Markus 13:5-13
In antwoord op hun vraag bedoelt onze Heere Jezus niet zozeer hun nieuwsgierigheid te bevredigen, als wel hun geweten voor te lichten. Hij laat hen nog in het duister ten opzichte van de tijden en gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft, en die het hun niet toekwam te weten, maar Hij geeft hun de nodige waarschuwingen met betrekking tot de gebeurtenissen, die nu weldra zullen plaatshebben.
I. Zij moeten er zorg voor dragen niet misleid te worden door verleiders en bedriegers, die nu weldra zullen opstaan, vers 5 en 6.
"Ziet toe dat u niemand verleide, opdat gij, den waren Messias gevonden hebbende, Hem niet weer verliest onder de menigte van valse Christussen, of verlokt wordt om anderen in mededinging met Hem aan te nemen. Velen zullen komen in Mijn naam (niet in den naam Jezus), maar zeggende: Ik ben de Christus, dus aanspraak makende op de waardigheid, die alleen Mij toekomt. Nadat de Joden den waren Christus verworpen hadden, zijn zij door vele valse Christussen bedrogen geworden, maar nooit tevoren. Deze valse Christussen hebben velen verleid, ziet dus toe dat zij ook u niet verleiden. Als velen bedrogen worden, dan moet dit ons aansporen om voor ons zelven toe te zien.
II. Zij moeten ook wel toezien om niet verschrikt te worden door de geruchten van oorlogen, vers 7, 8. De zonde heeft de oorlogen in de wereld gebracht, en zij ontstaan uit der mensen begeerlijkheden. Maar in sommige tijden worden de volken meer gekweld en geteisterd door oorlogen dan in andere tijden, en zo zal het nu wezen. Toen Christus in de wereld kwam, heerste er algemene vrede, maar kort nadat Hij de wereld verlaten had, woedde overal krijg, Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk. En wat zal er dan worden van hen, die aan alle volken het Evangelie moeten prediken? Temidden van het krijgsgedruis wordt de stem der wet niet gehoord. Maar weest niet verschrikt.
1. "Laat het gene verrassing voor u zijn: gij moet dit verwachten, en zulke dingen moeten geschieden, want God heeft ze verordineerd om Zijne raadsbesluiten tot stand te brengen. En door de Joodse oorlogen (waarvan Josephus ons een uitvoerig verhaal heeft gegeven) zal God de goddeloosheid der Joden straffen."
2. "Laat het u niet verschrikken, alsof uwe belangen door deze oorlogen in gevaar kwamen, of uw werk er door belemmerd werd, gij hebt er niet mede van doen, en dus behoeft gij ook niet te vrezen er door geschaad te worden." Zij, die de goedkeuring der wereld verachten, haar niet begeren of zoeken, kunnen ook het dreigen der wereld verachten, en behoeven het niet te vrezen. Indien wij ons niet zoeken te verheffen met hen, die hoog en aanzienlijk worden in de wereld, waarom zouden wij dan vrezen te vallen met hen, die in de wereld zijn?
3. "Laat dit niet beschouwd worden als een voorteken van het naderend einde der wereld, want nog is het einde niet, vers 7. Denkt niet dat deze oorlogen de wereld tot haar einde zullen brengen, neen, er zijn andere tussen komende raadsbesluiten, die tussen dit einde en het einde aller dingen vervuld moeten worden, die bestemd zijn om u voor te bereiden op het einde, maar niet om het voor den tijd te verhaasten." 4. "Laat dit niet beschouwd worden als de grootste straf, het zwaarste oordeel Gods, neen, Hij heeft meer pijlen in Zijn pijlkoker, en zij zijn bestemd voor de vervolgers. Zijt niet ontroerd door de geruchten van oorlogen, want zij zijn slechts de beginselen der smarten, daarom behoort gij, in plaats van er door ontroerd te worden, op erger voorbereid te zijn, want er zullen ook aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen, die grote menigten onder het puin van hun eigen huizen zullen begraven, en er zullen hongersnoden wezen, waardoor vele armen zullen omkomen uit gebrek aan brood, en beroerten, zodat er voor den in- en uitgaande geen vrede zal wezen. De wereld zal vol wezen van beroerten, maar zijt gijlieden niet ontroerd, van buiten is er krijg, van binnen vrees, maar vreest gijlieden hun vrees niet." De discipelen van Christus kunnen, tenzij het door hun eigen schuld anders is, een heilige gerustheid en kalmte van geest genieten, ook wanneer alles om hen heen in de grootste wanorde en beroering is.
