Maleachi 2:10-17
Kwade praktijken zijn de natuurlijke vrucht en uitkomst van verkeerde beginsels, en de verdorvenheid van `s mensen hart is te wijten aan een atheïstisch denken, dat hij heeft aangewend en waardoor hij zich laat beheersen. Nu hebben wij daarvan in deze verzen een voorbeeld, wij vinden hier mensen, die vals met elkander handelen, en dat komt daarvandaan, dat zij onrecht van God denken.
Merk hier op,
I. Hoe bedorven hun handelingen waren. In het algemeen handelden zij trouweloos de een tegen de ander, vers 10. Men kan niet verwachten, dat hij, die zijn God ontrouw is, trouw jegens zijn vriend zal zijn. Zij hadden trouweloos jegens God gehandeld in Zijn tienden en offeranden, Hem bedrogen, Zijn touwen en koorden van zich geworpen zo was een deur geopend voor allerlei onrecht en oneerlijkheid, en de banden van bloedverwantschap en natuurlijke genegenheid waren eveneens verscheurd en leverden geen hinderpaal meer op. Sommigen menen, dat de trouweloze handelingen, die hier bestraft worden, dezelfde zijn als de voorbeelden van verdrukking en afpersing, waarover Nehemia klaagt, Nehemia 5:3-7. Daarin vergeten zij de God hunner vaderen, en het verbond hunner vaderen, en maakten hun offers onaannemelijk, Jesaja 1:11. Maar het schijnt eer te zinspelen op ongeregeldheid in hun huwelijken, waarover Nehemia evenzo klaagt, Nehemia 13:23. Van tweeërlei worden zij hier beschuldigd, als de Here tot grote toorn verwekkende dat ze vreemde vrouwen van heidense volken hadden genomen en de vrouwen van hun eigen volk weggezonden, in beide hadden ze trouweloos gehandeld en een heilig verbond verbroken, het eerste was verachting van hun plaats als uitverkoren volk, het andere verbreking van de huwelijksband.
1. Het was een minachten van Gods verbond waardoor zij van alle andere volken waren afgezonderd, dat zij vreemde vrouwen namen, dat was uitdrukkelijk verboden en met straf bedreigd in de wet, Deuteronomium 7:3.
Merk hier op,
A. Welke goede redenen zij hadden om God en elkander trouw te zijn en geen huwelijken met heidenen te sluiten.
a. Zulke huwelijken waren door de wet uitdrukkelijk verboden. God had Zich verbonden, hun goed te doen op deze voorwaarde, zodat ze zich niet met de heidenen zouden vermengen, dat was het verbond hunner vaderen, waardoor de oudheid en eerbiedwaardigheid betekend werden, het was een hoofdartikel van de wet, dat de natie moest in stand houden. Zij lagen onder elke mogelijke verplichting, deze wet stipt te onderhouden, en toch overtraden zij als gold ze hen niet. Zij verbraken het verbond hunner vaderen, die ongehoorzaam zijn aan het gebod van de God hunner vaderen.
b. Zij waren een uitverkoren volk en moesten daarom samenwerken om de eer dier uitverkiezing te handhaven. Hebben wij niet allen enen Vader? Ja, dat hebben wij, want heeft niet een God ons geschapen? Zijn wij niet allen zijn geslacht? En zijn wij niet van enen bloede? Ja, zeker zijn wij dat! God is de gemeenschappelijke Vader van het ganse menselijke geslacht, en daarom zijn wij allen broeders, elkanders leden, en moeten daarom afleggen de leugen, Efeziers 4:25, en niet trouwelooshandelen, niemand tegen zijn naaste. Maar hier schijnt dit woord op de Joodse natie te slaan: Hebben wij niet allen enen vader, Abraham of Jacob? Hierop gingen de Joden prat: Wij hebben Abraham tot enen vader. Maar dat keert zich hier tegen hen en vermeerdert hun zonde dat zij de eer van hun volk hebben verguisd door zich met de heidenen te vermengen. "Heeft niet een God ons geschapen? dat is: tot een volk gevormd, een natie van ons gemaakt en ons een bestaan geschonken, afgescheiden van dat van andere volken? En moest dat ons niet nopen, de waardigheid van onze natie op te houden?" Zie, de overweging van de eenheid van Christus' kerk in Hem, haar Stichter en Koning, moet ons er toe brengen, haar zuiverheid te bewaren en haar tegen alle bederf te beschermen.
c. Zij waren Gode geheiligd, zowel als van de andere volken onderscheiden. "Israël was de Here een heiligheid," Jeremia 2:3, in een verbond met Hem opgenomen, voor Hem afgezonderd, om Hem tot een naam en lof te zijn. Daarom had Hij hen lief en nam een welgevallen aan hen, het heiligdom in hun midden was de heiligheid des Heren, die Hij liefhad, waarvan Hij gezegd had: Dit is "Mijne rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd," Psalm 132:14. Maar door vreemde vrouwen te trouwen verontreinigden zij deze heiligheid en legden hun eer in het stof. Zie, zij, die de Here gewijd zijn en door Hem bemind worden, hebben deze stand op te houden, opdat ze daaruit niet vervallen, hun eer verbeuren en hun heil verzaken.
