Markus 6:45-56
Deze geschiedenis hebben wij gehad in Mattheus 14:22 en verder, doch hetgeen daar omtrent Petrus verhaald wordt, is hier weggelaten. Wij hebben hier:
I. Het uiteengaan der vergadering. Christus dwong Zijne discipelen vooruit heen te varen naar Bethsaida, voornemens zijnde hen te volgen, naar zij dachten over land. Het volk was ongezind om zich te verwijderen, zodat het Hem enige moeite en tijd kostte om hen weg te zenden. Want nu zij een goed avondmaal hadden gehad, hadden zij geen haast om te vertrekken. Maar zolang wij in deze wereld zijn, hebben wij geen blijvende stad, neen zelfs niet in gemeenschap met Christus. Het eeuwigdurende feest blijft bewaard voor den toekomenden staat.
II. Christus ging op een berg om te bidden. Merk op:
1. Hij bad, hoewel Hij zoveel arbeids had in het prediken, was Hij toch ook veel in het gebed. Hij bad dikwijls en lang, hetgeen ons bemoedigt om te steunen op de voorbede, die Hij voor ons doet aan de rechterhand des Vaders.
2. Hij ging alleen, om te bidden, hoewel Hij zich niet in de eenzaamheid behoefde terug te trekken ter vermijding van een opzichtig vertoon, of om afleiding te voorkomen, maar Hij wilde ons een voorbeeld geven en ons aanmoedigen in ons verborgen spreken met God. Hij bad alleen en, bij gebrek aan ene binnenkamer, ging Hij op den berg om er te bidden. Een Godvruchtige is nooit minder alleen, dan wanneer hij alleen is met God.
III. De discipelen waren in nood op de zee.
De wind was hun tegen, vers 48, zodat zij zich zeer pijnigden om het schip voort te krijgen. Dit was een voorproef van de moeilijkheden, die hun te wachten stonden als zij later uitgezonden zullen worden om het Evangelie te prediken, dat zal wezen evenals hen nu heen te zenden naar zee, terwijl de wind hun tegen is. Zij moeten verwachten zich zeer te moeten pijnigen om vooruit te komen, zij moeten hard werken om tegen zo sterk een stroom op te roeien. Evenzo moeten zij ook verwachten, om door de golven heen en weer te worden geslingerd, vervolgd te worden door hun vijanden, en door hen nu aan die moeilijkheid en dat gevaar bloot te stellen, wilde Hij hen gewennen aan zulke zwarigheden, opdat zij zouden leren verdrukkingen te lijden. De kerk is dikwijls als een schip op zee, door onweder voortgedreven, ongetroost. Wij kunnen Christus voor ons hebben, terwijl toch wind en getij tegen ons zijn, maar voor Christus' discipelen, die zich in den storm bevinden, is het een vertroosting, dat hun Meester op den hemelsen berg is, en voorbede doet voor hen.
IV. Christus bracht hun, als het ware, een bezoek op het water. Hij zou ook ter plaatse waar Hij was den wind tot bedaren hebben kunnen brengen, of een engel hebben kunnen zenden ter hunner hulpe, maar Hij wilde hen op de lieflijkste wijze ter hulpe komen, en daarom kwam Hij zelf.
1. Hij kwam niet voor de vierde wake des nachts, niet voor drie uur in den morgen: maar toen kwam Hij. Indien Christus vertoeft Zijn volk te bezoeken, zal Hij ten laatste toch komen, en hun uiterste nood is voor Hem de gelegenheid om des te meer van pas te verschijnen. Schoon de verlossing toeft, toch moeten wij haar verwachten, op het einde zal Hij het voortbrengen, in de vierde nachtwake zal Hij komen en niet achterblijven.
