Klaagliederen 3:1-20
De titel van de honderdtweede psalm zou zeer gepast boven dit hoofdstuk geplaatst kunnen worden. "Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klachte uitstort voor het aangezichte des Heeren, want de uitstorting van deze klacht is vloeiend en vol gevoel." Laat ons op de bijzonderheden letten. De profeet klaagt,
1. Dat God toornig is. Dat is beide, de oorzaak en de bitterheid van de beproeving, vers 1 :Ik ben de man, de merkwaardige man, die ellende gezien heeft, en ze diep gevoeld, door de roede van Zijn verbolgenheid. God is soms vertoornd tegen Zijn volk, toch moet men er niet over klagen, als over een roede, die kastijdt, het is voor hen de roede van Zijn verbolgenheid, een kastijding, die, hoe smartelijk ook voor `t ogenblik, in `t eind een weldaad voor hen zal zijn. Wij moeten verwachten, door deze roede ellende te zullen zien, en, als wij door die roede zwaarder dan gewoonlijk beproefd worden, moeten wij niet wrevelig zijn, want wij weten zeker dat de toorn rechtvaardig is, en de beproeving zacht en met goedheid gemengd.
2. Dat hij geen raad weet en volkomen in het duister verkeert. Duister staat voor grote moeilijkheid en verlegenheid voor gebrek, beide aan troost en leiding, dit was het geval met de klager, vers 2, Hij heeft mij, door Zijn leiding, en een onverklaarbare keten van gebeurtenissen, in de duisternis gevoerd, en niet in het licht, in de duisternis, die ik vreesde, en niet in het licht, waarop ik hoopte. En vers 6 :Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, donker als het graf, als degenen, die allang dood zijn, die geheel vergeten zijn, niemand weet wie of wat zij waren. Het Israël Gods, hoewel het kinderen des lichts zijn, wandelt soms in de duisternis.
3. Dat God tegen hem optreedt als een vijand, als een verklaard vijand. God was voor hem geweest, maar nu heeft Hij zich immers tegen mij gewend, vers 3, zover ik onderscheiden kan, "Dewijl ik de gehele dag geplaagd ben, en mijne bestraffing is er alle morgens," Psalm 73:14. En als Gods hand voortdurend tegen ons gekeerd is, worden wij verzocht te denken, dat Zijn hart ook tegen ons gekeerd is. God had eens gezegd, Hosea 5:14 :ik zal de huize van Juda zijn als een jonge leeuw, en nu heeft Hij Zijn woord gestand gedaan, vers 10 :Hij is mij een loerende beer, Hij verrast mij met Zijn oordelen, als een leeuw in verborgen plaatsen, zodat, waarheen ik ook ging, ik in voortdurende vrees was, besprongen te worden, en mij nergens veilig hield. Schieten de mensen op degenen, die hun vijanden zijn? Hij heeft Zijn boog gespannen, de boog, die verordend was tegen de vervolgers van de kerk, en die gespannen is tegen haar zonen, vers 12. Hij heeft mij de pijl als ten doel gesteld, waarop Hij mikt, en dat Hij zeker raken zal, en: Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan, en mij een dodelijke wond, een inwendige wond gegeven, vers 13. God heeft vele pijlen in Zijn koker, en zij gaan snel en dringen diep door.
4. Dat hij is als één, die, beide in `t lichaam en in `t gemoed, smartelijk beproefd is. De Joodse staat kan nu gevoegelijk vergeleken worden bij een man, die van ouderdom gerimpeld is, waartegen geen middel bestaat, vers 4 :Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, zij zijn verwelkt en vergaan, en ik zie er uit als iemand, die op `t punt staat in `t graf te zinken, ja, Hij heeft mijn beenderen gebroken, en mij op die wijze belet, mij zelf te helpen, vers 15. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, de bittere ondervinding van deze rampen. God heeft toegang tot de geest, en kan die zo bitter maken, dat alle vreugde daardoor verbitterd wordt, zoals, wanneer de maag bedorven is, alles wat er inkomt, verzuurt: Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt, zo dronken, door de prikkel van mijn beproevingen, dat ik niet weet, wat ik zeg, en wat ik doe. Hij heeft zandsteentjes in mijn brood gedaan, zodat mijn tanden er door verbrijzeld zijn, vers 16, en wat ik eet is smakelijk noch voedzaam. "Hij heeft mij met as bedekt, zoals zij, die treuren, doen, of (zoals sommigen lezen) Hij heeft mij met as gevoed. Ik eet as als brood," Psalm 102:10.
