Mattheus 12:38-45
De Farizeeën, met wie Christus hier in gesprek is, waren waarschijnlijk niet dezelfden, die te voren hun vittende aanmerkingen op Hem hadden gemaakt, vers 24, en geen geloof wilden schenken aan de tekenen, die Hij deed, maar ene andere groep, die gene reden zagen om Hem niet te geloven, maar zich toch met de reeds gedane tekenen niet tevreden stelden, noch er een voldingend bewijs in wilden zien, tenzij Hij nog de verdere bewijzen bijbracht, die zij eisten. Hier is:
I. Hun toespraak tot Hem, vers 38. Zij vereren Hem met den titel van Meester, eerbied jegens Hem voorwendende, terwijl zij toch in hun hart voornamen Hem te honen. Niet allen zijn Christus' dienstknechten, die Hem Meester noemen. Hun verzoek luidt: Wij wilden van U wel een teken zien. Het was zeer billijk, dat zij een teken zien zouden, dat Hij door wonderen Zijne Goddelijke zending zou bewijzen: zie Exodus 4:8, 9. Maar het was hoogst onredelijk thans om een teken te vragen, als Hij reeds door zo vele tekenen overvloedig bewezen had, dat Hij van God was gezonden. Het is voor den hoogmoedigen mens natuurlijk om God de wet te willen voorschrijven, en dit dan als ene verontschuldiging aan te voeren waarom zij Zijne wet niet willen onderschrijven, maar des mensen schuld kan nooit zijn verontschuldiging zijn.
II. Zijn antwoord op deze toespraak en dezen onbescheiden eis.
1. Hij veroordeelt den eis, als zijnde de taal van een boos en overspelig geslacht, vers 39. Hij spreekt die beschuldiging niet slechts uit tegen de schriftgeleerden en Farizeeën, maar tegen het gehele volk der Joden. Zij waren allen gelijk hun voorgangers, een geslacht van boosdoeners. Zij waren inderdaad een boos geslacht, dat zich niet slechts verhardde tegen het getuigenis van Christus' wonderen, maar er zich op toelegde om Hem te smaden en over Zijne wonderen verachting uit te storten. Zij waren een overspelig geslacht, ten eerste, omdat zij zo ellendig verbasterd en ontaard waren van het geloof en de gehoorzaamheid hunner voorouders, dat Abraham en Israël hen niet erkenden. Zie Jesaja 57:3. Of, ten tweede, als ene overspelige vrouw. Zij weken af van dien God, met wie zij door het verbond als gehuwd waren. Zij waren niet schuldig aan de hoererij van den afgodendienst, gelijk zij dit voor de ballingschap geweest zijn, maar zij waren schuldig aan ontrouw, en alle ongerechtigheid, en ook dat is hoererij. Zij zagen niet uit naar goden van hun eigen maaksel, maar zij zagen uit naar tekenen van hun eigene vinding, en dat was overspel.
2. Hij weigert hun een ander teken te geven, dan Hij hun reeds gegeven had, behalve het teken van Jonas, den profeet. Hoewel Christus altijd bereid is heilige begeerten en gebeden te horen en te verhoren, zal Hij toch nooit aan verdorven lusten voldoening schenken. Zij, die kwalijk bidden, bidden en ontvangen niet. Tekenen werden gegeven aan hen, die ze begeerden ter versterking van hun geloof, zoals Abraham en Gideon, maar zij werden geweigerd aan hen, die er om vroegen ter verontschuldiging van hun ongeloof. Christus zou recht hebben gehad te zeggen: Nooit zullen zij een ander teken zien. Maar let op Zijne wondervolle goedheid: Zij zullen dezelfde tekenen nog eens herhaald zien, tot hun verder nut en nog overvloediger overtuiging. Zij zullen een teken hebben van een' anderen aard dan alle dezen, en dat is: Christus' opstanding van de doden door Zijne eigene kracht, en dat hier genoemd wordt: het teken van Jonas, den profeet. Dit was nog bewaard ter hunner overtuiging, en was bestemd om het grote blijk en bewijs te zijn, dat Christus de Messias is, want daarmee werd Hij krachtelijk bewezen te zijn de Zoon van God, Romeinen 1:4. Dat was een teken, dat al de andere overtrof, ze vervolledigde en kroonde. Indien zij de vorige tekenen niet geloven, dan zullen zij dit geloven, Exodus 4:9, maar indien dit hen niet zal overtuigen, zal niets hen overtuigen. En toch heeft het ongeloof der Joden nog ene uitvlucht gevonden, om ook hieraan te ontkomen, door te zeggen: Zijne discipelen zijn gekomen en hebben Hem gestolen, want niemand is zo ongeneeslijk blind als zij, die vast besloten zijn niet te willen zien. Nu wordt dit teken van Jonas, den profeet, hier nog verder door Hem verklaard, vers 40.
Gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, en toen gezond en wel er uit kwam, aldus zal Christus even lang in het graf zijn, en dan weer opstaan. Het graf was voor Christus wat de buik van den walvis was voor Jonas. Daarin werd Hij geworpen als een rantsoen voor levens, die op het punt zijn van in den storm om te komen, daar lag Hij, als in den buik des grafs of der hel, Jona 2:2, en scheen Hij als weggeworpen van voor Gods aangezicht. Hij bleef juist zo lang in het graf als Jona in den buik van den vis, drie dagen en drie nachten, niet drie gehele dagen en nachten. Waarschijnlijk bleef Jona niet zo lang in den buik van den vis, maar gedurende een deel van drie natuurlijke dagen (nychtêmerai heten ze bij de Grieken). Hij werd begraven in den namiddag van den zesden dag der week, en verrees in den morgen van den eersten dag. Dit is ene zeer gewone spreekwijze: zie 1 Koningen 20:29, Esther 4:16, 5:1, Lukas 2:21. Zo lang was Jona een gevangene om zijne eigene zonden, en zo lang was Christus een Gevangene om onze zonden. Gelijk Jona in den buik van den walvis zich vertroost heeft met de verzekerdheid, dat hij den tempel van Gods heiligheid weer aanschouwen zou, Jona 2:4, zo wordt uitdrukkelijk gezegd, van Christus, toen Hij in het graf lag, dat Hij heeft gerust in hope, als verzekerd zijnde, dat Hij gene verderving zou zien, Handelingen 2:27. Gelijk Jona op den derden dag uit zijne gevangenis werd ontslagen, en wederom in het land der levenden is gekomen, zo zou ook Christus ten derden dage wederkeren tot het leven, opstaan uit Zijn graf, om Zijn Evangelie tot de Heidenen te zenden.
3. Bij deze gelegenheid stelt Christus het treurig karakter en den ontzettenden toestand voor van dat geslacht, onder hetwelk Hij leefde, een geslacht dat niet veranderd en verbeterd wilde worden, en dus niet anders dan zijn ondergang tegemoet kon gaan, en Hij schetst hun karakter, zo als het bevonden zal worden te zijn in den dag des oordeels, onder het volle licht van de openbaarmakingen van dien dag. Personen en zaken doen zich thans voor in valse kleuren, karakter en toestand zijn hier nog veranderlijk, willen wij dus een juiste voorstelling hebben, dan moeten wij den maatstaf gebruiken van het laatste oordeel, de dingen zijn in werkelijkheid wat ze eeuwig zijn. Nu stelt Christus het volk der Joden voor:
a. Als een geslacht, dat veroordeeld zal worden door de mannen van Ninevé, wier bekering op de prediking van Jonas in het oordeel tegen hen zal getuigen, vers 41. Christus' opstanding zal voor hen het teken zijn van Jonas, den profeet, maar het zal op hen niet zulk ene gelukkige uitwerking hebben als dat van Jonas op de Ninevieten, want zij zijn er tot ene bekering door gebracht, als waardoor het verderf van hen werd afgewend, terwijl de Joden zich zullen verharden in een ongeloof, als waardoor hun verderf verhaast zal worden. En in den dag des oordeels zal de bekering der Ninevieten vermeld worden als ene verzwaring van de zonde, en bijgevolg ook van het oordeel van hen, tot wie Christus toen gepredikt heeft, en van hen, aan wie Christus thans wordt gepredikt, en wel om deze reden, dat Christus meerder is dan Jona. Jona was slechts mens, onderworpen aan dezelfde hartstochten, dezelfde zondige hartstochten, als wij, maar Christus is de Zoon van God. Jona was in Ninevé een vreemdeling, hij kwam onder vreemdelingen, die bevooroordeeld waren tegen zijn land, maar Christus is gekomen tot de Zijnen, toen Hij voor de Joden heeft gepredikt, en nog veel meer, als Hij gepredikt wordt onder hen, die zich Christenen noemen, en dus naar Zijn Naam genoemd zijn. Jona heeft slechts ene korte leerrede gehouden, zonder grote plechtigheid, predikende, terwijl hij door de straten ging, Christus