B. Hoe trouwelooszij evenwel hadden gehandeld. Zij verontreinigden zich juist datgene, wat de eer hunner afzondering had moeten beveiligen. Juda heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd Het kwaad was niet zozeer, dat ze de dochter van een vreemd volk was (God heeft alle volken van de mensen gemaakt, en is zelf de koning van de natiën), maar de dochter van een vreemde god, opgevoed in de dienst en de aanbidding van valse goden, hun dienaren gelijk zij de dienares haars vaders was, en van hen afhankelijk. Daarom zeggen sommige rabbijnen (door Dr. Pocock aangehaald): Hij, die een heidense vrouw trouwt, is als die zich schoonzoon van een afgod maakt. Het verderf van de oude wereld begon, toen de "zonen Gods de dochteren van de mensen" zich tot vrouwen namen, Genesis 6:2. Over diezelfde zaak wordt hier geklaagd, maar in scherper bewoordingen: De zonen Gods hebben de dochteren van een vreemde god getrouwd. Hierin wordt Juda gezegd, trouweloos gehandeld te hebben, want het heeft zich verlaagd en zijn eigen eer geschandvlekt en de heiligheid des Heren ontheiligd, die het moest liefhebben (gelijk sommigen lezen), het is een dwaasheid begaan in Israël en Jeruzalem, hatelijk in Gods oog en ongepast voor degenen, die naar Zijn naam genoemd zijn. Zie, het is iets afschuwelijks voor dezulken, die de heiligheid des Heren belijden, zo ze die ontheiligen door een ander juk aan te nemen met de ongelovigen.
C. Hoe streng God hen daarvoor straffen zal, vers 12. De Here zal de man, die zulks doet, uitroeien, de man, die de dochter van een vreemde god getrouwd heeft. Hij heeft inderdaad zichzelf van het heilige volk afgesneden en zich verbonden met vreemdelingen van het burgerschap Israëls, en dat zal zijn vonnis zijn: God zal hem uitroeien uit de hutten van Jacob, hem en al wat hem toebehoort, gelijk het oorspronkelijk luidt. De Here zal hem afsnijden van Israël en Jeruzalem, en hij zal niet onder de levenden gerekend worden. De Here zal dien, die waakt, en dien, die antwoordt, uitroeien, die beide schuldig staan, hij die onderricht, en hij, die onderricht wordt. De blinde leidslieden en de blinde volgelingen zullen samen in de gracht vallen, want de meester heeft de leerling verleid, en de leerling heeft zich laten verleiden. Zij zullen samen uit de hutten van Jacob uitgeroeid worden. God erkent ze niet meer als tot Zijn volk behorende, ja, en de priester, die een vreemde vrouw trouwt, (en hun aantal was niet zo gering, Ezra 10:18) zal niet ontkomen, het offer, dat hij op het altaar brengt zal hem niet redden, maar hij zal uit de tempel zijns Gods worden uitgeroeid, gelijk anderen uit de hutten van Jacob. Nehemia jaagde ze van zich weg, en ontzette ze uit hun priesterschap, zelfs een van de zonen des hogepriesters, die hij aan die zonde schuldig bevond, Nehemia 13:28.
2. Dit huwelijksverbond verachtende, dat God ten bate van al `t menselijk geslacht had ingesteld, mishandelden en verjoegen ze de vrouwen van hun eigen volk, waarschijnlijk om plaats te maken voor die vreemde vrouwen, die het toen de mode was te nemen, vers 13. Dit tweede doet gijlieden ook, het tweede artikel van de acte van beschuldiging. Want de weg van de zonde gaat benedenwaarts, en de eene verbreking van het verbond leidt tot de andere.