5. Dat hij niet in staat is een weg ter ontkoming of ter verlossing te zien, vers 5 :Hij heeft tegen mij gebouwd, zoals men sterkten bouwt tegen een belegerde stad. Waar een weg open was, is die nu afgesneden: Hij heeft mij met gal en moeite omringd, ik kwel en pijnig en vermoei mij, om een weg ter ontkoming te vinden, maar ik vind er geen, vers 7 :Hij heeft mij ommuurd, dat ik er niet uitgaan kan. Ik ben geboeid, en zoals sommige buitengewone misdadigers, dubbel geboeid, met ketenen beladen, zo heeft Hij mijn koperen boeien verzwaard. "Ook heeft Hij mijn wegen ommuurd met uitgehouwen stenen, niet alleen met doornen betuind, Hosea 2:5, maar versperd met een stenen muur, die niet doorgebroken kan worden, zodat mijn paden verkeerd zijn, " Ik ga heen en weer, naar rechts en naar links, ik tracht voorwaarts te gaan, maar word steeds achterwaarts gekeerd. Het is rechtvaardig van God, dat Hij die op de verkeerde paden van de zonde wandelen, waar zij Gods wetten overtreden, op de verkeerde paden van de beproeving doet wandelen, waar Hij hun plannen vertreedt en hun handelingen te niet doet. Zo, vers 11, heeft Hij dan ook mijn wegen afgewend, Hij heeft mijn overleg weggeblazen, mijn plannen bedorven, zodat ik gedwongen ben, voor mijn eigen verderf te bezwijken. "Hij heeft mij in stukken gebroken, Hij heeft mij verscheurd en is heengegaan, Hosea 5:14, en heeft mij woest gemaakt, heeft mij beroofd van alle gemeenschap, en van allen troost, die ik mij zelf geven kan."
6. Dat God doof is voor zijn gebed, vers 8. Och wanneer ik roep en schreeuw, als iemand, die in ernst is, als iemand, die gehoord wil worden, sluit Hij toch de oren voor mijn gebed en wil het geen toegang geven tot Hem. Gods oor is gewoonlijk open voor de gebeden van Zijn volk, en de deur van Zijn genade voor hen, die er aan kloppen, maar nu zijn beide gesloten, zelfs voor een, die roept en schreeuwt. Zo schijnt God soms zelfs vertoornd te zijn tegen het gebed Zijns volks, Psalm 80:4, en hun lot is inderdaad beklagenswaardig, wanneer hun niet alleen de weldaad van een antwoord, maar ook de troost van de aanneming geweigerd wordt.
7. Dat zijn naburen zijn ellende bespotten, vers 14 :Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, alle goddelozen onder hen, die zich zelf en elkaar vrolijk maakten met de algemene oordelen en in `t bijzonder met de smarten van de profeet Jeremia. Ik ben hun lied, hun snarenspel, hun trommelslag, Job 17:6, ze maken liederen op mij, zoals Nero op de brand van Rome.
8. Dat hij op `t punt stond van te wanhopen aan verlossing en bevrijding: Gij hebt mijn vrede niet alleen weggenomen, maar hebt mijn ziele verre van de vrede verstoten, vers 17, zodat hij niet alleen uit het bereik, maar ook uit het gezicht is, Ik heb het goede vergeten, het is zo lang geleden, dat ik het had, en zo onwaarschijnlijk, dat ik het ooit terugkrijgen zal, dat ik de gedachte er aan opgegeven heb. Ik ben zo gewend aan smart en slavernij, dat ik niet weet, wat blijdschap en vrijheid is. Ik beschouw alles als verloren, Mijn sterkte is vergaan en mijn hope van de Heere, vers 18, ik kan niet langer op God als mijn steun rekenen, want Hij moedigt er mij niet toe aan, ook kon ik niet verwachten, dat Hij te mijnen behoeve optreden zal, om een einde aan mijn smart te maken, want het geval schijnt hopeloos, en zelfs mijn God onverbiddelijk. Zonder twijfel was het zwakheid van hem dit te zeggen, Psalm 77:11, want in de Heere is een eeuwige rotssteen en Hij is de nimmer falende hoop van Zijn volk, wat zij er ook van denken mogen. 9. Dat zijn smart terugkwam bij iedere herinnering aan zijn ellende en zijn overpeinzing was even droefgeestig als zijn vooruitzichten vers 19, 20. Trachtte hij, evenals Job, zijn klacht te vergeten? Job 9:27. Helaas, het was doelloos, hij herinnert zich, bij alle gelegenheden, de ellende, de ballingschap, de alsem en de gal. Met zoveel nadruk spreekt hij van zijn beproeving, want zo denkt hij er over, zo zwaar woog ze hem, als hij ze overdacht! Het was een beproeving, die de ellende zelf was. "Mijn beproeving en mijn overtreding (zo lezen sommigen) mijn ellende en de zonde, die ze over mij bracht, dat was de gal en alsem in zijn ellende en ballingschap". Het is de zonde, die de beker van de beproeving tot een bitteren beker maakt. Mijn ziele gedenkt er wel terdege aan. De gevangenen in Babel hadden al de ellende van het beleg steeds in de gedachte en de vlammen en puinhopen van Jeruzalem voor ogen, en "weenden, wanneer zij gedachten aan Zion, ja, zij konden Jeruzalem niet vergeten", Psalm 137:1-5. "Mijn ziel gedenkt er aan en bukt zich neer in mij," niet alleen door de gedachte aan mijn ellende, maar om de bitterheid van de zonde. Het past ons nederig van hart te zijn onder vernederende leidingen, en bij iedere herinnering aan onze beproevingen en ellende, ons opnieuw, berouwvol te verootmoedigen. Zo zullen wij beter worden door de straffen, die wij gehad hebben, en de straffen, die nog komen zouden, onnodig maken.