16. En zijn krop met de darmen en het vuil, en ook zijn veren zal hij (de priester, die bij zulke offers in het algemeen de afzonderlijke verrichtingen alleen volbrengt) wegdoen 1) en hij zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, op de aldaar zich bevindende plaats van de as.
1) Zoals bij het gedierte de huid werd weggedaan, alzo bij het gevogelte de veren. Deze veren werden bij de as gevoegd. De plaats van de as was aan de oostzijde van het altaar, zover mogelijk van het Heilige der Heiligen verwijderd. Alle onreinheid moest van de godsdienst zover mogelijk gehouden worden. Dit werd hierdoor afgebeeld.. 17. Verder zal hij die met zijn vleugels klieven, daar waar de vleugels aan de romp vastzitten, breken, niet geheel afscheiden, en de priester zal die, nadat hij alles eerst met zout bestrooid heeft, aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; 1) het is niet minder dan het volkomen offer van de meer gegoeden (Leviticus 9:13), een brandoffer een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HEERE. 2)
1) Deze offerande van gevogelte was de moeilijkste van allen, ten einde de priesters indachtig te maken, dat zij zowel hun aandacht en oplettendheid moesten vestigen op de offeranden van de armsten als op die van de rijksten. Het is daardoor ook, dat ook nu nog eens herhaald wordt, dat de priester die offerande moest aansteken op het altaar..
2) Reeds in Exodus 29:38, werd over de brandoffers gesproken, en werd daar bevolen, dat bij de dagelijkse morgen- en avondgodsdienst een éénjarig lam als brandoffer zou worden gebracht, in naam van en voor de gemeente. Daardoor zou in Israël het bewustzijn levendig worden gehouden, dat de gemeente van de Heere tot een onbepaalde en volkomen overgave aan Hem verplicht is, en dat in een dergelijke toewijding haar karakter en haar bestemming besloten lag. Maar juist deze dagelijks zich herhalende in de plaatsstelling van de gemeente door een offerdier wijst tegelijk profetisch daarop, dat eenmaal iemand uit haar midden zou voortkomen, die metterdaad en in waarheid, en met een vrij besluit van zijn wil dat volbrengen zou, wat het offerdier slechts zinnebeeldig en zonder, ja, tegen zijn wil deed!.
Het oudtestamentische brandoffer is dus type van Christus, d.i. een korte, nog onuitgevoerde, maar toch reeds de grondtrekken volkomen bevattende voorstelling van de dadelijke en lijdende gehoorzaamheid van de Verlosser (Efeze5:12). Volmaakt wat kennis, geestelijke en zedelijke kracht aangaat, zocht Hij toch door deze krachten zijn eigen eer niet, maar wijdde ze zonder enig voorbehoud God toe. Zijn denken en betrachten, zijn spreken en handelen was de Heere gewijd; die Hij diende kende Hij; Hij had Hem lief met een onverdeelde liefde Hij vereerde Gods persoonlijk wezen en hield dit heilig; Hij verstond Zijn raadsbesluiten, Hij wist wat tot handhaving van Gods eer nodig was, en deed in alles naar hetgeen die eer vorderde. Alleen Christus kon zeggen: "Ik heb de Heere altijd voor Mij; Mijn spijze is, dat Ik doe de wil van de Vader; Ik ben niet gekomen om Mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft om Zijn werk te volbrengen." En als Hij aan het einde van Zijn lijdensbaan de Vader had kunnen bidden Hem van het kruis en van de toorn, die daar op Hem lag, te bevrijden; als Hij, naar Zijn eigen woorden, Zijn Vader kon bidden, en de Vader Hem meer dan twaalf legioenen engelen zou hebben gezonden, daar kon Hij niet alzo bidden, eiste Hij geen bevrijding, maar sprak met onderwerping: "Vader! verheerlijk Uw naam." Hier werd de onbepaalde overgave aan God getoond, welke in het brandoffer afgeschaduwd werd. Hij was gehoorzaam tot in de dood, ja tot de dood van het kruis. Wel had het kruis vele andere betekenissen en betrekkingen, maar een zaak, die daarin ten opzichte van Hem zelf duidelijk openbaar wordt, was de voor niets terugwijkende gehoorzaamheid van Hem die daar leed, ja van de Een, die altijd gezegd had: "Vader, niet Mijn maar Uw wil geschiede."
Onze roeping, onder de nieuwe bedeling, is het, dit voorbeeld iedere nieuwe levensdag altijd weer opnieuw ons voor te stellen, naar de apostolische vermaning, Romeinen 12:1 : "Ik bid u dan, broeders! door de ontfermingen van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en God behaaglijke offerande, die uw redelijke godsdienst is." Wij doen het als degenen, die tot heden in deze roeping niet getrouw zijn geweest; en, zoals wij werkelijk zijn, kunnen wij het ook niet doen, want onze zonden maken scheiding tussen onze God en ons. Maar juist daarom is het brandoffer van Christus niet alleen een voorbeeld ter navolging, maar ook een bedekking van onze zonden; en dat dit brandoffer werkelijk zowel tot onze rechtvaardiging als tot onze heiliging strekt, daarop wijst ons het Mozaïsche brandoffer in de beide daaraan volbrachte handelingen, de slachting en de verbranding.