Leviticus 5:14-19
Tot nu toe zijn in dit hoofdstuk orders gegeven betreffende de offeranden, die zowel zondoffers als schuldoffers waren, want zij worden onder beide benamingen aangeduid, vers 6. Hier hebben wij de wet betreffende die, welke eigenlijk en bijzonder schuldoffers waren, welke gebracht werden om verzoening te doen voor overtredingen tegen de naaste. Nu kan schade, veroorzaakt aan de naaste, heilige dingen of gewone dingen betreffen, van de eerste hebben wij de wet in deze verzen, van de tweede in het begin van het volgende hoofdstuk. Indien iemand iets ontvreemd heeft van de heilige dingen, vers 16, heeft hij hiermede overtreden tegen de priesters, de dienaren des Heeren, aan wie de zorg over deze heilige dingen was opgedragen, en die er het voordeel van hadden. Indien nu iemand onwetend, iets van hetgeen de Heere was gewijd, ontvreemdde, of ten eigen bate gebruikte dan moest hij dit offer brengen. Als hij bijvoorbeeld onwetend gebruik heeft gemaakt van de tienden, of van de eerstelingen van de vruchten of van het vee, of (hetgeen naar Hoofdstuk 22:14-16 hier voornamelijk bedoeld schijnt) gegeten had van de delen van de offeranden, die voor de priesters bestemd waren dan was dit een schuld. Het wordt verondersteld bij vergissing te zijn geschied, of door vergeten, uit gebrek aan oplettendheid of aan ijver, want zo het met opgeheven hand gedaan was en in minachting van de wet, dan moest hij, die dit gedaan had, zonder barmhartigheid sterven, Hebreeën 10:28. Maar in geval van onachtzaamheid of onwetendheid, dan was dit offer voorgeschreven, en aan Mozes wordt gezegd:
1. Wat gedaan moet worden in geval de schuld stellig gebleken is. Dan moet de schuldige:
a. Een offerande brengen aan de Heere, welke altijd, als het zuivere schuldoffers waren, bestaan moet in een volkomen ram, "van het tweede jaar", zeggen de Joodse geleerden.
b. Hij moet tevens vergoeding geven aan de priester naar een juiste schatting van hetgeen hij ontvreemd had, en er nog een vijfde deel aan toevoegen, opdat hij lere een volgende maal behoedzamer te zijn, er zich voor te wachten om iets te ontvreemden van hetgeen Gode geheiligd is, tot zijn schade ondervindende dat daar niets bij te winnen is, daar hem zijn vergissing duur te staan is gekomen.
2. Wat geschieden moet ingeval dat het twijfelachtig is, of hij al of niet overtreden heeft. Hij heeft reden om het te vermoeden maar hij heeft het niet geweten, vers 17, dat is hij was er niet zeker van, in dit geval moest hij, daar het goed is om zeker te zijn, zijn zondoffer brengen met de waarde van hetgeen hij vreesde ontvreemd te hebben, maar het vijfde deel moest hij er niet aan toevoegen. Dit was bedoeld om het ontzettende kwaad aan te tonen van heiligschennis. Achan, die dit met opgeheven hand gedaan heeft, werd er om ter dood gebracht, evenals ook Ananias en Saffira. Maar het kwaad er van werd nog verder hierdoor aangetoond, dat als iemand geheel onbewust iets van heilige dingen had ontvreemd, ja, zo hij slechts vermoedde dit gedaan te hebben, hij er de onkosten van moest dragen, niet slechts door het volkomen en met interest te vergoeden, maar door nog een offer te brengen met de last daaraan verbonden, en zich daarbij nog de schande moest aandoen om het te belijden, zo gruwelijk is het om Gods eigendom aan te tasten, en zozeer hebben wij ons te wachten voor alle schijn van dit kwaad. Er wordt ons hier ook geleerd om met Godvruchtige ijver over onszelf te waken, vergeving te vragen voor de zonde, en het onrecht te herstellen, al is het ook dat wij slechts vermoeden het bedreven te hebben. In twijfelachtige gevallen moeten wij het zekere voor het onzekere nemen en ons aldus aan de veilige kant houden.