Jozua 21:9-42
Wij hebben hier een bijzonder bericht van de steden, die aan de kinderen van Levi uit de onderscheidene stammen gegeven werden, niet maar om door hen bezeten en bewoond te worden als leenhouders van de verschillende stammen waarin zij gelegen waren, neen hun bezit was niet onzeker en afhankelijk, zij bezaten ze in volledig eigendom, en hadden er hetzelfde recht op als de andere stammen hadden op hun steden of landerijen, zoals blijkt uit de wet, die verbood dat de huizen in de Levietensteden langer dan tot aan het jubeljaar vervreemd zouden worden, Leviticus 25:32, 33. Daar de Levieten echter alleen de steden en voorsteden hadden, terwijl het land er om heen behoorde aan de stammen, waarin zij gelegen waren, is het waarschijnlijk dat zij, die van die stam waren, teneinde dat land gemakkelijker te kunnen bebouwen en beheren, gewoonlijk huizen van de Levieten gehuurd hebben, als deze ze konden missen, en hebben zij aldus als hun huurders in hun midden gewoond.
Er kunnen verscheiden dingen opgemerkt worden in dit bericht, buiten en behalve hetgeen reeds opgemerkt was in de desbetreffende wet in Numeri 35.
1. Dat de Levieten verstrooid waren onder al de stammen, en het hun niet toegelaten was om allen bij elkaar in een deel des lands te wonen, hierdoor werden zij allen van werk voorzien dat ten goede voor anderen gedaan werd, want van alle mensen moeten leraren van de Godsdienst wel het allerminst lui of ledig zijn, slechts voor zichzelf of voor elkaar leven. Christus heeft Zijn twaalf discipelen als corps verlaten, maar Hij heeft orders gelaten, dat zij zich ter bestemder tijd moesten verstrooien, teneinde "het Evangelie te kunnen prediken aan alle creaturen." Dat de Levieten aldus onder de andere stammen vermengd werden bracht de verplichting voor hen mede, om met omzichtigheid te wandelen en zoals het hun heilige roeping betaamde alles te vermijden wat er een oneer voor zijn zou. Hadden zij allen bij elkaar gewoond, zij zouden in verzoeking zijn geweest om elkaars fouten en gebreken door de vingers te zien, elkaar te verontschuldigen voor wat zij verkeerds deden, maar nu waren de ogen van geheel Israël op hen gericht, en daarom begrepen zij dat zij zó hadden te wandelen, dat de bediening niet gelasterd worde en hun hoge waardigheid niet onder hun slecht gedrag zou lijden.
2. Dat iedere stam van Israël versierd en verrijkt was door zijn deel van Levietensteden, in evenredigheid met zijn uitgestrektheid, zelfs die welke het verst af lagen. Zij waren allen Gods volks, en daarom hadden zij allen Levieten in hun midden:
a. Om hun vriendelijkheid te betonen, Deuteronomium 12:19, 14:29. Zij waren Gods ontvangers, aan wie het volk hun dankbare erkentenis konden geven van Gods goedheid, als er gelegenheid en neiging toe was.
b. Om raad en onderricht van hen te ontvangen. Als zij niet konden opgaan naar de tabernakel om hen, die daar dienden, te raadplegen dan konden zij naar een Levietenstad gaan, om er de goede kennis des Heeren te leren.
3. Dat er dertien steden, en wel sommigen van de besten, aan de priesters, de zonen van Aäron werden gegeven. Aäron heeft slechts twee zonen nagelaten, Eleazar en Ithamar, maar zijn geslacht was nu reeds zeer toegenomen, en het was te voorzien dat het na verloop van tijd zó talrijk zou worden, dat het al deze steden zou vullen, hoewel een aanmerkelijk getal van zijn leden noodzakelijkerwijs wonen moest waar de ark en het altaar weren. In beide Testamenten lezen wij van zo'n groot aantal priesters, dat wij kunnen onderstellen, dat geen van de geslachten van Israël, die uit Egypte kwamen, later zó is toegenomen als het geslacht van Aäron, en later luidt de belofte aan het huis van Aäron: "De Heere zal het huis van Aäron zegenen, de Heere zal de zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen, Psalm 1-15:12, 14. Hij zal een zaad verwekken om Hem te dienen.
4. Dat sommigen van de Levietensteden later om andere redenen vermaard zijn geworden. Hebron was de stad, waar David zijn regering begon, en te Mahanaim, een andere Levietenstad, had hij zijn hoofdkwartier, toen hij voor Absalom vluchtte. De eerste Israëliet, die ooit de titel van koning droeg, namelijk Abimelech, de zoon van Gideon, regeerde te Sichem, ook een Levietenstad, vers 21.
5. Dat het getal er van groter was dan van de meesten van de stammen, behalve Juda hoewel de stam van Levi een van de kleinsten was onder de stammen, om te tonen hoe mild God is, en Zijn volk zijn moet, voor Zijn dienstknechten. Toch zal die onevenredigheid niet zo groot blijken te zijn, als zij in het eerst schijnt te wezen, als wij bedenken dat de Levieten slechts steden hadden met haar voorsteden om er in te wonen, terwijl de andere stammen behalve hun steden, (en er waren misschien nog veel meer dan in de beschrijving van hun lot genoemd zijn) nog vele open vlekken en dorpen hadden, die zij bewoonden, behalve nog landhuizen. Over het geheel blijkt dus dat er afdoend voor gezorgd was, dat de Levieten een aangenaam en nuttig leven konden leiden, en diegenen, hetzij leraren of anderen, voor wie Gods voorzienigheid zo goed gezorgd heeft, moeten zich hierdoor verplicht achten om goed te doen, en naar hun vermogen en zij er de gelegenheid voor hebben, hun geslacht te dienen.