III. Zij moeten wel toezien om niet van Christus te worden afgetrokken en van hun plicht jegens Hem, door het lijden, dat zij om Zijnentwil zullen hebben te verduren. Wederom zegt Hij: Ziet voor uzelven toe, vers 9. Hoewel gij aan het zwaard van den krijg beter zult kunnen ontkomen dan uwe naburen, omdat gij u met de openbare twisten en geschillen niet inlaat, zo weest toch niet al te gerust, want gij zult meer dan anderen blootstaan voor het zwaard der gerechtigheid, en de partijen, die onderling in strijd zijn tegen elkaar, zullen zich verenigen tegen ulieden. Ziet dus toe, dat gij u niet vleit met de hoop op uitwendige welvaart en zulk een aards koninkrijk, als waarvan gijlieden gedroomd hebt, want het is door vele verdrukkingen, dat gij in het koninkrijk Gods moet ingaan. Ziet toe dat gij u niet blootstelt aan moeite en gevaar, en ze uzelven dus niet berokkent. Ziet toe op hetgeen gij zegt en doet, want veler ogen zullen op u gevestigd zijn. Merk nu op:
1. Waarin de kwellingen bestaan, die zij hebben te wachten.
a. Zij zullen van allen gehaat worden, kwelling genoeg! Het denkbeeld van gehaat te zijn is voor een teer gemoed zeer smartelijk, en de vruchten van dien haat moeten een voortdurende kwelling wezen, zij, die kwaadaardig zijn, stichten onheil. Het was niet wegens iets verkeerds in hen, of iets verkeerds door hen gedaan, dat zij gehaat werden, maar om den naam van Christus, omdat zij naar Zijn naam waren genoemd, Zijn naam aanriepen, Zijn naam predikten en in Zijn naam wonderen deden. De wereld haatte hen, omdat Hij hen liefhad.
b. Hun eigen bloedverwanten zullen hen overleveren, zij, aan wie zij het nauwst waren verbonden, en van wier bescherming zij dus afhankelijk waren, Zij zullen u overleveren, u aangeven, en uwe vervolgers zijn. Als een vader een kind heeft, en dat kind is een Christen, dan zal hij van alle natuurlijke liefde worden ontbloot, of zijn natuurlijke liefde zal verzwonden worden door dweepzucht, en zo zal hij zijn eigen kind aan de vervolgers overleveren, alsof hij andere goden diende, Deuteronomium 13:6-10.
c. Hun kerkregeerders zullen de censuur op hen toepassen: "Zij zullen u overleveren aan het grote sanhedrin te Jeruzalem en aan de mindere kerkelijke rechtbanken in andere steden en gij zult geslagen worden in de synagogen met veertig slagen als overtreders van de wet, die in de synagoge werd gelezen". Het is niets nieuws, dat door het verraad der ambtsdragers de wapenen der kerk tegen haar beste vrienden gericht worden. d. Stadhouders en koningen zullen hun macht tegen hen aanwenden. Daar de Joden de macht niet hadden hen ter dood te brengen, zullen zij den toorn der Romeinse overheden tegen hen gaande maken, zoals zij Herodes tegen Jakobus en Petrus hebben opgezet, en zij zullen u ter dood doen brengen als vijanden van het rijk. Zij moeten ten bloede toe weerstaan, en blijven weerstaan.
