Leviticus 22:17-33
Hier zijn vier wetten betreffende de offeranden.
I. Dat alles wat Gode geofferd wordt, zonder gebrek moet wezen, daar het anders niet aangenaam kan zijn. Dit is reeds dikwijls gezegd bij de bijzondere inzettingen van de onderscheidene soorten van offers. Hier nu:
1. Wordt hun gezegd wat als een gebrek geacht moet worden, waardoor een dier ongeschikt was om te worden geofferd: indien het blind was, of kreupel, of wrattig, of schurftig, vers 22, indien het gedrukt, gestoten, of gescheurd, of gesneden was, vers 24, dat is: naar de Joodse schrijvers het verstaan, indien bijvoorbeeld stieren of rammen tot ossen of hamels waren gemaakt, dan mochten zij niet geofferd worden.
2. Er is een verschil aangegeven tussen hetgeen gebracht werd als een vrijwillig offer, en hetgeen gebracht werd wegens een gelofte vers 23. En hoewel een dier dat één van de bovengenoemde gebreken had, voor géén van die beide offeranden gebracht mocht worden mocht een dier, waaraan iets overtolligs was of waaraan iets ontbrak, dat is-naar de Joden het verstaan-indien er onevenredigheid of ongelijkheid was tussen de delen, die paren vormen, als een oog, of oor, of poot, groter is dan het moet wezen, of kleiner dan het moest wezen, toch als een vrijwillig offer gebracht worden, dat is een offer waartoe een mens zich tevoren niet verplicht had, of waartoe de wet Gods hem niet verplichtte, maar voor een gelofte mocht het niet aangenomen worden. Daarmee wilde God ons leren nauwgezet en nauwkeurig te zijn in het volbrengen van de geloften, die wij Hem gedaan hebben, en niet naderhand in hoeveelheid of waarde te verminderen wat wij Hem plechtig gewijd hadden. Hetgeen voor de gelofte in onze macht was zoals in het geval van een vrijwillig offer, is het naderhand niet meer, Handelingen 5:4.
3. Telkens en nogmaals wordt verklaard, dat geen offer aangenaam zal zijn, waaraan enigerlei gebrek is, vers 20, 21. In overeenstemming met deze wet moesten al de beesten, die tot offeranden gebracht werden, zeer zorgvuldig onderzocht worden, teneinde er volkomen zeker van te wezen, dat er geen gebrek aan was. Een offer, waaraan een gebrek was, mocht zelfs uit de hand van vreemden niet worden aangenomen, ofschoon zo iemand op alle mogelijke manier aangemoedigd moest worden om de God Israëls te eren, vers 25. Hieruit blijkt dat verwacht werd, dat er vreemdelingen uit een ver land tot het huis Gods zouden komen 1 Koningen 8:41, 42, en dat zij er welkom zullen zijn, en hun offers aangenaam zullen wezen, zoals die van Darius, Ezra 6:9, 10, Jesaja 56:6, 7. De heidense priesters waren niet zo streng ten opzichte van deze zaak, zij zouden ook de ellendigste offers aangenomen hebben voor hun goden, maar de vreemdelingen moeten weten, dat de God Israëls niet aldus gediend wil wezen.
Deze wet nu was nodig:
a. Ter bewaring van de eer van het heiligdom, en van de God, die er werd aangebeden. Het was voegzaam dat alles, wat tot Zijn eer gebruikt werd, het beste van zijn soort zou wezen, want gelijk Hij het grootste en heerlijkste is, zo is Hij ook het beste van alle wezens, en Hij, die de beste is, moet het beste hebben. Zie hoe grotelijks en hoe rechtvaardiglijk het verbreken of overtreden van deze wet de heilige God mishaagd heeft, Maleachi 1:8, 13,14. b. Door deze wet werden al de wettische offeranden zoveel geschikter om typen te zijn van Christus, het grote offer, waaraan allen hun kracht ontleenden. In de toespeling op deze wet wordt Hij gezegd een "onbestraffelijk en onbevlekt Lam te zijn," 1 Petrus 1:19. Evenals zo'n priester, betaamde ons zodanig een offer, dat heilig, onnozel en onbesmet is. Toen Pilatus verklaarde: "Ik vind geen schuld" "in deze mens," heeft hij hiermede verklaard, dat het offer zonder gebrek was. De Joden zeggen: het was het werk van de plaatsvervanger van de hogepriester, om de offers te schouwen, om te zien of zij al of niet zonder gebrek waren. Toen Christus tot Zijn lijden was ingegaan was Annas met dit ambt bekleed, maar weinig dachten zij, die Christus het eerst tot Annas hebben gebracht, door wie Hij gebonden naar Kajafas gezonden werd, als een offer, geschikt om geofferd te worden, Johannes 18:13, 24, dat zij hiermede het type van deze wet in vervulling brachten.
