Nehemia 1:5-11
Wij hebben hier Nehemia's gebed, een gebed dat betrekking heeft op alle gebeden, die hij gedurende enigen tijd tevoren tot God had opgezonden dag en nacht, zolang hij rouw bedreef over de staat van verwoesting, waarin Jeruzalem verkeerde, en ook met het verzoek dat hij nu tot de koning, zijn meester, zei richten ten gunste van Jeruzalem.
In dit gebed kunnen wij opmerken:
I. De nederige en eerbiedige wijze, waarop hij tot God spreekt, hoe hij zich voor Hem neerbuigt, en Hem de eer geeft van Zijn naam, vers 5. Het komt tamelijk overeen met het gebed van Daniël, Hoofdstuk 9:4. Het leert ons tot God te naderen:
1. Met heilig ontzag voor Zijn majesteit en heerlijkheid, gedenkende dat Hij de God des hemels is, oneindig ver boven ons is, vrijmachtig Heer is over ons, en dat Hij is de grote en vreeslijke God, alle overheden en machten beide van de boven en van de benedenwereld engelen en koningen, ver overtreffende, en dat Hij een God is, die door al Zijn volk met vreze moet worden aangebeden, en voor wiens machtige toorn al Zijn vijanden reden hebben bevreesd te zijn. Zelfs de verschrikkingen des Heeren kunnen gebruikt worden ter vertroosting en bemoediging van hen, die op Hem bebouwen.
2. Met heilig vertrouwen in Zijn genade en trouw, want Hij houdt het verbond en de goedertierenheid degenen, die Hem liefhebben, niet alleen de goedertierenheid die beloofd is, maar zelfs grotere dan die beloofd is, niets zal te veel geacht worden om te doen voor hen, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.
II. Zijn algemene bede, dat al de gebeden, die hij nu deed, verhoord mogen worden, en zijn belijdenis van zonde Gode welbehaaglijk mocht zijn, vers 6. Laat toch Uw oor opmerkende zijn om te horen, niet naar het gebed, dat ik zeg-een gebed, dat slechts gezegd wordt, baat niet, maar het gebed, dat ik heden voor Uw aangezicht bid. (Ons gebed zal waarschijnlijk voorspoedig zijn, als wij het bidden) en laat Uw ogen open zijn op het hart, waaruit het gebed komt, en op de zaak die U in het gebed voorgelegd wordt. God formeert het oog en plant het oor, zal Hij dan niet helder zien? niet aandachtig horen?
III. Zijn boetvaardige belijdenis van zonde. Niet alleen heeft Israël gezondigd (het was geen grote vernedering voor hem om dit te erkennen), maar ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd, vers 6. Aldus verootmoedigt hij zich en neemt voor zich de beschaamdheid des aangezichts, in zijn belijdenis. Wij (ik en mijn geslacht onder de overigen) hebben het ganselijk tegen U verdorven, vers 7. Laat in de belijdenis van zonde deze twee dingen erkend worden als het boze er in, dat het een verderven is van onszelf en een beledigen van God, het is een verderven tegen God, het bederf van ons hart in tegenstand doende komen met de geboden Gods.
