Markus 12:41-44
Dit verhaal hadden wij niet in Mattheus, het komt slechts hier en in Lukas voor. Het is Christus' lof van een arme weduwe, die twee kleine penningen in de schatkist wierp, hetgeen door onzen Heiland, hoe ijverig ook in Zijn werk der prediking, opgemerkt werd.
I. Er was een openbaar fonds voor liefdadigheid, waarin bijdragen gestort en waaruit bedelingen gedaan werden, een armenbus in den tempel, want werken van liefdadigheid en van Godsvrucht gaan zeer gevoeglijk samen. Waar God geëerd wordt door onze aanbidding, daar betaamt het dat Hij geëerd wordt door hulp aan de armen, en dikwijls vinden wij ook gebeden en aalmoezen saamgevoegd, zoals in Handelingen 10:2, 4. Het is goed om publieke kassen op te richten, waarin liefdegaven voor de armen gestort worden, en het is goed, dat zij die vermogen hebben, iets bij zich zelven wegleggen, naar dat zij welvaren verkregen hebben, 1 Corinthiërs 16:2, opdat zij iets gereed hebben om te geven, als een voorwerp van barmhartigheid zich hun voordoet, iets dat tevoren voor zulk een gebruik werd afgezonderd.
II. Jezus Christus had hier het oog op. Hij was gezeten tegenover de schatkist, en zag hoe de schare geld wierp in de schatkist, niet verdrietig wijl Hij zelf niets had om er in te werpen, en evenmin omdat Hij de beschikking niet had over hetgeen er ingeworpen werd, maar opmerkende wat er in geworpen werd. Onze Heere Jezus neemt nota van hetgeen wij bijdragen voor nuttige of liefdadige doeleinden, of wij het mildelijk of kariglijk geven, of wij het blijmoedig of tegen wil en dank geven, ja Hij ziet op het hart, Hij let op het beginsel. waaruit wij handelen, en wat ons doel is bij het geven, of wij het doen als den Heere, of slechts om door de mensen gezien te worden.
III. Hij zag dat vele rijken veel daarin wierpen, en het was een heerlijk gezicht om rijke lieden weldadig te zien, en te zien dat vele rijken dit waren, en hen niet slechts iets, maar veel in de schatkist te zien werpen. Zij, die rijk zijn, behoren rijkelijk te geven, indien God ons overvloedig geeft, dan verwacht Hij dat wij overvloedig zullen geven aan de armen. En rijke lieden volstaan niet met te zeggen dat zij evenveel geven als anderen, die wellicht minder in de wereld hebben dan zij, zij moeten geven naar evenredigheid van hun vermogen, en zo er zich gene voorwerpen van barmhartigheid aan hen voordoen, die zoveel nodig hebben, dan moeten zij onderzoek naar hen doen, en milddadigheden beraadslagen.
IV. Er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort, vers 42, en onze Heere Jezus heeft haar hogelijk geprezen. Hij riep Zijne discipelen tot zich, en zei hun hier op te letten, vers 43. Hij zei hun, dat zij wat zij gaf moeilijk kon missen, zij had nauwelijks genoeg voor zichzelve, het was haar ganse leeftocht voor dien dag, en wellicht was het een groot deel van hetgeen zij den vorigen dag door haar arbeid verdiend had, en -,in zover zij dit uit ware liefdadigheid gegeven had-achtte Hij het meer te zijn dan al wat de rijke lieden tezamen in de schatkist hadden geworpen, want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen, maar zij van haar gebrek, vers 44. Nu zouden velen al gereed zijn geweest om deze arme weduwe te laken, en te denken dat zij verkeerd deed: waarom moet zij aan anderen geven, als zij zelf zo weinig heeft? Men is zich zelven het naast, of, zo zij het al wilde geven, waarom dan niet liever aan een arme, dien zij kende? Waartoe was het nodig, dat zij het naar de schatkist bracht, om er door de overpriesters over te laten beschikken, die, naar wij reden hebben te vrezen, zeer partijdig er mede te werk gingen? Het is zo iets zeldzaams iemand te vinden, die deze arme weduwe niet zou laken, dat wij niet kunnen verwachten iemand te vinden, die haar zou willen navolgen, en toch heeft onze Heiland haar geprezen, en daarom houden wij er ons van verzekerd, dat zij wijs en wèl gedaan heeft. Als Christus zegt wèl gedaan, dan doet het er niet toe wie anders zegt, en hieruit moeten wij leren:
1. Dat het geven van aalmoezen een kostelijke zaak is, zeer welbehaaglijk aan den Heere Jezus, en als wij er ootmoedig en oprecht in zijn, dan zal Hij het genadiglijk aannemen, al zou het, ten opzichte van sommige omstandigheden, niet het wijste of voorzichtigste in de wereld zijn.
2. Zij, die weinig hebben, behoren aalmoezen te geven uit het weinige, dat zij hebben. Zij, die leven van hun arbeid, als het ware van de hand in den tand, moeten mededelen degenen, die nood heeft, Efeze 4:28.
3. Het is zeer goed van ons, ons zelven te bekrimpen en te verloochenen, ten einde des te meer aan de armen te kunnen geven, ons zelven niet slechts het overtollige te ontzeggen, maar ook hetgeen ons gerieflijk is, om barmhartigheid te kunnen beoefenen. In vele gevallen moeten wij ons bekrimpen en behelpen, ten einde anderen van het nodige te voorzien, dat is onze naasten lief te hebben als ons zelven.
4. Openbare instellingen van liefdadigheid behoren aangemoedigd te worden, want zij brengen openbare zegeningen over een volk, en hoewel zij soms wel slecht beheerd kunnen worden, is dit toch geen geldige reden, waarom wij er ons aandeel niet aan zouden geven.
5. Hoewel wij slechts weinig voor een liefdadig doel kunnen afstaan, zo dit weinige naar ons vermogen is, en zo wij het geven met een oprecht hart, zal het door Christus worden aangenomen, die eist naar hetgeen iemand heeft, en niet naar hetgeen hij niet heeft, twee penningskens zullen, als zij op de rechte manier gegeven worden, aangeschreven staan alsof het een grote, rijke gift ware.
6. Het is zeer tot lof van de liefdadigheid, als wij niet slechts naar ons vermogen, maar boven ons vermogen geven, zoals de gemeenten van Macedonië, wier zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid, 2 Corinthiërs 8:3. Als wij uit onzen eigen nodigen voorraad blijmoedig in den nood van anderen kunnen voorzien, zoals de weduwe te Sarepta voor Elia, en Christus voor Zijne vijfduizend gasten, en op God vertrouwen om op andere wijze te voorzien voor ons, dan is dit genade.