Klaagliederen 5:1-16
"Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde," en dat hij in `t gebed zijn klacht uitstorte voor God, en zijn bezwaren aan Hem bekend make. Dat doet hier Gods Volk, overstelpt van smart, geven zij er lucht aan voor de voetbank van de troon van de genade, en geven zich zelf daardoor verlichting. Zij klagen niet over de rampen, die zij vrezen, maar over de ellende, die zij lijden. Gedenk, Heere, wat ons geschied is, vers 1. Waarmee van ouds tegen ons gedreigd werd, en wat al lang in aantocht was, is ons ten laatste geschied, en wij zijn op `t punt eronder te bezwijken. Gedenk, het verleden, aanschouw en zie het tegenwoordige, en laat niet gering zijn voor Uw aangezicht al de moeite, die ons getroffen heeft, alsof het de moeite niet waard was er kennis van te nemen, Nehemia 9:32. Gelijk het een grote troost is voor ons, zo moet `t ook voldoende zijn, in onze moeite, dat God ziet en aanschouwt en gedenkt al wat ons geschied is, en in onze gebeden, behoeven wij ons geval alleen maar op te dragen aan Zijn genade, gunst en goedertierenheid. Het woord, waarin voor hen alles begrepen is, is smaad: Aanschouw en zie onze smaad aan. De moeite, die hen getroffen had, was, om hun vroegere overvloeden waardigheid, een grotere smaad voor hen dan het voor enig ander volk zou geweest zijn, vooral in aanmerking genomen hun betrekking tot en afhankelijkheid van God en Zijn vroeger optreden voor hen, en daarom klagen zij hierover te recht, omdat die smaad een smet wierp op de naam en de eer van die God, die hen als Zijn volk geëigend had: "Wat zult Gij dan Uw grote naam doen?"
I. Zij erkennen de smaadheid van de zonde, die zij dragen, de smaadheid hunner jeugd (waarom Efraïm zich beklaagt, Jeremia 31:19) de kindsheid voor hun volk. Dit valt te midden van hun klachten, vers 7, maar kan zeer wel aan het begin geplaatst worden: "Onze vaders hebben gezondigd en zijn niet meer: zij zijn dood en verdwenen, maar wij dragen hun ongerechtigheden." Dit is hier geen wrevelige klacht, noch een betichting van God wegens onrechtvaardigheid, zoals in Jesaja 31:29, en Ezechiël 18:2 :"De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en van de kinderen tanden zijn stomp geworden," en daarom zijn de wegen des Heeren niet billijk. Maar het is een onboetvaardige belijdenis van de zonden hunner voorvaderen, waarin zij zelf gebleven waren, en waarom zij nu naar recht meesten lijden, de oordelen Gods, die over hen gebracht waren, waren zo groot, dat het scheen, alsof God dat deed met het oog op de zonden hunner voorvaderen (omdat die niet opmerkelijk gestraft waren in deze wereld) zowel als op hun eigene zonden, en zo werd God gerechtvaardigd, beide in Zijn toegevendheid jegens hun vaders (Hij vergeldt de ongerechtigheid van de vaderen in de schoot hunner kinderen) en in Zijn gestrengheid met hen zelf, aan wie Hij die ongerechtigheid bezocht, Mattheus 23:35, 36. Aldus,
1. Onderwerpen zij zich aan de goddelijke rechtvaardigheid: "Heere, Gij zijt rechtvaardig in al wat Gij over ons gebracht hebt, want wij zijn het zaad van boosdoeners, kinderen des toorns, en erfgenamen van de vloek, wij zijn zondig, en zijn het van nature." De zonde, die God in aanmerking neemt bij de straf, moeten wij in aanmerking. nemen bij ons berouw, en wij moeten acht geven op alles wat ons helpen kan om God te rechtvaardigen in de straf, die Hij ons oplegt.
2. Zij beroepen zich op het goddelijk mededogen: "Heere, onze vaders hebben gezondigd en wij lijden rechtvaardiglijk om hun zonden maar zij zijn niet meer, zij werden weggenomen voordat het kwaad gekomen was: zij leefden niet lang genoeg om deze rampen te zien en er in te delen, die over ons gekomen zijn, en wij zijn bestemd om hun ongerechtigheden te dragen. Hoewel God hierin rechtvaardig is, toch moet erkend worden, dat ons lot droevig en Zijn medelijden waardig is". Als wij boetvaardig en geduldig zijn onder wat wij lijden om de zonden van onze vaderen, dan mogen wij verwachten, dat Hij, die ons straft, erbarming zal hebben, en spoedig in genade tot ons terugkeren.
