Markus 5:21-34
De Gadarenen verlangd hebbende, dat Christus hun land zou verlaten, bleef Hij niet lang om hen met Zijne tegenwoordigheid lastig te vallen, maar vertrok weldra, zoals Hij gekomen was, over de zee terug naar de andere zijde, vers 21, en daar vergaderde een grote schare bij Hem. Zijn er sommigen, die Christus verwerpen, er zijn anderen, die Hem ontvangen en welkom heten. Een veracht Evangelie zal over het water gaan naar de plaats, waar het een beter onthaal vindt. Onder de velen, die nu tot Hem kwamen:
I. Is hier een man, die openlijk komt om genezing af te bidden voor een ziek kind, en die man is geen mindere dan een van de oversten der synagoge, een voorganger bij de Godsverering in de synagoge, of, zoals sommigen denken, een der rechters van het consistorie, of geestelijk gerechtshof, zoals er in elke stad een was, bestaande uit drie en twintig. In Mattheus wordt zijn naam niet genoemd, hier wordt zijn naam vermeld als Jaïrus, of Jaïr, Richteren 10:3. Hoewel hij een overste was, wendde hij zich met grote nederigheid en eerbied tot Christus, Hem ziende, viel hij aan Zijne voeten, Hem eer bewijzende als aan enen, die inderdaad groter was dan Hij scheen te zijn, en met groten aandrang, hij bad Hem zeer, als iemand, wie het ernst is, als iemand, die niet slechts den zegen op prijs stelde, waar hij om vroeg, maar die ook wist, dat hij hem van niemand anders kon verkrijgen. Zie hier de zaak: hij heeft een dochtertje van ongeveer twaalf jaren, de lieveling van het gezin, en zij ligt op haar uiterste. Maar hij gelooft dat zij, zo Christus slechts wil komen en haar de handen opleggen, van de poorten des doods zelven terug zal keren. Hij zei eerst, toen hij kwam, zij is in haar uiterste, (aldus Markus), maar daarna, op een latere tijding, die hem gezonden is, zegt hij: Mijne dochter is nu terstond gestorven (aldus in Mattheus), maar nog houdt hij aan in zijne bede, zie Lukas 8:42. Christus was gaarne bereid, en ging met hem, vers 24.
II. Hier is iemand anders, die (als ik dit zo zeggen mag) heimelijk ene genezing steelt voor zichzelve, en zij verkreeg de hulp, die zij wenste. Deze genezing werd gewerkt op weg, toen Hij heenging om het dochtertje van den overste op te wekken, en door een grote schare gevolgd werd. Zie hoe Christus Zijn tijd besteedde, en geen van de kostbare ogenblikken verloren liet gaan. Velen van Zijne redevoeringen en sommigen van Zijne wonderen zijn gedateerd van den weg. Wij behoren goed te doen, niet alleen als wij in huis zitten, maar ook als wij op den weg gaan, Deuteronomium 6:7. Let nu:
1. Op het droevig geval van deze arme vrouw. Zij had voortdurend den vloed des bloed, twaalf jaren lang reeds, die haar ongetwijfeld zeer verzwakt heeft, haar genot in het leven had verbitterd, en haar met een spoedigen dood bedreigde. Zij had den besten geneeskundigen raad ingewonnen, die er te krijgen was, en had de vele geneesmiddelen gebruikt en de levenswijze gevolgd, die haar voorgeschreven waren. Zolang zij iets had om aan de medicijnmeesters te geven, hadden zij haar hoop gegeven op herstel, haar gezegd dat zij haar konden genezen. maar nu zij alles wat zij bezat aan hen ten koste had gelegd, gaven zij haar op als ongeneeslijk. Zie hier:
a. Dat huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven en zijne gezindheid, al wat zij had, had zij ten koste gelegd aan doctoren.
b. Het staat slecht met die patiënten, wier doctoren hun ergste kwaal zijn, die door hun doctoren lijden, in stede van door hen genezen te worden. c. Zij, die geen baat vinden bij medicijnen, worden gewoonlijk erger, en de ziekte wint er te meer veld door.
d. Gewoonlijk zullen de mensen zich niet tot Christus wenden, voor zij het met alle andere helpers tevergeefs beproefd hebben, en hen, wat zeker het geval zal wezen, nietige medicijnmeeesters hebben bevonden. En Hij zal bevonden worden een sterke toevlucht te zijn, zelfs voor hen, die in de laatste plaats de toevlucht tot Hem nemen.
2. Het krachtige geloof, dat zij had in de macht van Christus om haar te genezen. Zij zei bij zichzelve-hoewel het uit niets blijkt dat zij door een ander dergelijk geval aangemoedigd werd, om het te zeggen- Indien ik maar Zijne klederen mag aanraken, ik zal gezond worden, vers 28. Zij geloofde dat Hij genas, niet als een profeet, door ene kracht ontleend aan God, maar door ene kracht in Hem zelven aanwezig, als de Zoon van God. Hare ziekte was van zulk een aard, dat de kiesheid haar verbood, om Hem er openlijk van te spreken, zoals anderen deden van hetgeen, waardoor zij gekweld werden, daarom verlangde zij naar ene genezing, die niet in het openbaar zou geschieden. En zo geschiedde haar dan naar haar geloof.