herhaalde zijne roepstemmen, Hij zat neer en leerde, Hij leerde in de synagogen. Jona kondigde in zijne prediking slechts toorn en verderf aan, en dat wel binnen veertig dagen, hij gaf geen onderricht, gene aanwijzing, gene aanmoediging tot bekering, maar Christus heeft behalve de waarschuwing voor ons gevaar, ook getoond, waarvan wij ons hebben te bekeren, en ons de verzekering gegeven van aangenomen te zullen worden, als wij ons bekeren, omdat het koninkrijk der hemelen nabij is. Jona heeft geen wonder gedaan om zijne leer te bevestigen, maar Christus heeft zeer vele wonderen gedaan, en het waren allen wonderen van genade en barmhartigheid, toch hebben de Ninevieten zich op de prediking van Jonas bekeerd, maar op de Joden had Christus' prediking gene uitwerking. De goedheid van sommigen, die niet zo vele voorrechten hadden en zoveel hulp voor hun ziel, zal de slechtheid van anderen, die deze hulp wèl gehad hebben, nog verzwaren. Zij, die in schemerlicht de dingen ontdekken, die tot hun vrede dienen, zullen hen beschaamd maken, die op den vollen middag nog als in het duister rondtasten. Als een geslacht, dat veroordeeld zal worden door de koningin van het Zuiden, de koningin van Scheba, vers 42. De Ninevieten zullen hen beschamen, omdat zij zich bekeerd hebben, de koningin van Scheba, omdat zij niet in Christus hebben geloofd. Zij kwam van een ver land om de wijsheid van Salomo te horen, maar de mensen willen zich niet laten bewegen, om de wijsheid van Christus te horen, hoewel Hij in alles de Meerdere is van Salomo. De koningin van Scheba had gene uitnodiging ontvangen om tot Salomo te komen, er was haar niet beloofd, dat zij welkom zou zijn, maar wij zijn uitgenodigd om tot Christus te komen, neer te zitten aan Zijne voeten, en Zijn woord te horen. Salomo was slechts een wijs man, maar Christus is de Wijsheid zelf, in wie al de schatten der wijsheid verborgen zijn. De koningin van Scheba had met vele moeilijkheden te kampen, zij was ene vrouw, niet geschikt tot reizen, de tocht was lang en gevaarlijk, en wat zal er gedurende hare afwezigheid van haar eigen land worden? Gene zulke zorgen of moeilijkheden staan ons in den weg. Zij kon er niet zeker van zijn, dat het der moeite waard was om die verre reis te ondernemen. De vermaardheid, of het algemeen gerucht vleit soms de mensen, en er konden in haar eigen land wel wijzen gevonden worden, om haar te onderwijzen, evenwel, van Salomo's roem gehoord hebbende, wilde zij hem zien, maar voor ons zijn er zulke onzekerheden niet, als wij tot Christus komen. Zij is gekomen van de einden der aarde, maar wij hebben Christus onder ons, en Zijn woord nabij ons: Zie, Hij staat aan de deur en Hij klopt. De wijsheid voor welke de koningin van Scheba kwam, scheen slechts in wijsbegeerte en staatkunde te bestaan, maar de wijsheid, die wij van Christus kunnen krijgen, is wijsheid tot zaligheid. Zij kon Salomo's wijsheid alleen horen, hij kon haar gene wijsheid geven, maar Christus zal wijsheid geven aan hen, die tot Hem komen, ja Hij zal hun zelf van God tot wijsheid worden gemaakt, zo dat, indien wij de wijsheid van Christus niet horen, de ijver van de koningin van Scheba om al deze redenen in het gericht tegen ons zal getuigen en ons zal veroordelen, want Jezus Christus is meerder dan Salomo. Als een geslacht, dat besloten was onder de macht van Satan te blijven in weerwil van alle middelen, die aangevoerd werden om hem te verdrijven en hen te verlossen. Zij worden vergeleken bij enen, uit wie de duivel is weggegaan, maar tot wie hij met dubbele kracht wederkeert, vers 43-45. De duivel wordt hier de onreine geest genoemd, want hij heeft al zijne reinheid verloren, en hij schept er behagen in om allerlei onreinheid bij de mensen te