn volk overgeven aan Hem, die rechtvaardig oordeelt. God zal diegenen bewaren, die door hun nauwgezetheid van geweten aan gevaar zijn blootgesteld. Er wordt hier nota genomen van een wet, dat niemand mocht in des konings poort inkomen bekleed met een zak, hoewel de willekeurige macht van hun koningen dikwijls, zoals nu, velen in rouw dompelde, mocht toch niemand in de nabijheid van de koning komen, gekleed in rouwgewaad omdat hij hun klachten niet wilde aanhoren. Niets dan hetgeen vrolijk en aangenaam was mocht aan het hof verschijnen, alles wat treurig was moest er van gebannen blijven, in de huizen van de koningen dragen allen zachte klederen, Mattheus 11:8, geen zak. Maar de tekenen van de smart buiten te houden, was, tenzij zij ook de oorzaken van smart konden buiten houden, een zak verbieden binnen te komen, als zij niet tevens ziekte, smart en dood konden verbieden binnen te komen, niets dan een bespotting. Maar dit verplichtte Mordechai nu echter om op een afstand te blijven alleen voor de poort te komen, en zijn plaats in de poort niet in te nemen.
2. Al de Joden in elke provincie namen het zeer ter harte, vers 3. Zij ontzegden zich het genot van hun tafel (want zij vastten en mengden hun tranen met hun spijs en drank), en het genot van hun legerstede des nachts, want zij lagen in zak en as. Zij, die uit gebrek aan vertrouwen op God en liefde voor hun land in het land van hun gevangenschap waren gebleven, toen Cyrus hun vrijheid gaf om heen te gaan hadden nu wellicht berouw van hun dwaasheid en wensten, toen het te laat was, dat zij gehoor hadden gegeven aan de roeping Gods.
Toen aan Esther in het algemeen te kennen werd gegeven, dat Mordechai zich in droefheid bevond, deed het haar zeer wee, vers 4. Mordechai's droefheid was haar droefheid, zo groot was de achting, die zij nog voor hem koesterde, en het gevaar van de Joden was haar verdriet, want hoewel zij koningin was, vergat zij haar betrekking tot hen niet. Laat ook de grootsten, de voornaamsten, het niet beneden zich achten "zich te bekommeren over de verbreking" "Jozefs" hoewel zij "zich zalven met de voortreffelijkste olie," Amos 6:6. Esther zond klederen aan Mordechai vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest, omdat hij haar echter de grootheid van zijn smart wilde doen beseffen, nam hij ze niet aan, maar was als iemand, die weigerde vertroost te worden.