c. Het is een instructie aan ons om Gode het beste te offeren wat wij hebben in onze geestelijke offeranden. Als wij in onze gebeden onkundig, koud en beuzelachtig zijn, ons door alles laten afleiden, dan brengen wij het blinde en het kreupele en het zieke aan om te offeren, maar vervloekt zij de bedrieger die dit doet, want terwijl hij meent God te bedriegen, bedriegt hij slechts zijn eigen ziel tot haar verdoemenis.
II. Dat geen dier ten offer gebracht moest worden vóór het acht dagen oud was, vers 27. Tevoren was reeds bevolen, dat de eerstelingen van hun vee, die Gode gewijd moesten worden Hem pas na de achtsten dag gebracht moesten worden, Exodus 22:30. Hier wordt bevolen dat geen dier geofferd zou worden, eer het volkomen acht dagen oud was. Vóór de acht dagen was het niet geschikt voor de tafel van de mensen, en daarom ook niet voor Gods altaar. De Joden zeggen: "Dit was omdat alle dingen geheiligd worden door de sabbat, en er niets aan God geofferd moest worden vóór er tenminste een sabbat over heen was gegaan." Het was in overeenstemming met de wet op de besnijdenis, die aan kinderen op de achtste dag geschieden moest. Christus is voor ons geofferd, niet in Zijn kindsheid, hoewel Herodes Hem toen zocht te doden, maar in de bloei van Zijn jaren.
III. Dat de moeder en haar jong niet op dezelfde dag geslacht moesten worden, hetzij ten offer, of tot gewoon gebruik, vers 28. Er is een dergelijke wet betreffende vogels, Deuteronomium 22:6. Dit was verboden, niet omdat het op zichzelf kwaad was, maar omdat het een barbaars en wreed aanzien had voor de dieren, zoals de tirannie van de koning van Babel, die de zonen van Zedekia doodde voor zijn ogen, en hem toen de ogen uitstak. Het had een schijn van kwaadaardigheid om twee geslachten tegelijk te doden, alsof het de bedoeling was de gehele soort uit te roeien.
IV. Dat het vlees van hun dankoffers gegeten moest worden op dezelfde dag, dat zij geofferd waren, vers 29, 30. Dit is een herhaling van hetgeen wij tevoren gehad hebben Hoofdstuk 7:15, 19:6, 7. Het hoofdstuk besluit met een algemeen gebod, zoals wij reeds meermalen ontmoet hebben: Gods geboden te houden en Zijn heiligen Naam niet te ontheiligen, vers 31, 32. Als zij, die Gods naam belijden, er niet een gewetenszaak van maken om Zijn geboden te houden, dan ontheiligen zij slechts Zijn naam. De algemene redenen, die er aan toegevoegd worden, zijn: Gods gezag over hen. Ik ben de Heere, Zijn belang in hen: Ik ben uw God, het recht dat Hij op hen had door hun verlossing: Ik heb u uitgevoerd uit Egypteland, opdat Ik uw God zou zijn, de voornemens van Zijn genade met hen: Ik ben de Heere, die u heilig, en de besluiten van Zijn gerechtigheid, indien Hij geen eer van hen ontving, dan zou Hij aan hen geëerd worden, opdat Ik in het midden van de kinderen Israëls geheiligd worde. God zal tenslotte door geen mens eer verliezen, vroeg of laat zal Hij Zijn recht verkrijgen, hetzij in de bekering van de zondaren, of in hun verderf.