Markus 15:1-14
Hier hebben wij:
I. Een beraadslaging, gehouden door het grote sanhedrin ter krachtige vervolging van onzen Heere Jezus. Zij hielden des morgens vroeg tezamen raad er over, en vormden zich tot een grote commissie om wegen en middelen te bedenken om Hem ter dood te doen brengen. Zij verloren geen tijd, maar zetten de zaak ijverig door, eer er een oproer onder het volk over kon ontstaan. De onvermoeide vlijt van boze lieden in het doen van hetgeen slecht is moet ons beschaamd maken over onze traagheid voor hetgeen goed is. Zij, die krijg voeren tegen Christus, zijn vroeg op, "hoe lang zult gij, luiaard, dan neerliggen?"
II. Zijne overlevering als gevangene aan Pilatus, zij bonden Hem. Hij moest het grote offer zijn, en offers moeten met touwen worden gebonden. Psalm 118:24.. Christus werd gebonden, om voor ons de banden gemakkelijk te maken, en ons instaat te stellen om evenals Paulus en Silas in banden te zingen. Het is goed voor ons om dikwijls te denken aan de banden van den Heere Jezus, als verbonden zijnde met Hem, die voor ons werd gebonden. Zij voerden Hem door de straten van Jeruzalem, om Hem bloot te stellen aan smaad en verachting, die, toen Hij slechts een paar dagen tevoren in den tempel leerde, vereerd en geëerbiedigd werd, en wèl kunnen wij ons voorstellen hoe ellendig Hij er na zulk een nacht van mishandeling, als Hij doorstaan had, uitgezien moet hebben, want Hij was met vuisten geslagen, bespogen en beledigd. Zijne overlevering aan de Romeinse macht was een type van het verderf hunner kerk, dat zij hiermede verdiend hadden en dus over zich zelven hadden gebracht, het betekende dat de belofte, het verbond en de woorden Gods, en de zichtbare kerkstaat, die de heerlijkheid waren van Israël en zolang in hun bezit waren geweest, nu aan de heidenen overgeleverd zouden worden. Door den Koning over te leveren, leveren zij in de uitwerking daarvan, het koninkrijk Gods over, hetwelk dus, met hun eigen toestemming, als het ware, van hen genomen en aan een ander volk gegeven wordt. Indien zij Christus hadden overgeleverd om aan de begeerten der Romeinen te voldoen, of om enigerlei nijd en afgunst Hem betreffende te doen ophouden, dan zou het een andere zaak geweest zijn, maar zij hebben vrijwillig Hem overgeleverd, die Israël's kroon was, aan hen, die Israël's juk waren.
III. Zijn verhoor door Pilatus begon met de vraag, vers 2, Zijt Gij de koning der Joden? Beweert gij die te zijn, die Messias te wezen, dien de Joden als een wereldlijk vorst verwachten? -Ja, zegt Christus, het is zoals gij zegt, Ik ben de Messias, maar niet zulk een als zij verwachten. Hij is de Koning, die Zijn Israël regeert en beschermt naar den geest, hen, die innerlijk naar de belijdenis des geestes Joden zijn, de Koning, die de vleselijk-gezinde Joden, die in hun ongeloof volharden, zal weerhouden en straffen.
IV. De punten van aanklacht tegen Hem ingebracht, en Zijn stilzwijgen onder hun beschuldigingen. De overpriesters vergaten de waardigheid van hun ambt, toen zij zich tot aanbrengers verlaagden, en in eigen persoon Christus beschuldigden van vele zaken, vers 3, en tegen Hem getuigden, vers 4. Velen van de Oud Testamentische profeten hebben de priesters van hun tijd beschuldigd van grote goddeloosheid, waarin zij "wèl geprofeteerd hebben" van deze priesters, zie Ezechiël 22:26, Hosea 5:1, 6:9, Micha 3:2, Habakuk 5:4, Maleachi 1:6, 2:8. De verwoesting van Jeruzalem wordt gezegd te zijn vanwege de zonden harer profeten, en de misdaden harer priesters, die in het midden van haar het bloed der rechtvaardigen vergoten hebben, Klaagliederen 4:13. Goddeloze priesters zijn gewoonlijk de slechtsten der mensen. Hoe beter een zaak is, hoe slechter zij wordt als zij verdorven is. Als leken vervolgers waren, werd er gewoonlijk nog meer mededogen bij hen gevonden dan bij de vervolgers onder de geestelijkheid, de priesters. Deze priesters waren zeer ijverig en zeer luidruchtig in hun beschuldiging, maar Christus antwoordde niets, vers 3. Toen Pilatus Hem drong zich te zuiveren van die beschuldigingen, en ook wenste dat Hij dit deed, vers 4, bleef Hij toch nog zwijgen, vers 5, Hij "heeft niet meer geantwoord," waarover Pilatus zich verwonderde, daar hij dit zeer vreemd vond, en heeft Pilatus een rechtstreeks antwoordgegeven, vers 2, maar wilde Zijn vervolgers en valse getuigen niet antwoorden, omdat hetgeen zij tegen Hem aanvoerden blijkbaar vals was, en Hij wist dat Pilatus zelf daarvan overtuigd was. Gelijk het spreken van Christus bewondering opwekte, zo heeft ook Zijn zwijgen bewondering opgewekt.