3. De wondervolle uitwerking hiervan. Zij kwam onder de schare achter Hem, en met veel moeite gelukte het haar Zijn kleed aan te raken, en onmiddellijk gevoelde zij zich genezen, vers 29. De fontein haars bloeds was opgedroogd, en zij gevoelde zich volmaakt wel, zo gezond als zij ooit in haar leven geweest was, en dat in een oogwenk. Hieruit blijkt dat de genezing gans en al wonderdadig was, want zij, die door natuurlijke middelen van zulke krankheden genezen worden, herkrijgen slechts langzaam en trapsgewijze hun krachten, en niet plotseling, als opeens, maar Gods werk is volmaakt. Zij, die door Christus genezen worden van de ziekte der zonde, kunnen niet anders dan een algehele verandering ten goede in zich ontwaren.
4. Christus' onderzoek naar Zijn verscholen patiënt, en de bemoediging, die Hij haar gaf toen zij ontdekt werd. Christus bekende in zich zelven de kracht, die van Hem was uitgegaan, vers 30. Hij wist dit niet door een falen van Zijne kracht, niet door een verflauwen van Zijn geest, maar veeleer door ene verlevendiging van Zijne geestkracht door de beoefening er van, en door het innerlijk en van Hem onafscheidelijk genot, dat Hij vond in goeddoen. En verlangende Zijne patiënt te zien, vroeg Hij, niet misnoegd of als iemand, die beledigd is. maar met tedere belangstelling: Wie heeft Mijne klederen aangeraakt? Niet zonder ruwheid en onbetamelijkheid hebben de discipelen bijna den spot gedreven met Zijne vraag, vers 31 :Gij ziet dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt? Alsof de vraag eigenlijk niet gedaan moet zijn. Christus slaat geen acht op die ruwheid, maar zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had, niet om haar te laken wegens hare vrijpostigheid, maar om haar te prijzen en haar geloof aan te moedigen, en om door Zijn eigen daad, Zijn woord en goedkeuring de genezing te bevestigen, die zij, als het ware, steelsgewijze had verkregen. Hij had het niet nodig, dat iemand Hem zou inlichten, want Hij had reeds terstond het oog op haar. Evenals geheime daden van zonde, zo zijn ook geheime daden des geloofs aan den Heere Jezus bekend, zij geschieden onder Zijn oog. Als gelovigen nog zo bedekt kracht ontlenen aan Christus, dan weet Hij het en heeft er een welbehagen in. Hierop heeft de arme vrouw zich den Heere Jezus voorgesteld, vers 33, vrezende en bevende, niet wetende hoe Hij het zou opnemen. Christus' patiënten zijn dikwijls bevende, als zij alle reden hebben om te juichen. Zij zou vrijmoedig hebben kunnen komen, wetende wat aan haar geschied was, en toch, dit wetende, vreest en beeft zij. Het was ene verrassing, maar nog niet, zoals het had behoren te wezen, een aangename verrassing. Hoe dit zij, zij viel voor Hem neer. Niets is voor hen, die vrezen en beven, beter dan zich aan de voeten van den Heere Jezus te werpen, zich voor Hem te verootmoedigen en zich in Zijne handen over te geven. En zij zei Hem al de waarheid. Wij moeten ons niet schamen om uit te komen voor hetgeen er in het verborgen omgaat tussen Christus en onze ziel, maar er, zo wij daartoe geroepen zijn, melding van maken tot eer van Hem en ter bemoediging van anderen, zeggen wat Hij voor onze ziel gedaan heeft, en wat wij ervaren hebben van de helende kracht, die van Hem uitgaat. En de overweging, dat voor Christus niets verborgen kan blijven, moet ons aansporen om Hem alles te belijden. Zie welk een bemoedigend woord Hij haar gaf, vers 34 :Dochter! uw geloof heeft u behouden. Christus eert het geloof, omdat het geloof Christus eert. Maar zie. hoe hetgeen door het geloof gedaan is op aarde, in den hemel wordt bekrachtigd. Christus zegt: Wees genezen van deze uwe kwaal. Indien ons geloof het zegel van zijn amen zet op de macht en de beloften Gods, zeggende: Zo is het, en zo zij het voor mij, dan zal Gods genade het zegel van haar amen op de gebeden en verwachtingen des geloofs zetten, zeggende: Zo zij het, en zo zal het zijn voor u. En daarom: Ga heen in vrede, wees er wèl van overtuigd, dat gij uwe genezing eerlijk verkregen hebt, dat zij krachtdadiglijk gewrocht is, en ontleen daar vertroosting aan. Zij, die door het geloof van hun geestelijke krankheden zijn genezen, hebben wèl reden om heen te gaan in vrede.