Nehemia 12:27-43
Wij hebben gelezen dat de muur van Jeruzalem onder veel vrezen en beven gebouwd werd, hier nu hebben wij een bericht dat hij met veel vreugde en groot gejuich werd ingewijd. Die met tranen zaaien zullen aldus met gejuich maaien.
I. Wij moeten nagaan wat de betekenis was van deze inwijding van de muur, en willen veronderstellen dat er ook de inwijding van de stad in begrepen was-continens pro contento- hetgeen omvat genomen voor hetgeen omvat is, en daarom werd het niet gedaan voordat de stad weer tamelijk goed bevolkt was, Hoofdst. 11.
1. Hier was een plechtige dankzegging aan God voor Zijn grote goedertierenheid over hen in de tot een goed einde brenging van deze onderneming, waarvan zij zich temeer bewust waren vanwege de moeilijkheid en de tegenstand, die zij er bij ondervonden hadden.
2. Hiermede hebben zij de stad op bijzondere wijze aan God gewijd en aan Zijn eer, er voor Hem en in Zijn naam bezit van genomen. Op al onze steden, op al onze huizen moet heiligheid des Heeren geschreven staan, maar de stad was (zoals nooit een andere stad geweest is), een "heilige stad," de "stad van de grote Koning," Psalm 48:3, Mattheus 5:35, dat is zij altijd geweest sedert God haar verkoren had om er Zijn naam te zetten, en als zodanig werd zij, nu herbouwd zijnde, opnieuw door de bouwers en de inwoners Gode gewijd, ten teken van hun erkenning dat zij Zijn huurders, Zijn afhankelingen waren, en van hun begeerte, dat zij nog de Zijne zou wezen, en de eigendom ervan nooit veranderd zou worden. Al wat voor hun veiligheid, gemak en genoegen gedaan is, moet bedoeld zijn voor Gods eer en heerlijkheid.
3. Hiermede stelden zij de stad en haar muren onder de bescherming van God, erkennende dat, zo de Heere de stad niet bewaart, de muren tevergeefs gebouwd zijn. Toen deze stad in het bezit was van de Jebusieten, hebben die er de bescherming van opgedragen aan hun goden, hoewel die blind en kreupel waren 2 Samuël. 5:6. S Met veel meer reden geeft het volk van God haar over in Zijn hoede en bescherming, daar Hij de Alwijze en Almachtige is. De bijgelovige stichters van steden letten daarbij op een gelukkige gesteldheid des hemels maar deze Godvruchtige stichters hadden alleen het oog op God, op Zijn voorzienigheid, niet op het geluk, de fortuin.
II. Wij moeten opmerken met hoeveel plechtigheid het geschiedde onder de leiding van Nehemia.
1. Uit alle delen van het land werden de Levieten opgeroepen om de plechtigheid te komen vieren. De stad moet aan God gewijd worden en Zijn dienstknechten moeten gebruikt worden om het te doen, de overgave ervan aan Hem moet door hun handen geschieden. Toen deze plechtige feesten voorbij waren, Hoofdst. 8, 9, gingen zij naar huis naar hun onderscheidene standplaatsen, om daar hun werk van zorg over de zielen weer op te vatten, maar nu werden hun tegenwoordigheid en hulp wederom ingeroepen.
2. Ingevolge van deze oproeping was er een algemene samenkomst van al de Levieten, vers 28, 29. Let op de wijze, waarop zij te werk gingen. A. Zij reinigden zich vers 30. Het is nodig dat wij onze handen reinigen en onze harten zuiveren als er enigerlei werk van God door moet heengaan. Zij reinigden zichzelf, en toen reinigden zij het volk, zij, die het middel willen wezen om anderen te heiligen, moeten zichzelf heiligen, zich Gode afzonderen met reinheid des harten en oprechtheid van bedoeling. Daarna reinigden zij de poorten en de muur. Wij kunnen vertroosting en lieflijkheid verwachten, als wij bereid zijn ze te ontvangen. "Alles is rein voor de reinen," Titus 1:15, en aan hen die geheiligd zijn, zijn huis en tafel en alle aangenaamheid des levens geheiligd, 1 Timotheus 4:4, 5 T. Waarschijnlijk geschiedde deze reiniging door het water van de afzondering, Numeri 19:9, te sprengen op zichzelf en op het volk, op de muren en de poorten, een type van het bloed van Christus, hetwelk, ons geweten "ons bewustzijn reinigen van dode werken," ons bekwaam maakt om de levende God te dienen, Hebreeën 9:14, en door Hem beschermd te worden.
B. De vorsten, priesters en Levieten gingen, in twee groepen verdeeld, in statige optocht op de muur met muziekinstrumenten, om de toewijding van dit alles aan God te kennen te geven, zij gingen de gehele muur rond, vers 36. Zodat zij waarschijnlijk al gaande psalmen zongen tot lof en heerlijkheid van God. De optocht wordt hier uitvoerig beschreven. Op een zeker punt kwamen zij bijeen, en daar verdeelden zij zich in twee groepen. De helft van de vorsten met verscheiden priesters en Levieten gingen rechts, terwijl Ezra hen aanvoerde, vers 37. De andere helft van de vorsten en priesters die evenzo dankzegging deden, gingen links, terwijl Nehemia in de achterhoede was, vers 38. Eindelijk ontmoetten beide groepen elkaar in de tempel, waar zij zich met elkaar verenigden in dankzegging, vers 40. De menigte van het volk liep waarschijnlijk op de grond, sommigen binnen de muur anderen buiten de muur. Een doel van deze plechtigheid was het volk onder de indruk te brengen van de zegen, waarvoor zij dankzegging gingen doen, en er de herinnering van onder hen levendig te houden. Processies voor zulke doeleinden hebben haar nut.
C. Het volk had zich vrolijk gemaakt met grote vrolijkheid, vers 43. Terwijl de vorsten, priesters en Levieten hun vreugde en dankbaarheid te kennen gaven door grote slachtofferen, trompetgeschal, muziekinstrumenten en lofliederen, heeft het gewone volk zijn vreugde geuit door luide juichkreten, die van verre gehoord werden, verder dan de meer harmonieuze geluiden van hun liederen en muziekinstrumenten, en van deze juichtonen, komende uit een gevoel van oprechte en hartelijke vreugde, wordt hier nota genomen, want God ziet de oprechte, ijverige dienst van geringe lieden niet voorbij, maar heeft er een welbehagen in, al is er ook weinig kunst of schoonheid in. Er wordt ook opgemerkt dat de vrouwen en kinderen vrolijk waren, en hun hosanna's worden niet veracht, maar vermeld tot hun lof. Allen, die delen in openbare zegeningen, moeten zich verenigen in openbare dankzegging. De reden er voor opgegeven is: dat God hen vrolijk had gemaakt met grote vrolijkheid, Hij had hun beide stof tot blijdschap gegeven en harten om zich te kunnen verblijden, Zijn zorg had hen veilig en gerust gemaakt, en nu maakt Zijn genade hen vrolijk en dankbaar. De verijdelde tegenstand van hun vijanden heeft ongetwijfeld bijgedragen tot hun vreugde, en er triomf mee gemengd. Voor grote zegeningen behoort zeer plechtige dankzegging te worden gedaan, in de voorhoven van het huis des Heeren, in het midden van u, o Jeruzalem.