II. Zij geven verschillende bijzonderheden aan van de smaad van hun ongeluk, die zij te dragen hebben, en die alle tot hun schande bijdragen.
1. Zij zijn verdreven uit het bezit van dat goede land, dat God hun gaf, en hun vijanden hebben het in bezit genomen, vers 2. Kanaän was hun erfenis het was het hun door de belofte. God had het gegeven aan hen en aan hun zaad, en zij bezaten het als een schenking van de kroon, Psalm 136:21, 22, maar nu is het aan vreemden toegevallen, die er geen recht op hebben, bezitten het, "die vervreemd zijn van het burgerschap Israëls en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, " zij wonen in de huizen, die wij gebouwd hebben, en dat is onze smaad. Het is de zaligheid van allen, die behoren tot Gods geestelijk Israël, dat het hemelse Kanaän een erfenis is, waar zij niet uitgezet kunnen worden, die nooit aan vreemden toevallen kan.
2. Hun staat en volk zijn in een toestand gekomen, gelijk aan die van weduwen en wezen, vers 3 :Wij zijn wezen zonder vader (dat is hulpeloos), wij hebben niemand om ons te beschermen, om in onze behoeften te voorzien, om voor ons te zorgen. Onze koning, die de vader des lands is, is afgesneden, ja, God, onze Vader, schijnt ons verlaten en weggeworpen te hebben, onze moeders, onze steden, die als vruchtbare moeders in Israël waren, zijn nu als de weduwen, zijn als vrouwen, wier mannen dood zijn, beroofd van troost, en blootgesteld aan onrecht en geweld, en dat is onze smart, want wij, die een naam hadden, worden nu met verachting aangezien.
3. Zij hebben de grootste moeite om in de levensbehoeften van zichzelf en hun gezinnen te voorzien, terwijl zij eens in overvloed leefden en van alles ruimschoots genoeg hadden. Water placht kosteloos te zijn, en men kon er gemakkelijk aankomen, maar nu, vers 4 :Ons water moeten wij voor geld drinken, en het spreekwoord is niet langer waar, "Usus communis aquarum-Water is voor algemeen gebruik". Zo hard werden zij door hun onderdrukkers behandeld, dat zij nog geen dronk fris water konden krijgen zonder het voor geld of arbeid te kopen. Vroeger hadden zij de brandstof voor het halen, maar nu komt ons ons hout op prijs te staan, en iedere bos moeten wij duur betalen. Nu werden zij gestraft omdat zij hun kinderen gebracht hadden om hout te verzamelen voor een vuur "om koeken op te bakken voor Melecheth des hemels," Jeremia 7:18. Zij waren volkomen vogelvrij verklaard, het gebruik van vuur en water was hun ontzegd, naar de formule: "Interdico tibi aqua et igni-Ik verbied u het gebruik van vuur en water." Maar wat moeten zij voor hun brood doen? Inderdaad, het was even moeilijk daar aan te komen als aan iets anders, want,
a. Sommigen van hen verkochten hun vrijheid er voor, vers 6 :Wij hebben de Egyptenaar de hand gegeven en de Assyriër, hebben ons zo duur mogelijk aan hen verkocht, om hen te dienen, om met brood verzadigd te worden. Wij waren blijd ons te schikken in het laagste werk, op de hardste voorwaarden, om een zorgelijk bestaan te hebben, wij hebben ons als vazallen aan hen onderworpen, hebben alles aan hen afgestaan, zoals de Egyptenaars aan Farao in de jaren van hongersnood, om iets te hebben, waar wij zelf en onze gezinnen van konden leven. De naburige volken plachten met Juda te handelen in tarwe, Ezechiël 27:17, want het was een vruchtbaar land, maar nu verteert het zijn inwoners en zij zijn tevreden, als zij de Egyptenaars en Assyriërs kunnen dienen. b. Anderen waagden er hun leven voor, vers 9:Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen. Toen zij door de belegering opgesloten waren, en alle toevoer van levensmiddelen was afgesneden, deden zij uitvallen of slopen uit de stad, om enige voorraad op te doen, waarbij zij gevaar diepen in handen van de belegeraars te vallen, en over de kling gejaagd te worden, vanwege het zwaard van de woestijn, of van de vlakte (want dat is de eigenlijke betekenis), daar de belegeraars overal in de vlakte om de stad heen, gelegerd waren. Laat ons hieruit aanleiding nemen om God te danken voor de overvloed, die wij genieten, dat wij ons brood zo gemakkelijk krijgen, nauwelijks in het zweet onzes aangezichts, veel minder met gevaar onzes levens, en voor de vrede, die wij genieten, dat wij uit kunnen gaan, en niet alleen van de noodzakelijke voortbrengselen, maar ook van de genoegens van het land kunnen genieten, zonder enige vrees voor het zwaard van de woestijn.
