Markus 10:46-52
Dit verhaal komt overeen met het verhaal in Mattheus 20:29 en verder, alleen met dit verschil, dat ons daar verhaald wordt van twee blinden, terwijl hier, en in Lukas 18:35 slechts van een blinde wordt gesproken, maar indien er twee waren, dan was er ook een. Deze ene wordt hier genoemd, daar hij een blinde bedelaar was, van wie veel gesproken werd. Hij heette Bartimeus, dat is: de zoon van Timeus, hetgeen, naar sommigen denken, betekent: de zoon van een blinde. Hij was de blinde zoon van een blinden vader, dat zijn toestand nog verergerde en de genezing nog wondervoller maakte, en nog te meer geschikt om het type te zijn van de geestelijke genezingen, die door Christus' genade worden gewrocht op hen, die niet slechts blind geboren zijn, maar ook uit blinden zijn geboren.
I. Deze blinde zat aan den weg, bedelende, zoals blinden in ons land ook doen. Zij, die door de beschikking Gods onbekwaam zijn om voor hun levensonderhoud te arbeiden, en geen andere middelen van bestaan hebben, zijn de geschiktste voorwerpen van barmhartigheid, en er behoort bijzondere zorg voor hen gedragen te worden.
II. Hij riep tot den Heere Jezus om ontferming: Heere, Gij Zone David's, ontferm U mijner. Ramp en ellende zijn het voorwerp van ontferming. Zijn ellendige toestand beveelt hij aan de barmhartigheid van den Zone David's, van wie voorzegd was dat Hij, als Hij zou komen om ons te verlossen, der blinden ogen zou openen, Jesaja 35:5. Als wij tot Christus komen om hulp en genezing, dan moeten wij het oog op Hem hebben als den beloofden Messias, den Borg van het verbond der genade.
III. Christus moedigde hem aan om te hopen, dat hij barmhartigheid zal verkrijgen, want Hij stond stil en zei, dat men hem roepen zou. Wij moeten het nooit ene verhindering achten op onzen weg om eens stil te staan, als het is om een goed werk te doen. Die hem omringden en hem in het eerst ontmoedigd hadden, waren thans wellicht de personen, die hem te kennen gaven, dat Christus hem riep, Heb goeden moed, sta op, Hij roept u, en als Hij u roept, zal Hij u genezen, De genaderijke nodigingen van Christus om tot Hem te komen zijn een grote bemoediging voor onze hoop op welslagen als wij tot Hem komen, en dat wij ontvangen zullen hetgeen waarvoor wij komen. Laat de schuldigen, de ontledigden, de verzochten, de hongerigen, de naakten, goeden moed hebben, want Hij roept hen om hun vergeving te schenken, in hun nood te voorzien, hen te ondersteunen, te spijzigen en te kleden, ja om alles voor hen te doen wat zij in hun toestand nodig hebben.
IV. Hierop baande de arme man zich zo goed hij kon een weg tot Christus, hij wierp zijn mantel af en kwam tot Jezus, vers 50. Hij wierp alles weg, dat hem neer zou kunnen werpen, of hem op enigerlei wijze kon verhinderen om tot Christus te komen, of hem kon belemmeren in zijne bewegingen. Zij, die tot Jezus willen komen, moeten den mantel van hun zelfgenoegzaamheid wegwerpen, moeten zich van allen waan hieromtrent ontdoen, evenals van allen last en de zonde, die, als lange gewaden, hen lichtelijk omringt, Hebreeën 12:1.
V. De bijzondere gunst, waarom hij verzocht, was dat zijne ogen geopend mochten worden, opdat hij instaat zou zijn zijn brood te verdienen, en hij niet langer anderen tot last zou zijn. Het is een zeer begerenswaardige zaak om voor ons onderhoud te kunnen werken, en als God den mensen hun ledematen en hun verstand heeft gegeven, is het een schande voor hen om zich door hun dwaasheid en traagheid feitelijk blind en lam te maken.
VI. De gunst werd hem toegestaan, zijne ogen werden geopend, vers 52, en Markus voegt er twee dingen bij, die aanduiden:
1. Hoe Christus dit tot een dubbele gunst voor hem maakte door de eer er van toe te kennen aan zijn geloof: Uw geloof heeft u behouden, geloof in Christus als den Zone David's en in Zijne ontferming en macht, niet uw aandringen, maar uw geloof, dat Christus aan het werk heeft gesteld, of liever, Christus, die uw geloof in werking heeft gebracht. Die gaven zijn het lieflijkst, welke wij verkrijgen door ons geloof.
2. Hoe hij het tot een dubbele gunst maakt voor zich zelven, Terstond werd hij ziende en volgde Jezus op den weg. Hiermede heeft hij doen blijken dat hij volkomen genezen was, dat hij niemand meer nodig had om hem te leiden, maar zelf zonder hulp van anderen gaan kon, en hiermede toonde hij zijn dankbaar gevoel voor Christus' goedheid jegens hem, dat hij toen hij zien kon, dit gebruik maakte van zijn gezichtsvermogen. Het is niet genoeg om tot Christus te komen om geestelijke genezing te verkrijgen, maar, als wij genezen zijn, dan moeten wij Hem blijven volgen, ten einde Hem te eren en onderricht van Hem te ontvangen. Zij, die een geestelijk gezichtsvermogen hebben, zien in Christus die schoonheid, die hen krachtiglijk zal aantrekken om Hem na te lopen.