IV. De pleitgrond, die hij aanvoert, om genade voor zijn volk Israël te verkrijgen.
1. Hij pleit op hetgeen God vanouds tot hen gezegd heeft, de regel, die Hij gesteld had voor Zijn handelingen met hen, die de regel kon zijn voor hun verwachtingen van Hem, vers 8, 9. Hij had wel gezegd dat, indien zij zijn verbond verbraken, Hij hen verstrooien zal onder de volken, en die bedreiging was vervuld in hun gevangenschap. Nooit was een volk zo ver en wijd verspreid als Israël toen geweest is, hoewel zij zozeer tot één lichaam verenigd waren geweest. Maar Hij heeft ook gezegd dat Hij, zo zij zich tot Hem bekeerden (zoals zij nu begonnen hadden te doen, daar zij de afgoderij hadden verzaakt en zich streng aan de tempeldienst hielden), hen "wederom verzamelen zal" Dit haalt hij aan uit Deuteronomium 30:1-5, en bidt om vergunning om dit Gode te doen gedenken (hoewel de eeuwige Geest zo'n doen gedenken niet nodig heeft) als hetgeen waarnaar hij zijn begeerten regelt, en waarop hij zijn geloof en zijn hoop grondt in zijn bidden van dit gebed. Ik bid U, gedenk dit woord, want Gij hebt gezegd: "Maak Mij indachtig." Hij had erkend, vers 7, wij hebben niet gehouden de rechten, die Gij Uwen knecht Mozes geboden hebt, en toch bidt hij, vers 8, Heere, gedenk toch aan het woord, dat Gij Uwen knecht Mozes geboden hebt, want van het verbond wordt dikwijls gezegd, dat het geboden is. Indien God van Zijn beloften niet meer gedacht dan wij van Zijn geboden gedenken, wij waren verloren. Onze beste pleitgronden in het gebed zijn dus die, welke ontleend zijn aan Gods belofte, "het woord, op hetwelk Hij ons heeft doen hopen," Psalm 119:49.
2. Hij pleit op de betrekking, waarop zij vanouds tot God hebben gestaan, zij zijn Uwe knechten en Uw volk, vers 10, die Gij U hebt afgezonderd en in een verbond met U hebt opgenomen, zult Gij toelaten, dat Uw gezworen vijanden Uw gezworen knechten verdrukken en vertreden? Indien Gij niet wilt verschijnen voor Uw volk, voor wie zult Gij dan wèl verschijnen?" Zie Jesaja 63:19. Als een bewijs dat zij Gods knechten zijn schrijft hij hun deze hoedanigheid toe, vers 1, . Zij hebben lust Uw naam te vrezen, zij zijn niet slechts naar Uw naam genoemd, maar hebben waarlijk eerbied voor Uw naam, thans aanbidden zij U, U alleen, naar Uw wil, en hebben ontzag voor al de ontdekkingen, die het U behaagt van Uzelf te doen, dit begeren zij," hetgeen aanduidt:
a. Hun goede wil er voor, "Het is hun voortdurende zorg en hun streven om in de weg van hun plicht te worden gevonden, dit hebben zij op het oog, al is het ook dat zij nog in veel tekortkomen."
b. Hun welbehagen er in: "Zij verlustigen zich er in om Uwen naam te vrezen," zoals dit ook gelezen kan worden. "Zij doen niet slechts hun plicht, maar verlustigen er zich in om hem te doen." Diegenen zullen genadiglijk door God worden aangenomen, die waarlijk begeren Zijn naam te vrezen, want die begeerten zijn Zijn eigen werk.
3. Hij pleit op de grote dingen, die God tevoren voor hen gedaan heeft, vers 10. "Zij zijn toch Uw volk, dat Gij vanouds verlost hebt door Uw grote kracht, Uw kracht is nog dezelfde, zult Gij hen dan nu niet wederom verlossen, en Uw verlossing aldus voltooien? Laat hen niet door de vijand overweldigd worden, die een God van oneindige kracht aan hun zijde hebben."
Eindelijk. Hij besluit met een bijzondere bede dat God hem voorspoedig zal maken in zijn onderneming, en hem gunst zal doen vinden bij de koning, deze man, noemt hij hem, want de grootste van de mensen zijn voor God slechts mensen, en zij moeten weten dat zij dit zijn Psalm 9:21, en anderen moeten weten dat zij dit zijn: "Wie zijt gij, dat gij vreest voor de mens? Barmhartigheid voor het" "aangezicht van deze man," dat is het waar hij om bidt, niet bedoelende de barmhartigheid van de koning maar barmhartigheid van God in zijn bede, zijn verzoek aan de koning. Gunst van mensen is liefelijk en troostrijk als wij haar kunnen zien voortkomen uit de barmhartigheid Gods.