18. Bovendien de vrouw, als een man met het zaad van het bijliggen bij haar gelegen zal hebben, daarom zullen zij beide zich met water baden en onrein zijn tot aan de avond. 1)
1) Volgens de meeste uitleggers hebben deze woorden betrekking op de bijslaap en blijkt het ook uit andere uitspraken, dat door de daarbij plaats hebbende uitstorting van zaad een verontreiniging in levitische zin plaats heeft (Exodus 19:15; 1 Samuël 21:4; 2 Samuël 11:4). Maar anderen (zo ook Luther) verbinden ons vers zeer nauw met de beide vorige, en geven daarvan deze verklaring, dat door de bijslaap van een wettisch onrein man ook de vrouw verontreinigd wordt. Ondertussen wordt door de eerste uitlegging de geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw volstrekt niet als zondig en verdoemelijk op zichzelf verklaard; beiden zullen slechts bedenken dat zij daardoor op een gebied overgaan, dat vóór ieder ander een zetel van de zonde is geworden en door de mens, zoals hij nu eenmaal na de zondeval is, zonder zondige prikkel niet meer kan betreden worden, waarom zij ook niet dadelijk daarna in Gods heiligdom mogen ingaan..
Hieruit blijkt, dat in alle schaamachtige zaken de Joden hun onreinheid wordt voor ogen gesteld, opdat zij op die wijze aan eerbied voor het heilige zouden gewennen en op reinheid van zeden zich zouden toeleggen. Wat dan ook uit het slot van het hoofdstuk des te meer blijkt, waar gezegd wordt: "Zodat de kinderen van Israël zich afzonderen van hun onreinigheden, opdat zij niet sterven, indien zij mijn tabernakel zullen verontreinigen." Kort, zeg ik, stelt God Zijn doel hun voor ogen, nl. dat iedere ontheiliging verre van het volk verwijderd blijve, omdat Hij wil, dat bij Zijn dienaren de reinheid van wandel gevonden wordt, daar Hij niet zou kunnen verdragen, dat Zijn tabernakel door enige smet werd ontheiligd..
Zoals de wet aangaande de kraamvrouwen de onreinheid leren, waarin de mens wordt geboren, en zoals de wet, die de melaatsheid betrof, aantoonde, dat zijn gehele natuur bedorven is, zo vermaande deze en de volgende wetten, de oorsprong van dat verderf af te leiden van de verdorven gesteldheid van de ouders, zijnde de beginselen van de geboorte van de mens zelf besmet; dit, dat Israël alle zijn voorrechten niet aan de natuur, maar aan de genade had toe te schrijven, welke genadebedeling op verzoening was gegrond en met dankbaarheid moest worden beantwoord..
God heeft ons door natuurlijke dingen onderwezen aangaande de ondeugden van het gemoed, en heeft ons geleerd, hoe verfoeilijk die ondeugden zijn, en hoe men ze met alle vlijt moet trachten te vermijden.
Het verband van deze zin geeft duidelijk aan, dat hier bedoeld wordt, de gemeenschap tussen een man, waarover in de vorige verzen gesproken wordt, en een vrouw. Betere vertaling is dan ook in plaats van: een man, die van de man, in de zin van, die man. Luther vertaalt: de vrouw, waarbij zo'n man zal gelegen hebben..
II. Vers 19-33. De zo-even vermelde verontreiniging van de vrouw door vleselijke gemeenschap met de man brengt als vanzelf tot de verdere verontreinigingen waaraan de vrouw in haar geslachtsleven onderworpen is, zo gaat het goddelijk onderricht nu van de gezonde en natuurlijke toestanden op de ziekelijke over.