4. Die een vrij volk waren, zijn tot slavernij gebracht, en die hun eigen meester waren, gaan onder het juk, en deze smaad is zo groot als enige smaad maar zijn kan, vers 5 :Wij lijden vervolging door het smartelijke en ondragelijke juk op onze halzen (het ijzeren juk, dat op hun hals zou gelegd worden, naar de voorspelling van de profeet, Jeremia 28:14), wij worden behandeld als dieren onder het juk, die hun eigenaars geheel dienen, en onder bevel van de drijvers staan. Wat de slavernij verzwaarde, was
a. Dat hun arbeid onverpoosd was, als die van Israël in Egypte, toen zij een vaste dagtaak hadden, ja, meer dan zij op een dag doen konden: Zijn wij moe, men laat ons geen rust, geen verlof en geen tijd om te rusten. De jukossen worden des nachts zonder juk gelaten en kunnen rusten, dat kunnen zij ook, door een bijzondere regeling van de wet op de sabbatdag, maar de arme gevangenen in Babel, die gedwongen werden te werken voor hun onderhoud, hun liet men geen rust, geen nachtrust en geen sabbatsrust, zij werden geheel uitgeput door de onophoudelijke inspanning.
b. Dat hun meesters ondraaglijk waren vers 8 :Knechten heersen over ons, en niets is kwellender dan een knecht, als hij regeert, Spreuken 30:22. Het waren niet alleen de aanzienlijken van de Chaldeën, die hen bevolen, maar zelfs de minste van de knechten mishandelden hen naar welgevallen, en juichten over hen, en zij moesten hen gehoorzamen ook. De vloek van Kanaän was nu het vonnis van Juda geworden. Een knecht van de knechten zij hij. Zij wilden niet geregeerd worden door hun God, en door Zijn knechten, de profeten, wier heerschappij zacht en goedertieren was, en daarom werden zij rechtvaardiglijk met hardheid geregeerd door hun vijanden en hun knechten.
c. Dat zij geen weg zagen om aan de ellende te ontkomen: "Er is niemand, die ons uit hun hand rukke, " niet alleen niemand, om ons uit de gevangenschap te verlossen, maar zelfs niemand om de onbeschaamdheid van de knechten, die ons mishandelen en vertreden, te bedwingen en in toom te houden, wat eigenlijk hun meesters moesten doen, omdat het aanmatiging was van hun gezag, maar het scheen wel, dat zij het door de vingers zagen, en aanmoedigden, en, alsof zij de bestraffing van de heren niet waard waren, werden zij overgegeven aan de dienaren, om door hen gesmaad te worden. Wel mochten zij bidden: "Heere, aanschouw en zie onze smaad aan."
5. Die gewoon waren onthaald te worden laat men nu verhongeren, vers 10 :Onze huid is zwart geworden, gelijk een oven, gedroogd en verschrompeld, vanwege de geweldige stem des hongers, want, hoewel de honger anders trapsgewijze over een volk komt, thans komt hij met geweld, en velt alles voor zich neer, en er is geen weerstand aan te bieden, en ook dat is hun schande, daarvandaan lezen wij van "de smaadheid des hongers," die zij in gevangenschap onder de heidenen ontvingen, Ezechiël 36:30.
