Markus 10:13-16
Het wordt beschouwd als een kenteken van een vriendelijk, teerhartig gemoedsbestaan, als men achtslaat op kinderen, en dit was zeer bijzonder aldus met den Heere Jezus, hetgeen ene bemoediging is om zich tot den Heere te wenden, niet slechts voor kleine kinderen als zij nog zeer jong zijn, maar ook voor volwassenen, die zich bewust zijn van zwakheid en kinderachtigheid, en zich vanwege die velerlei zwakheid even hulpeloos en nutteloos vinden als kinderen. Wij hebben hier:
1. Kinderkens, die tot Christus gebracht werden, vers 13. Hun ouders, of wie anders hen verzorgden, brachten hen tot Hem, opdat Hij hen zou aanraken, ten teken, dat Hij een zegen over hen gebood en hun dien zegen gaf. Het blijkt niet dat zij genezing voor het lichaam nodig hadden, en zij waren ook niet instaat om onderwijs te ontvangen. Maar het schijnt:
1. Dat zij, die hen verzorgden, zich in de eerste plaats aan hun ziel lieten gelegen liggen. Het heil der zielen hunner kinderen behoort ook bij alle ouders boven alles te gaan, want dat is hun voornaamste deel, en het is wèl met hen als hun ziel welvaart.
2. Zij geloofden dat de zegen van Christus hun ziel goed zou doen, daarom brachten zij hen tot Hem, opdat Hij hen zou aanraken, wetende dat Hij hun hart zou kunnen bereiken, als niets wat hun ouders tot hen zeggen of voor hen doen konden, daartoe instaat zou zijn. Wij kunnen onze kinderen tot Christus brengen, nu Hij in den hemel is, want vandaar kan Hij hen bereiken met Zijn zegen, en hierin moeten wij geloof oefenen in de volheid en uitgestrektheid Zijner genade, de vriendelijke wenken, die Hij altijd heeft gegeven ten opzichte van Zijne gunst jegens het zaad der gelovigen, de strekking van Zijn verbond met Abraham, en de belofte aan ons en onze kinderen, inzonderheid de grote belofte van Zijn Geest uit te storten over ons zaad, en Zijn zegen op onze nakomelingen. Jesaja 44:3.
II. Hoe de discipelen de mensen ontmoedigden, toen zij hun kinderen tot Christus hebben gebracht. Zij bestraften diegenen, die hen tot Hem brachten, alsof zij er zeker van waren, dat zij huns Meesters gezindheid en mening hieromtrent kenden, terwijl Hij hun nog kort tevoren gezegd had de kleinen niet te verachten.
III. Hoe Christus daarentegen hen bemoedigde.
1. Hij nam het zeer kwalijk, dat Zijne discipelen hen wilden weren. Jezus dat ziende, nam het zeer kwalijk, vers 14. "Wat bedoelt gij? Wilt gij Mij verhinderen goed te doen, goed te doen aan het opkomend geslacht, aan de lammeren der kudde?" Christus is zeer misnoegd op Zijne discipelen, als zij mensen den moed benemen om zelven tot Christus te komen, of hun kinderen tot Hem te brengen.
2. Hij gebood dat zij tot Hem gebracht zouden worden, en dat er niets gezegd of gedaan moest worden om hen te verhinderen. Laat de kinderkens, zodra zij er toe instaat zijn, tot Mij komen om hun smekingen tot Mij op te zenden en van Mij onderricht te ontvangen. Kinderkens zijn vroeg welkom, als zij met hun Hosanna's tot den troon der genade komen. 3. Hij erkende hen als leden Zijner kerk, zoals zij leden der Joodse kerk geweest zijn. Hij is gekomen om het koninkrijk Gods op te richten onder de mensen, en Hij gebruikte deze gelegenheid om te verklaren, dat in dit koninkrijk ook kinderkens als onderdanen worden toegelaten, en Hij gaf hun het recht op de voorrechten van onderdanen. Ja, het koninkrijk Gods moet door dezulken in stand worden gehouden, zij moeten er in opgenomen worden als zij kinderkens zijn, opdat zij dan later den naam van Christus hoog zullen houden.
4. Dat er in allen, die Christus wil erkennen en zegenen, iets van den aard en de gemoedsgesteldheid van kinderkens moet wezen. Wij moeten als kinderkens het koninkrijk Gods ontvangen, vers 15, dat is: wij moeten jegens Christus en Zijne genade geneigd zijn zoals kinderen jegens hun ouders, verzorgsters en onderwijzers. Wij moeten, evenals kinderen, weetgierig zijn, wij moeten als kinderen leren, en lerende moeten wij geloven. Oportet discentem credere -Een lerende moet geloven. Het hart van kinderen is als wit papier, gij kunt er op schrijven wat ge wilt, en zo moet ons hart wezen voor de pen van den gezegenden Geest. Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? Wij moeten het koninkrijk Gods ontvangen zoals het kind Samuël het ontvangen heeft: Spreek, Heere, want Uw knecht hoort. Kinderkens zijn afhankelijk van de wijsheid en de zorg hunner ouders, zij worden in hun armen gedragen, zij gaan, waar zij heen worden gezonden, en nemen aan wat hun gegeven of toebeschikt wordt, aldus moeten wij het koninkrijk Gods aannemen, in ootmoedige overgave van ons zelven aan Jezus Christus, en in geruste afhankelijkheid van Hem voor kracht en gerechtigheid, voor onderricht en verzorging.
5. Hij ontving de kinderen, en gaf hun wat voor hen begeerd werd, vers 16, Hij omving hen met Zijne armen, ten teken van Zijn liefdevolle belangstelling in hen, Hij legde de handen op hen, zoals van Hem verlangd werd, en zegende hen. Zie, hoe Hij de begeerten der ouders nog overtrof, zij vroegen dat Hij hen zou aanraken, maar Hij deed meer.
a. Hij nam hen in Zijne armen. Nu was de Schrift vervuld, Jesaja 40:11, Hij zal de lammerkens in zijne armen vergaderen en in zijn schoot dragen. Er was een tijd toen Christus zelf opgenomen werd in de armen van den ouden Simeon, Lukas 2:28. En nu nam Hij deze kinderen in Zijne armen, niet klagende over den last, zoals Mozes toen hem geboden werd Israël te dragen in zijn schoot, gelijk een voedstervader den zuigeling draagt, Numeri 11:12, maar er behagen in vindende. Indien wij evenzo onze kinderen tot Christus brengen, dan zal Hij hen opnemen, niet slechts in Zijne armen der macht en der voorzienigheid, maar ook in de armen van Zijne ontferming en genade, Ezechiël 16:8, en onder hen zijn de eeuwige armen..
b. Hij legde Zijne handen op hen, de mededeling aanduidende van Zijn Geest (want dat is de hand des Heeren) en Zijne afzondering van hen tot Zijn dienst.
c. Hij zegende hen met de geestelijke zegeningen, om welke te geven Hij op aarde is gekomen. Als onze kinderen den zegen des Middelaars tot hun deel hebben, dan zijn zij gelukkig. Het is waar, wij lezen niet dat Hij deze kinderen gedoopt heeft, de doop was niet ten volle ingesteld als de deur van toelating in de kerk, dan na Christus' opstanding, maar Hij verklaarde hiermede hun lidmaatschap der zichtbare kerk, en schonk hun door een ander teken die zegeningen, welke thans door den doop worden meegedeeld en geschonken, het zegel der belofte aan ons en onze kinderen.