A. Laat ons zien, waarover hier geklaagd wordt. Zij behandelden hun vrouwen niet gelijk het behoorde.
a. Zij waren onheus, gemelijk en liefdeloos jegens haar en verbitterden haar leven. Wanneer zij met hun vrouwen en kinderen tot de plechtige feesten kwamen om God te vereren, wat zij met blijdschap moesten doen, dan waren zij uit hun humeur, hun arme vrouwen brak het hart, en, het niemand durvende zeggen, klaagden zij haar nood aan God en bedekten het altaar des Heren met tranen, met wenen en met zuchting. Een voorbeeld hiervan is Hanna, die, omdat haar man nog een vrouw had (ofschoon haar man goed voor Hanna was), die haar steeds tergde, wanneer zij ten huize des Heren optogen om te aanbidden, weende en niet at en bitter bedroefd was, 1 Samuël 1:6, 7, 10. Zo was het ook met de vrouwen hier, en dit was zo zeer in strijd met de blijdschap, die God in Zijn aanbidders begeert, dat het de aanneming hunner offers in de weg stond: God zag hun offers niet meer aan. Zie hier, welk een goede meester wij dienen, die niet wil, dat Zijn altaar met tranen bedekt wordt, maar dat men het met vreugdezangen omringt. Dit veroordeelt degenen, die Zijn dienst voor die van afgoden verlieten, in welker verering wij vrouwen vinden, "bewenende de Thammuz," Ezechiël 8:14, en priesters `bloed over zich uitstortende," 1 Koningen 18:28. Zie ook, hoe goddeloos het is, anderen uit hun humeur te brengen, als die God zullen aanbidden, ofschoon het hun schuld is, dat ze zichzelf voor die aanbidding ongeschikt maken, is het nog meer de schuld dergenen, die hun daartoe aanleiding gaven. Het is een reden, waarom gelovigen in heilige liefde en vreugde leven moeten, "opdat hun gebeden niet verhinderd worden," 1 Petrus 3:7.
b. Zij handelden trouweloos met haar, vers 14-16. Zij hielden hun beloften jegens haar niet, maar onthielden haar haar onderhoud en namen zich bijwijven, die de liefde genoten, welke zij alleen hun vrouwen schuldig waren.
c. Zij zonden ze weg, gaven haar een scheidbrief en lieten ze gaan, misschien bleef zelfs die door Mozes geboden ceremonie achterwege, vers 16.
d. In dat alles bedekten zij de wrevel met Zijn kleed, zij mishandelden hun vrouwen en deden haar onrecht aan, doch namen de schijn aan, alsof zij ze o zo liefhadden en niemand hoger schatten. Het wordt vaak gezien, dat iemand, die geweld pleegt, dat met een mantel van godsvrucht zoekt te bedekken.
B. Laat ons zien, waardoor de beschuldiging bewezen en zelfs verergerd wordt.
a. Het getuigenis Gods is een voldoend bewijs. "De Here is een getuige geweest tussen u en de huisvrouw uwer jeugd, vers 14, is getuige geweest van de huwelijksband tussen u en haar, want gij zelf hebt Hem tot getuige geroepen, toen die band werd gelegd, aangaande uw oprechtheid en trouw. Hij is getuige geweest, hoe menigmaal gij die band gebroken hebt, en van al uw trouweloze handelingen, waardoor gij haar hebt beledigd. Hij zal tussen u en haar oordelen." Zie, dit moet ons aansporen getrouw te zijn jegens God en al degenen, met wie wij te doen hebben, dat God zelf getuige is van al onze verbintenissen en van al ons breken dier verbintenissen, en Hij is een getuige, tegen Wie geen uitvlucht baat.
b. De schuld wordt zeer verzwaard door de overweging, wie het is, die zo verongelijkt en mishandeld werd.
Ten eerste. "Zij is uw huisvrouw, uw eigen, vlees van uw vlees en been van uw been, de naaste, die gij in de wereld hebt en wie gij moet aanhangen totdat de dood u scheidt."
Ten tweede "Zij is de huisvrouw uwer jeugd, die uw liefde had, toen die het sterkst was, uw eerste keuze, met wie gij zo lang hebt geleefd. Laat de lieveling uwer jeugd niet de spot en afschuw van uw rijpe leeftijd wezen!"
Ten derde. "Zij is uw gezellin, zij heeft jaren lang uw zorg en verdriet, en vreugde gedeeld." De huisvrouw mag niet als een dienstmaagd, maar moet als de gezellin haars mans beschouwd worden, met wie gij openhartig omgaat en in zoetigheid raadpleegt, als met een vriendin, in wier gezelschap gij u verlustigt meer dan in dat van een ander want zij is toch uw gezellin?