2. Hij kwam, wandelende op de zee. De zee was thans beroerd door hooggaande golven, toch kwam Christus en wandelde op het water, want schoon de rivieren haar bruisen verheffen, de Heere in de hoogte is geweldige dan het bruisen van grote wateren, Psalm 93:3, 4. Geen moeilijkheden kunnen Christus' genaderijke verschijning voor Zijn volk in den we g staan, als de tijd er voor gekomen is. Hij zal of een weg vinden, of zich een weg banen ter hunner redding, ook over de stormachtigste zee, Psalm 42:8, 9.
3. Hij wilde hen voorbijgaan, dat is: Hij stelde Zijn aangezicht en richtte Zijne schreden, alsof Hij verder wilde gaan, zonder notitie van hen te nemen. Dit deed Hij om hen op te wekken om tot Hem te roepen. Als Gods voorzienigheid direct werkzaam is om Gods volk te hulp te komen, schijnt het toch dikwijls, alsof zij hen voorbijgaat, zonder acht op hen te slaan. Zij dachten, dat Hij hen wilde voorbijgaan, maar wij kunnen er zeker van wezen, dat Hij dat niet wilde.
4. Hem ziende waren zij bevreesd, daar zij dachten een spooksel te zien, zij zagen Hem allen, en werden ontroerd, vers 50, denkende dat het een demon, een boze geest was, die hen vervolgde en dezen storm had verwekt. Dikwijls zijn wij verschrikt en worden wij in verwarring gebracht door hersenschimmen, de schepselen van onze eigen verbeelding.
5. Hij bemoedigde hen en bracht hun vrees tot zwijgen, door zich bekend te maken. Hij sprak gemeenzaam met hen, zeggende: Zijt welgemoed, Ik ben het, vreest niet Wij kennen Christus niet, voordat het Hem behaagt zich aan ons te openbaren. Ik ben het, Ik, uw Meester, Ik, uw Vriend, Ik, uw Verlosser en Zaligmaker. Ik ben het, die gekomen ben tot ene aarde vol moeite en ellende, en nu tot een stormachtige zee, om over u te waken en u te beschermen. De kennis van Christus, zoals Hij is in zich zelven en ons nabij is, is voldoende om de discipelen van Christus goedsmoeds te doen zijn, zelfs in een storm, en niet langer bevreesd te doen zijn. Is het zo? Waarom ben ik dus? Indien het Christus is, die met u is, zo wees goedsmoeds, vrees niet. Onze vrees zal spoedig verdwijnen, als onze misvattingen slechts opgehelderd zijn, inzonderheid onze misvattingen betreffende Christus. Genesis 21:19, 2 Koningen 6:15-17 Als Christus ons nabij is in stormachtige dagen, dan is dit genoeg om ons welgemoed te doen zijn, al zijn ook wolken en donkerheid rondom ons. Ik ben het, zei Hij. Hij zegt hun niet, wie Hij is-dat was niet nodig-zij kenden Zijne stem, zoals de schapen de stem kennen van hun herder, Johannes 10:4. Hoe snel en vaardig zegt de bruid telkens weer: Dat is de stem mijns liefsten, Hooglied 2: 8, 5:2. Hij zei ego eimi -Ik ben Hij, of Ik ben. Het is Gods naam, als Hij komt om Israël te verlossen, Exodus 3:14. Evenzo is het Christus' naam, nu Hij komt om Zijne discipelen te verlossen. Toen Christus tot hen, die gekomen waren om Hem te grijpen met geweld, zei: Ik ben het, werden zij door dat woord ter aarde geworpen, Johannes 18:6. Als Hij zegt tot hen, die komen om Hem aan te grijpen door geloof: Ik ben het, dan worden zij door dit woord opgeheven en vertroost.