V. Het voorstel van Pilatus aan het volk om hun Jezus los te laten, daar het de gewoonte was om ter ere van het feest een gevangene vrij te laten. Het volk verwachtte en eiste dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had, vers 8. Het was een kwade gewoonte, maar zij wilden haar in stand houden. Nu had Pilatus bemerkt, dat de overpriesters Jezus uit nijd hadden overgeleverd, omdat Hij zulk een vermaardheid had verkregen onder het volk, dat de hun er door op den achtergrond gedrongen werd, vers 10. Het was gemakkelijk te zien, door den ijver der vervolgers te vergelijken met de zwakheid der bewijzen, dat het niet Zijne schuld, maar Zijne deugd, niet iets schadelijks of ergerlijks, maar iets verdienstelijks en heerlijks was, waardoor hun toorn was opgewekt. Toen hij dus vernam dat Hij door de schare geliefd werd, dacht hij veilig een beroep te kunnen doen van de priesters op het volk, en dat zij er fier op zouden zij Hem uit hun handen te verlossen. Hij gaf hun dus een middel aan de hand om het te doen zonder gevaar van oproer, laat hen Zijne loslating eisen, en Pilatus zal hun eis geredelijk inwilligen, en den mond der priesters stoppen door te zeggen, dat het volk op Zijne loslating had aangedrongen. Er was wel nog een andere gevangene, een zekere Barabbas, die enigen invloed had, en dus enige stemmen zou verkrijgen, maar hij twijfelde niet, of Jezus zou de meeste stemmen hebben.
VI. Het algemeen en woedend getier van het volk om Christus ter dood te brengen, en meer bijzonder om Hem te kruisigen. Het was voor Pilatus een grote, teleurstellende verrassing om het volk zozeer onder den invloed der priesters te zien, dat zij allen verlangden dat hun Barabbas losgelaten zou worden, vers 11. Pilatus stond dit tegen zoveel hij kon, "Wat wilt gij dan, dat ik met hem doen zal, dien gij een koning der Joden noemt? Wilt gij dan dat ook hij u zal losgelaten worden?" vers 12. Neen, zeggen zij, Kruis Hem. De priesters hun dit in den mond gelegd hebbende, blijven zij er bij. Als Pilatus hun tegenwerpt: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? (een zeer gewichtige vraag in zulk een aangelegenheid) onderstaan zij zich niet te antwoorden, maar roepen te meer, alsof zij al meer en meer door de priesters aangezet en geprikkeld werden: Kruis hem! kruis hem! Nu hebben de priesters, die zeer ijverig waren om zich en hun handlangers onder het volk te verspreiden ten einde het getier te doen aanhouden, zich voorgesteld, dat dit op tweeërlei wijze invloed zou oefenen op Pilatus om Hem te veroordelen.
1. Het kon er hem toe brengen te geloven, dat Christus schuldig was, als hij zag hoe algemeen het geroep tegen Hem was. "Voorzeker" zou Pilatus denken, "hij moet wel een slecht mens wezen, als de gehele wereld hem moede is,'. Hij zou dan tot de gevolgtrekking komen, dat hij verkeerd was ingelicht toen men hem zei, dat Hij zo groot een invloed op het volk had, en dat het dus niet waar was. Maar de priesters hadden zoveel haast gemaakt met de vervolging, dat wij kunnen onderstellen, dat Christus' vrienden, die zich tegen dat geroep zouden verzet hebben, aan het andere eind der stad waren en niets van de zaak afwisten. Het is de gewone kunstgreep van Satan, om Christus en Zijn Godsdienst eerst in kwaad gerucht te brengen, en dan ter neer te werpen. Als maar eerst deze sekte, zoals zij het noemen, overal weersproken wordt, al is het dan ook zonder reden of oorzaak, dan wordt dit als een genoegzamen grond beschouwd om haar te veroordelen. Maar laat ons personen en zaken naar hun waardij en naar den maatstaf van Gods woord beoordelen, en niet naar het algemeen gerucht.
2. Het zou hem kunnen bewegen Christus. te veroordelen om het volk te behagen, ja uit vrees van hen te mishagen. Hoewel hij nu niet zwak genoeg was om Hem schuldig te geloven, wijl dit hun mening was, was hij toch slecht genoeg om zich door hun getier te laten bewegen om Hem te veroordelen, hoewel hij Hem onschuldig geloofde, hiertoe geleid door "redenen van staat" en de wijsheid dezer wereld. Onze Heere Jezus, als slachtoffer stervende voor de zonden van velen, viel als een slachtoffer van de woede der menigte.