2. Wat hun temidden van deze grote benauwdheden tot troost zal wezen.
a. Dat de arbeid, waartoe zij geroepen waren, zal blijven voortgaan en voorspoed zal hebben, in weerwil van al den tegenstand, dien zij zullen ontmoeten, vers 10. Niettegenstaande dit alles, zal het Evangelie aan alle volken gepredikt worden, en voor de verwoesting van Jeruzalem zal er het geklank van uitgaan over de gehele aarde, niet slechts tot het gehele volk der Joden, maar tot alle volken der aarde. Het is voor hen, die om des Evangelies wil lijden, troostrijk dat, hoewel zij verpletterd en terneder geworpen worden, het Evangelie niet vernietigd kan worden, het zal stand houden en de overwinning behalen.
b. Dat hun lijden, in plaats van hun werk te belemmeren, het zal bevorderen. "Als gij voor stadhouders en koningen gesteld wordt, dan zal dit wezen tot een getuigenis voor hen (aldus wordt vers 9 door sommigen gelezen). Het zal u de gelegenheid geven om het Evangelie te prediken aan hen, voor wie gij als misdadigers gebracht zult worden, en tot wie gij anders geen toegang zoudt kunnen verkrijgen." Zo is het een getuigenis voor hen geweest, dat Paulus voor Felix en Festus, en Agrippa en Nero werd gesteld, een getuigenis voor hen betreffende Christus en Zijn Evangelie. Of, zoals wij den tekst lezen: "Het zal wezen een getuigenis tegen hen, tegen de rechters en de vervolgers, die met de uiterste woede hen vervolgen, die na een grondig onderzoek of verhoor, niet slechts onschuldige, maar zeer voortreffelijke personen blijken te zijn. Het Evangelie is voor ons een getuigenis betreffende Christus en den hemel. Indien wij het ontvangen, dan zal het een getuigenis voor ons zijn, het zal ons rechtvaardig maken en behouden, maar zo niet, dan zal het in dien groten dag een getuigenis tegen ons wezen.
c. Dat zij, als zij voor koningen en stadhouders gesteld zullen worden om Christus wil, bijzondere hulp van den hemel zullen ontvangen, om voor Christus' zaak en hun eigen zaak te pleiten, vers 11. "Zijt tevoren niet bezorgd, wat gij spreken zult, hebt er gene zorg over hoe gij tot aanzienlijke personen het woord zult richten, om hun gunst te verwerven. Uwe zaak is rechtvaardig en heerlijk, en behoeft niet ondersteund te worden door vooraf-weloverdachte redevoeringen, maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, wat u ingegeven en in de herinnering gebracht zal worden, wat u op het eigen ogenblik in den mond zal gelegd worden, dat spreekt. En vreest niet voor den goeden uitslag er van, omdat het aldus voor de vuist is gesproken, want gij zijt het niet, die spreekt door de kracht van uw eigen wijsheid, van uw overleg en besluit, maar het is de Heilige Geest." Zij, die door Christus worden geroepen om Zijne voorspraak te wezen, zullen van volledige instructies worden voorzien, en als wij in den dienst van Christus bezig zijn, dan kunnen wij op de hulp van den Geest van Christus rekenen.
d. Dat, ten laatste, de hemel vergoeding zal bieden voor alles. "Gij zult op uwen weg velerlei moeite en ontbering hebben te verduren, maar zijt goedsmoeds, uw strijd zal dan vervuld wezen, en uw getuigenis voleindigd, en wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden," vers 13. Volharding wint de kroon: De zaligheid, die hier beloofd is, is meer dan ene bevrijding van kwaad, het is een eeuwige zaligheid, die een overvloedige beloning zal wezen voor al hun arbeid en lijden. Dit alles hebben wij in Mattheus 10:17 en verder.