6. Alle rangen en standen, zelfs zij, wier persoon en ambt het onschendbaarst waren, werden mishandeld en onteerd.
a. De vrouwen werden verkracht, zelfs de vrouwen te Zion, die heiligen berg, vers 11. Over het doen van zulke gruwelijke goddeloosheden, wordt hier te recht en droevig geklaagd.
b. De aanzienlijken werden niet alleen ter dood gebracht, maar op onterende wijze ter dood gebracht. Vorsten zijn opgehangen, alsof het slaven waren, door de hand van de Chaldeën, vers 12, die er een eer in stelden deze barbaarse straf met eigen hand te voltrekken. Sommigen zijn van mening, dat de lijken van de vorsten, nadat zij met het zwaard gedood waren, opgehangen werden, zoals de lijken van Sauls zonen, tot hun schande en als het ware om de schuld van het volk te verzoenen.
c. Geen eerbied werd getoond voor overheden en allen, die gezag uitoefenen: "De aangezichten van de ouden, ouden in leeftijd, ouden in het ambt, zijn niet geëerd geweest." Hierom zal in `t bijzonder de Chaldeën, op zekere dag, gedacht worden, Jesaja 47:6:Over de oude maaktet gij uw juk zeer zwaar.
d. De tederheid van de jeugd werd evenmin in aanmerking genomen als de ernst des ouderdoms, vers 13 :Zij hebben de jongelingen weggenomen om te malen aan de handmolens, ja misschien aan de rosmolens. De jongelingen hebben het maalkoren gebracht (zo lezen sommigen), hebben de molen of de molenstenen gebracht (lezen anderen). Zij belaadden hen alsof het lastdieren waren, en braken hun rug, terwijl zij nog jong waren en maakten de rest van hun leven te ellendiger. Ja, zij lieten de jongens het hout naar huis brengen voor brandstof, en leiden hun zulke lasten op, dat zij er onder struikelden, zo onmenselijk waren deze wrede onderdrukkers!
7. Een eind werd gemaakt aan al hun blijdschap, op hun vrolijkheid werd de domper gezet, vers 14. De jongelingen, die tot vrolijkheid geneigd waren, houden op van hun snarenspel, hebben hun harpen aan de wilgen gehangen. Inderdaad ouden lieden past het, op te houden van het snarenspel, wanneer alle de zangeressen neergebogen zijn, is het tijd om het zonder hooghartige minachting te laten rusten, maar het getuigt van grote rampen over een volk, als hun jongelingen gedwongen worden er mee op te houden. Zo was het met het hele volk, vers 15 :De vreugde onzes harten houdt op, zij wisten niet meer wat vreugde was, sinds de vijand als een stroom over hen kwam, sinds de afgrond riep tot de afgrond, en de ene golf over de andere rolde, zodat zij geheel overstelpt waren. Onze rei is in treurigheid veranderd, in plaats van op te springen van vreugde, zoals vroeger, vallen wij neer van smart en staan niet meer op. Dit kan in `t bijzonder betrekking hebben op de vreugde hunner plechtige feesten, en de beurtzangen daarbij in gebruik, Richteren 21:21, wat niet alleen een geoorloofde, maar ook een heilige vrolijkheid was, deze was veranderd in treurigheid, die op hun feesten verdubbeld werd, ter herinnering aan hun vroegere vrolijkheid.
8. Er was een eind aan al hun heerlijkheid.
a. De openbare rechtspraak was hun heerlijkheid, maar die had opgehouden. De ouden houden op van de poort, vers 14, de stroom van het recht, die als een rivier placht te vloeien, is nu verstopt: de gerechtshoven, die met zoveel plechtigheid zitting hielden, zijn opgeheven, want de rechters zijn gedood, of gevankelijk weggevoerd.
b. De koninklijke waardigheid was hun heerlijkheid, maar ook die was verdwenen: "De kroon is van ons hoofd afgevallen," niet alleen de koning zelf is te schande geworden, maar de kroon ook, hij heeft geen opvolger, de tekenen van de koninklijke waardigheid zijn weg. Aardse kronen zijn onderhevig aan verwelken en vallen, maar geprezen zij God, "er is een onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid die nimmer valt, en een onbewegelijk koninkrijk". Bij deze klacht, maar met het oog op alle voorgaande klachten, doen zij de berouwvolle bekentenis: "O wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben. Helaas! ons lot is zeer te betreuren, en het is geheel onze eigen schuld, wij zijn vernietigd, en wat nog erger is, vernietigd door onze eigen handen. God is rechtvaardig, want wij hebben gezondigd. Al onze jammer hebben wij te danken aan onze eigene zonde en dwaasheid. "Als de kroon van ons hoofd is afgevallen, als wij onze uitnemendheid verliezen en minderwaardig worden, dan hebben wij dat aan ons zelf te wijten, wij hebben door onze ongerechtigheid onze kroon ontheiligd en onze eer in het stof doen wonen."