bevorderen. De gelijkenis stelt het in bezit nemen voor van der mensen lichaam door den duivel. Daar Christus onlangs een duivel had uitgeworpen en daar zij Hem beschuldigden van een duivel te hebben, toont Hij hun nu, hoe zeer zij onder de macht van Satan zijn. Dit is nog een bewijs, dat Christus de duivelen niet uitwierp door een verdrag met den duivel, want dan zou hij spoedig wederkeren, terwijl Christus' uitwerpen van hem eens voorgoed was, van zulk een aard, dat zijn terugkeer onmogelijk was. Wij lezen van Zijn bevel aan den bozen geest: ga uit van hem, en kom niet meer in hem. Markus 9:25. Waarschijnlijk had de duivel de gewoonte gehad om soms dit spel te drijven met hen, die door hem bezeten werden, hij ging van hen uit en keerde met nog groter woede tot hen terug, vandaar dat de tussenpozen van helderheid en kalmte bij hen, die zich in dien toestand bevonden, gemeenlijk door nog heftiger aanvallen werden gevolgd. Als de duivel uitgegaan is, is hij onrustig, want hij slaapt niet, zo hij geen kwaad gedaan heeft, hij gaat door dorre plaatsen, gelijk iemand, die droefgeestig is, hij zoekt rust, maar vindt ze niet, voordat hij is wedergekeerd. Toen Christus het legioen duivelen had uitgeworpen uit den man, vroegen zij om in de zwijnen te mogen varen, waar zij niet lang in dorre, of droge, plaatsen bleven, maar weldra in de zee gestort werden. De toepassing der gelijkenis stelt ons de Joodse kerk en natie voor: Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn, dat thans het Evangelie van Christus weerstaat, en het ten laatste zal verwerpen. De duivel, die door den arbeid van Christus en van Zijne discipelen uit velen van de Joden uitgeworpen was, zocht rust onder de Heidenen, uit wier personen en uit wier tempels de Christenen hem overal zullen uitdrijven. Aldus wordt deze tekst door de een verklaard, maar de ander is van mening, dat de duivel, nergens in de Heidenwereld zulke aangename verblijfplaatsen vindende, en die zo naar zijn genoegen zijn, als hier in het hart der Joden, dus tot hen zal wederkeren, want Christus had geen toegang tot hen gevonden, en door hun ontzettende slechtheid en hun hardnekkig ongeloof, waren zij meer dan ooit bereid den duivel te ontvangen en dus zal hij in het duurzaam bezit van hen blijven. En de toestand van dit volk is meer hopeloos doemwaardig, dan voordat Christus onder hen verschenen is, of geweest zou zijn, indien Satan nooit van hen ware uitgeworpen. Het volk wordt hier voorgesteld, ten eerste, als afvallig. Na de Babylonische ballingschap had er ene reformatie onder hen plaats. Zij verlieten hun afgoden, en namen het voorkomen aan van tot den waren Godsdienst bekeerd te zijn. Maar weldra verdierven zij zich weer. Wèl zijn zij nooit meer tot afgoderij vervallen, maar zij gaven zich nu over aan allerlei goddeloosheid en onheiligheid, zij vervielen van kwaad tot erger, en bij al hun andere goddeloosheid voegden zij ene moedwillige minachting van, en vijandschap tegen, Christus en Zijn Evangelie. Ten tweede, als een volk, dat ten ondergang gedoemd is. Een nieuwe last werd uitgevaardigd tegen dit huichelachtig volk van Gods verbolgenheid, zoals dat, waarvan gesproken wordt in Jesaja 10:6, en hun verwoesting door de Romeinen zou zwaarder en groter zijn dan alle andere, gelijk ook hun zonden nog tergender waren. Toen was het, dat de toorn over hen gekomen is tot het einde, 1 Thessalonicenzen 2:15, 16. Laat dit ene waarschuwing wezen voor alle volken en kerken, om wèl toe te zien, dat zij hun eerste liefde niet verlaten, of een goed werk van reformatie, dat onder hen begonnen was, niet te laten varen, en niet weer te keren tot de boosheid, die zij verlaten schenen te hebben, want het laatste van de zodanige wordt erger dan het eerste.