6. Hij klom tot hen in het schip, zodat zij nu door Zijne tegenwoordigheid bij hen volkomen gerustgesteld waren, want zo hun Meester slechts bij hen is, is alles wel. En niet zodra was Hij in het schip, of de wind stilde. Er wordt gezegd, dat Hij in den vorigen storm, waarin zij zich bevonden, opgewekt zijnde, de wind bestrafte en tot de zee zei: Zwijg, wees stil! Hoofdstuk 4:39, maar hier lezen wij niet, dat zulk een formeel bevel werd gegeven, slechts dat de wind plotseling stilde. Onze Heere Jezus zal Zijn werk altijd op afdoende wijze tot stand brengen, hoewel niet altijd op even plechtige en waarneembare wijze. Schoon wij het gegeven bevel niet horen, maar de wind toch stilt, en wij de lieflijkheid smaken van rust en kalmte, zo laat ons zeggen: Het is omdat Christus in het schip is, en Zijn bevelwoord is uitgegaan eer wij het wisten, Hooglied 6:12. Als wij met Christus in den hemel komen, zal de wind terstond gestild zijn, in het gebied hierboven heersen gene stormen.
7. Zij waren over dit wonder meer verrast en verwonderd dan hun betaamde, en op den bodem van hun verbazing was iets, dat wezenlijk verkeerd was. Zij ontzetten zich bovenmate zeer in zich zelven. Zij waren gans in verrukking, alsof het iets nieuws en onverklaarbaars was, en alsof Christus nooit tevoren iets dergelijks gedaan had, en zij geen reden hadden te verwachten, dat Hij het nu doen zou. Zij behoorden de macht van Christus te bewonderen en er door bevestigd te worden in hun geloof, dat Hij de Zoon van God is, maar waartoe al die verbazing hierover? Het was, omdat zij niet hadden gelet op het wonder der broden. Indien zij daaraan het belang hadden toegekend, dat zij er aan hadden moeten toekennen, dan zouden zij over dit wonder niet zo verbaasd zijn geweest, want Zijne vermenigvuldiging van het brood was een even groot blijk van Zijne macht als Zijn wandelen op het water. Zij waren wel bijzonder stompzinnig en onnadenkend, en hun hart was verhard, want anders zouden zij het niet ongelooflijk geacht hebben, dat Christus den storm kan doen zwijgen. Het is uit gebrek aan een recht begrip van Christus' vroegere werken, dat wij zo verbaasd staan over Zijn tegenwoordige werken, alsof nooit tevoren zo iets geweest is.
V. Toen zij in het land Gennesareth kwamen, dat tussen Bethsaida en Kapernaum was gelegen, werden zij door het volk zeer welkom geheten. De mensen aldaar werden terstond Hem kennende, vers 54. Zij wisten wat grote werken Hij deed, overal waar hij kwam, welk een algemeen geneesmeester Hij was. Zij wisten tevens, dat Hij gewoon was slechts korten tijd op ene plaats te vertoeven, en daarom beijverden zij zich om van Zijn bezoek bij hen een goed gebruik te maken. Het gehele omliggende land doorlopende, begonnen zij op beddekens degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, daar de kranken anders niet tot Hem hadden kunnen komen. En zij liepen geen gevaar van kou te vatten, als zij tot Hem gebracht werden om genezen te worden, vers 55. Waar Hij ook heenging, de kranken kwamen in menigte tot Hem in de steden, in de vlekken, in de omliggende dorpen. Zij legden de kranken op de markten, om slechts op Zijn weg te zijn, en baden Hem dat zij maar den zoom Zijns kleeds mochten aanraken, zoals de vrouw, die den vloed des bloeds had, gedaan heeft, door wie, naar het schijnt, die wijze om genezing te verkrijgen het eerst werd aangewend, en zo velen, als er Hem aanraakten, werden gezond. Wij bevinden niet, dat zij begerig waren om door Hem onderwezen te worden, zij wilden slechts genezen worden. Indien de Evangeliedienaren thans de lichaamskwalen der mensen konden genezen, wat grote scharen zouden tot hen komen! Maar het is treurig te zien, hoeveel meer de mensen bezorgd zijn voor hun lichaam dan voor hun ziel.