Ten vierde. "Zij is de huisvrouw uws verbonds, met wie gij door de huwelijksband zijt verbonden, zolang zij getrouw blijft, zodat gij van haar niet kunt losgemaakt worden, want het is een verbond voor het leven. Het is de vrouw, met wie gij u verbonden hebt, en die zich met u verbonden heeft. Er is een eed Gods tussen u beiden, waarmede niet mag gespeeld, maar die nauwgezet moet gehouden worden." Gehuwde lieden moeten zich dikwijls hun huwelijksbelofte herinneren en die in volle ernst vernieuwen, als dezulken, die van harte houden wat ze eens beloofd hebben.
C. Laat ons op de redenen letten, waarom man en vrouw samen moeten blijven tot aan huns levens einde, in heilige liefde en vrede en nimmer twisten noch van elkander scheiden.
a. Omdat God ze samengevoegd heeft, vers 15. Heeft Hij niet maar enen gemaakt, een Eva voor een Adam, opdat Adam geen andere vrouw nam om haar te benauwen, Leviticus 18:18, noch haar wegzond om een andere te nemen? Het is grote zonde, te klagen over de huwelijkswet als een keten, nu Adam in de staat van de rechtheid, in Eden, in de lusthof, slechts een huisvrouw had. Toch had God des geestes overig, Hij kon nog een Eva gemaakt hebben even voortreffelijk als de eerste, maar als een hulpe tegenover Adam, maakt Hij hem slechts een vrouw, zo Hij er meerdere had geschapen, zouden zij geen goede hulpe geweest zijn. En waarom schiep Hij maar een vrouw voor die enen man? Hij zocht een zaad Gods, een zaad dat het beeld Gods zou dragen, in de dienst van God gebruikt worden en aan Zijn eer en heerlijkheid gewijd, opdat iedere man zijn eigen vrouw en slechts een zou hebben, overeenkomstig de wet, 1 Corinthiers 7:2, opdat zij in reine en heilige liefde samen leven zouden, om de voorschriften en beperking van de goddelijke wet en niet, als de redeloze dieren, onder de heerschappij hunner lusten, om zo de menselijke natuur te doen voortleven op zulk een wijze als het meest geschikt was om van de goddelijke natuur te gelijken, opdat de kinderen, uit zulk een heilig huwelijk geboren, dat een verordening Gods is, en waardoor de natuurlijke driften binnen de grenzen van Gods wet gehouden worden, een zaad mochten zijn om Hem te dienen, en opgevoed worden, gelijk zij geboren zijn, onder Zijn bestel en heerschappij. Zie, de opvoeding van een goddelijk zaad, dat de Here aangeschreven zal worden tot in geslachten, is een groot doel van de instelling des huwelijks. Maar dat is dan ook een reden, waarom het huwelijksbed onbevlekt en de huwelijksband onschendbaar moet blijven. Mannen en vrouwen moeten derhalve in de vreze Gods leven, opdat hun zaad een zaad Gods moge zijn. Anders waren zij onrein, maar nu zijn zij heilig, als kinderen des verbonds, des huwelijksverbond, dat een type was van het genadeverbond. En de huwelijksvereniging, dus zuiver gehouden, was een type van de mystieke unie tussen Christus en Zijn kerk, waarin Hij Zich een goddelijk zaad zoekt en bewaart, Efeziers 5:25, 32.
b. Omdat Hij groot mishagen heeft in degenen, die scheiden wat Hij samengevoegd heeft, vers 16. Want de Here, de God Israëls, zegt, dat Hij het verlatene haat. Hij had de Joden inderdaad vanwege de hardigheid hunner harten, toegelaten, hun vrouwen te verlaten, of liever, het geduld en verdragen, Mattheus 19:8, maar hij haatte het vooral als men zijn vrouw wegzond om allerlei oorzaak, Mattheus 19:3. Laat vrouwen, die van haar mannen weglopen en hen verlaten, en laat mannen, die haar vrouwen mishandelen en verstoten, om andere te kunnen nemen, ja laat mannen en vrouwen, die met beiderzijds goedvinden maar zonder wettige redenen gescheiden leven, omdat zij de huwelijksband niet heilig achten, laat die allen weten, dat de God Israëls zulke praktijken haat, al steken lichtzinnige mensen er de gek mede.
D. Welke waarschuwing wordt uit dit alles afgeleid? Wij vinden ze tweemaal, vers 15. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouweloos handele tegen de huisvrouw van zijn jeugd, vers 16 herhaalt dit. Zie, degenen die de zonde willen vlieden, moeten zich wachten met hun geest, want daar begint alle zonde. Zij moeten hun hart met alle naarstigheid bewaren, hun oog geopend en hun hand in toom houden, en op de eerste neigingen tot zonde letten. Wij moeten handelen als geestelijken, en daarom, om onze daden te besturen, bedenken van hoedanige geest wij zijn, Lukas 9:55. Wij moeten ons wachten met onze geest ten opzichte van onze bijzondere betrekkingen en acht geven, of wij tot hen in de juiste verhouding leven en een goed humeur hebben, want anders lopen wij gevaar, trouweloos met hen te handelen. Indien ons hart arglistig is, hoe licht handelen wij dan arglistig jegens anderen!
