Nehemia 13:10-14
Hier is nog een grief door Nehemia hersteld.
I. De Levieten was onrecht gedaan, dat was de grief: hun deel was hun niet gegeven vers 10. Misschien heeft Tobia, toen hij bezit nam van de voorraadkamers, zich ook de voorraad toegeëigend en die met medeweten van Eljasib voor eigen gebruik aangewend. De klacht is niet dat het niet ingezameld was van het volk, maar dat het niet aan de Levieten was gegeven, en de Levieten waren zo bescheiden dat zij het niet invorderden, want de Levieten en de zangers waren gevloden een ieder naar zijn akker. Dit staat hier als een reden, hetzij:
a. Waarom die betalingen niet geschied waren, de Levieten waren afwezig, toen zij hun werk in de tempel hadden moeten verrichten, waren zij op hun hoeven op het land, en daarom was het volk weinig genegen om tot hun onderhoud bij te dragen. Indien leraren de aanmoediging niet ontvangen, die hun gegeven behoort te worden, laat hen dan eens nagaan, of zij niet zelf mee schuldig zijn aan de veronachtzaming, waaronder zij lijden door hun veronachtzaming van hun werkt. Of liever:
b. Het is de reden, waardoor Nehemia spoedig bemerkte dat hun wat hun toekwam onthouden was, omdat hij hen niet op hun post zag. "Waar zijn de zangers?" zegt Nehemia, "waarom zijn zij niet hier, naar hun ambt het hun voorschrijft, om God te loven?" Wel zij waren vertrokken een ieder naar zijn bezitting op het land, om voor zich en hun gezinnen het levensonderhoud te verkrijgen uit hun grond, want hun ambt gaf hun geen brood. Een karig onderhoud van de leraren heeft dikwijls een karige bediening van de Godsdienst tengevolge. Het werk wordt veronachtzaamd, omdat de werklieden het zijn. Het was nog niet lang geleden dat de uitbetaling van het traktement van de zangers op goede voet geregeld was, Hoofdst. 12:47, maar hoe spoedig hield dit toch op omdat er niet behoorlijk op werd toegezien!
2. Nehemia gaf de schuld hiervan aan de oversten, die er voor hadden moeten zorgen dat de Levieten bij hun werk bleven en dat hun alle aanmoediging hiertoe werd gegeven. Van Christelijke overheidspersonen wordt geëist dat zij hun macht gebruiken, om de leraren bij hun plicht te houden, en het volk bij de zijnen. Nehemia begon met de oversten, en riep hen ter verantwoording. "Waarom is het huis van God verlaten?" vers 11. "Waarom zijn de levieten er door honger uit verdreven? Waarom hebt gij hier niet op gelet, en hebt gij dit niet voorkomen?" Het volk "verliet de Levieten," hetgeen uitdrukkelijk verboden was, Deuteronomium 12:19, en toen verlieten de Levieten hun post in het huis van God. Beide leraren en gemeente, die de Godsdienst en de waarneming er van verlaten of veronachtzamen, en ook de magistraten, die niet doen wat zij kunnen om hen er bij te houden, zullen zeer veel te verantwoorden hebben.
3. Hij toefde niet om de verstrooide Levieten weer te vergaderen en hen in hun stand te herstellen, vers 11. Een Leviet op zijn akker (clericus in foro-een leraar op de markt) is buiten zijn stand, Gods huis is zijn plaats, daar moet hij gevonden worden. Velen, die onachtzaam zijn, zouden veel beter handelen dan zij handelen, indien zij er slechts toe opgewekt werden. Zegt aan Archippus: zie op de bediening.
4. Hij noodzaakte het volk hun tienden op te brengen, vers 12. Zijn ijver wekte de hunne op, en toen zij de Levieten aan hun werk zagen, belette schaamtegevoel hen om hun nog langer hun loon te onthouden, maar hebben het hun eerlijk en goedsmoeds gebracht. Hoe beter kerkwerk gedaan wordt, hoe beter het van de kerk verschuldigde betaald zal worden.
5. Hij zorgde er voor dat de Levieten hun bezoldiging stipt op tijd uitbetaald zou worden, er werden commissarissen benoemd, die hierop moesten toezien, vers 13, en het waren mannen die getrouw werden geacht, dat is: zich getrouw betoond hadden in ander werk, dat hun was opgedragen, en zich aldus "die goede opgang" "verkregen hebben," 1 Timotheus 3:13 T. Laat de mensen eerst beproefd en dan vertrouwd worden, laat men hen eerst beproeven in het mindere, en hun dan het meerdere toevertrouwen. Hun ambt was te ontvangen en uit te betalen, aan hun broederen uit te delen op de bepaalde tijd en naar goede evenredigheid.
6. Geen beloning hebbende (het is nog zeer de vraag of hij dank ontving) van hen, aan wie hij deze goede diensten deed, ziet hij op tot God als zijn betaalmeester, vers 14. Gedenk mij, mijn God, in deze. Nehemia was een man van vele Godvruchtige uitroepingen, bij iedere gelegenheid, hij zag op tot God, en gaf zich en zijn belangen aan Hem over. Met vertroosting en veel voldoening ziet hij terug op hetgeen hij gedaan had voor het huis van God en de wachten er van, het was hem een genoegen te denken dat hij enigermate het middel is geweest om de Godsdienst in zijn land te doen herleven en te steunen, en wat verkeerd was terecht te brengen. Welke weldadigheid de mensen aan Gods dienstknechten ook bewijzen, het zal aldus in hun boezem weerkeren in de verborgen vreugde, die zij smaken, niet alleen in welgedaan te hebben, maar in goed gedaan te hebben, goed aan velen, goed aan de zielen.
a. Hij verlaat zich op God om hem daarom te gedenken, niet in hoogmoed en als roemende op hetgeen hij gedaan had, en nog veel minder er op vertrouwende als op zijn gerechtigheid, of alsof hij waande God ermede tot zijn schuldenaar gemaakt te hebben maar in nederig beroep op Hem betreffende zijn oprechtheid en eerlijke bedoeling in hetgeen hij gedaan had, en een gelovige verwachting, dat Hij niet onrechtvaardig zal zijn, dat Hij "zijn werk zou vergeten, en de" "arbeid van de liefde," Hebreeën 6:10. Let er op hoe bescheiden hij is in hetgeen hij vraagt, hij bidt slechts: Gedenk mij, niet: Beloon mij, delg mijn weldadigheden niet uit, niet: Maak ze bekend. Toch was hij beloond en zijn weldadigheden zijn vermeld, want God doet meer dan wij instaat zijn te vragen. Daden, verricht voor het huis van God en de wachten ervan, tot ondersteuning van de Godsdienst en de aanmoediging erven, zijn goede daden, er is beide gerechtigheid en Godsvrucht in, en God zal ze voorzeker gedenken, en ze niet uitdelgen, zij zullen haar loon geenszins verliezen.