II. Merk op, hoe bedorven hun beginsels waren, waaraan al deze bedorven daden moesten geweten worden. Laat ons de stroom nagaan tot de oorsprong, vers 17:Gij vermoeit de Here met uw woorden. Zij meenden, de overtuigende bewijzen van het woord te ontgaan door met Gods doen en laten te twisten. Maar hun verdediging was hun beschuldiging, en hun goedpraten maakte hun zonde slechts te erger. Zij hoonden de Here met hun woorden, zij herhaalden die zo dikwijls en stijfden zich zo zeer in hun tegenspreken, dat zij "Hem vermoeiden," Jesaja 7:13. Zij maakten Hem moede, van hun goed te doen, gelijk Hij gedaan had en droogden de rivier van Zijn gunsten uit. Of, zij stelden Hem voor als ware Hij de wereld regering moede en gewillig, die zorg van Zich te werpen. Zie, het is een vermoeiend ding, zelfs voor God zelf, een volk te horen volhouden, dat het in zijn bedorven en goddeloze praktijken toch goed heeft gedaan, en op hun atheïstische beginsels pleiten om dat te verdedigen. Maar, al had God hen door Zijn profeet verongelijkt, vragen zij nog onbeschaamd: Waarmede vermoeien wij Hem? Wat zijn die beledigingen, waarmede wij Hem vermoeien? Zie, zondige woorden zijn groter hoon voor God dan gemeenlijk geacht wordt. Maar God heeft Zijn bewijzen gereed, twee dingen hadden zij gezegd, althans in hun hart (en gedachten zijn woorden voor God), waarmede zij Hem hadden vermoeid:
1. Zij hadden ontkend, dat Hij een heilig God is en datgene van Hem beweerd, wat in lijnrechte strijd is met de leer van Zijn heiligheid. Omdat Hij een heilig God is, haat Hij de zonde, "Hij is te rein van ogen om het kwaad te zien en de kwelling kan Hij niet aanhoren," Habakuk 1:13. Hij is geen God, die lust heeft aan goddeloosheid, Psalm 5:5.. En toch hadden zij de onbeschaamdheid, daarmede in lijnrechte tegenspraak te zeggen: Al wie kwaad doet is goed in de ogen des Heren, en Hij heeft lust aan de zodanigen. Dit goddeloze besluit trokken zij zonder enige grond, uit de voorspoed van de zondaars in hun zondige wegen, zie Hoofdstuk 3:15, als ware Gods liefde en haat te kennen uit hetgeen voor ogen is, zodat zij, die rijk zijn in deze tegenwoordige wereld, goed zijn in des Heren oog. Of zij zeiden het, omdat zij het wensten, zij hadden lust kwaad te doen en meenden toch, in des Heren oog aangenaam te wezen, en Zijn welgevallen te trekken. Daarom beweerden zij, dat God niet zo streng is als Hij wel wordt voorgesteld, en meenden, dat Hij hun evengelijke was. Zie, zij, die God voor een vriend van de zonde houden, beledigen Hem en misleiden zichzelf.
2. Zij hadden geloochend, dat Hij de rechtvaardige Bestuurder van de wereld is. Al schiep Hij geen behagen in zonde en zondaars, toch bleef het hun genoeg, zo Hij de zonde maar nimmer strafte. Zij zeiden: "Waar is de God des oordeels? Die God, die, naar ons zo menigmaal is voorgehouden, ons ter verantwoording zou roepen, en met ons afrekenen naar wij gesproken en gehandeld hebben, waar is Die? Hij heeft de aarde verzaakt en neemt geen nota van wat hier gezegd en gedaan wordt. Hij zeide dat Hij ten oordeel zou komen, maar waar blijft de belofte van Zijn toekomst? Wij kunnen doen wat ons behaagt, Hij ziet ons niet noch let op ons." Zulk een uittarting van de Rechter van de ganse aarde hoont Zijn gerechtigheid en daagt Hem uit tot het ergste. Zulke spotters waren er in de laatste dagen van de Joodse kerk, en zulke spotters zullen er zijn in de laatste dagen van de Christelijke kerk, maar hun ongeloof zal de belofte Gods niet teniet doen, want de dag des Heren zal komen. Zie, de Rechter staat voor de deur, de God des oordeels is nabij.