Johannes 6:1-14
Wij hebben hier het bericht van Jezus' spijziging van vijf duizend mannen met vijf broden en twee visjes, welk wonder ook in dit opzicht merkwaardig is, dat het de enige daad is in het leven van Christus, die door alle vier evangelisten vermeld wordt. Johannes, die gewoonlijk geen melding maakt van hetgeen door hen verhaald wordt, die voor hem geschreven hebben, maakt hier echter wèl melding van, omdat de volgende rede er mede in verband staat. Merk op:
I. De plaats en den tijd, waar en wanneer dit wonder gewrocht werd, welke opgetekend zijn tot meerder bewijs van de waarheid der geschiedenis. Er wordt niet gezegd, dat het eens op zekeren tijd- niemand weet waar-gebeurd is, neen, de omstandigheden zijn nauwkeurig opgegeven, opdat naar het feit een onderzoek kan worden ingesteld.
1. De landstreek, waarin het voorviel, vers 1. Hij vertrok over de zee van Galilea, elders genoemd "de zee van Genesareth,', hier "de zee van Tiberias", naar ene stad in de nabijheid, die onlangs door Herodes vergroot en verfraaid werd, en aldus genoemd was ter ere van keizer Tiberius, en waarvan hij waarschijnlijk zijne hoofdstad had gemaakt. Christus is deze binnenzee niet direct overgestoken, maar is langs de kust naar een andere plaats aan dezelfde zijde gevaren. Het is niet God verzoeken om over water te reizen, als er een goede gelegenheid voor is, zelfs naar die plaatsen, die wij ook over land kunnen bereiken, want Christus heeft nooit den Heere, Zijn God verzocht, Mattheus 4:7.
2. Het gezelschap, dat bij Hem was: Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijne tekenen zagen, vers 2. Terwijl onze Heere Jezus het land doorging goeddoende, leefde Hij voortdurend in het midden der scharen, die Hem meer moeite veroorzaakten dan ere gaven. Vrome mensen, die nuttig zijn voor anderen, moeten niet klagen over drukte, als zij God dienen in hun geslacht, het zal tijd genoeg voor ons zijn om te genieten, als wij in de wereld komen, waar wij God zullen genieten. Christus' wonderen heeft velen achter Hem getrokken, die toch niet wezenlijk tot Hem getrokken waren. Door het vreemde ervan werd hun nieuwsgierigheid bevredigd, maar de kracht er van heeft toch niet hun geweten overtuigd.
3. Christus koos ene plaats, die geschikt was om hen te onthalen, vers 3. Jezus ging op den berg, en zat aldaar neer met Zijne discipelen, ten einde beter gezien en gehoord te kunnen worden door de scharen, die Hem gevolgd waren. Het was een spreekgestoelte door de natuur gevormd, en niet zoals dat van Ezra, dat opzettelijk daarvoor gemaakt was. Christus was er nu toe gekomen een veldprediker te zijn, een prediker in de open lucht, maar Zijn woord was er niet minder om, en niet minder waardig om aangenomen te worden door hen, die Hem nog volgden, niet slechts als Hij uitging naar een woeste plaats, maar ook als Hij op een berg ging. Dáár zat Hij neer, zoals leraren in cathedra -op den leerstoel. Hij zat daar niet op Zijn gemak, niet in staatsie, maar wel als Een met gezag bekleed, bereid om verzoek of bede te ontvangen van hen, die tot Hem kwamen. Hij zat neer met Zijne discipelen. Hij verwaardigde zich hen bij Hem te laten neerzitten, ten einde hen te eren voor de schare, en hun een voorproef te geven van de heerlijkheid, waarin zij weldra met Hem gezeten zullen zijn. Er wordt van ons gezegd, dat wij mede gezet zijn in den hemel in Christus Jezus. Efeze 2:6.
4. Den tijd, wanneer het was. De eerste woorden: Na dezen, betekenen niet, dat dit onmiddellijk gevolgd is op hetgeen in het vorige hoofdstuk verhaald is, want het was geruimen tijd daarna, zij hebben slechts de betekenis van na verloop van tijd. Maar er wordt ons gezegd, dat het was, toen het Pascha nabij was, hetgeen hier opgetekend is:
a. Omdat dit wellicht al de apostelen van hun onderscheidene expedities terug had doen komen, waarop zij als reizende predikers waren uitgezonden, ten einde hun Meester te vergezellen naar Jeruzalem om het feest te houden.
b. Omdat het de gewoonte der Joden was de nadering van het pascha dertig dagen tevoren met enige plechtigheid te vieren, zo hebben zij er dan lang tevoren naar uitgezien, hebben met het oog daarop de wegen in orde gebracht, bruggen hersteld, zo dit nodig was, en over de inzetting van het Pascha met elkaar gesproken.
c. Omdat wellicht de nadering van het Pascha, toen iedereen wist, dat Christus zou opgaan naar Jeruzalem en dus enigen tijd afwezig zou zijn, de schare des te ijveriger tot Hem deed gaan. Het vooruitzicht van onze goede gelegenheden te verliezen om goeds voor onze ziel te ontvangen, behoort ons op te wekken om er een dubbel goed gebruik van te maken zolang wij ze hebben. En als plechtige feesten naderen, dan is het goed om er ons op te bereiden door op het woord van Christus te letten.
II. Het wonder zelf. En hiervoor hebben wij te letten op:
1. De notitie, die Christus nam van de scharen, die tot Hem waren gekomen, vers 5. Jezus dan de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam. Het waren ongetwijfeld arme, geringe lieden, want uit de zodanige bestaan gewoonlijk de volksmenigten, inzonderheid in zulke afgelegen hoeken des lands. Toch toonde Christus er behagen in te hebben, dat zij tot Hem gekomen waren, en was Hij bezorgd voor hun welzijn, om ons te leren ons neer te buigen tot de geringen, en zodanige niet bij de honden onzer kudde te stellen, die Christus bij de lammeren van Zijne kudde gesteld heeft. De zielen der armen zijn even dierbaar aan Christus en behoren ook ons even dierbaar te zijn als de zielen der rijken.
2. Het onderzoek door Hem ingesteld naar de wijze om in hun behoeften te voorzien. Hij richtte zich tot Filippus, die van den beginne Zijn discipel was geweest en al Zijne wonderen gezien had, inzonderheid het wonder van het veranderen van water in wijn, en dus kon men verwachten, dat hij zou zeggen: "Heere, indien het U behaagt, zult Gij hen allen gemakkelijk kunnen spijzigen". Zij die, evenals Israël, getuigen zijn geweest van Christus' werken en gedeeld hebben in het voordeel er van, zijn niet te verontschuldigen als zij zeggen: Zou God ene tafel kunnen toerichten in de woestijn? Filippus was van Bethsaïda, in de nabijheid van welke stad Christus zich nu bevond, en daarom zou hij hen het best aan mondvoorraad uit de eerste hand kunnen helpen, waarschijnlijk waren de meesten uit het gezelschap hem ook bekend, en was hij in zorge over hen. Nu vroeg Christus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten mogen?
a. Hij acht het een besliste zaak, dat zij allen met Hem moeten eten. Men zou zo denken, dat Hij, hen genezen en onderwezen hebbende, nu genoeg voor hen gedaan had, en dat zij nu veeleer hadden moeten overleggen, hoe Hem en Zijne discipelen te onthalen, want sommigen van hen waren waarschijnlijk rijk, en wij weten, dat Christus en Zijne discipelen arm waren, toch zorgt Hij er nu voor hen te onthalen. Zij, die Christus' geestelijke gaven willen aannemen, zullen, in plaats van er voor te betalen, er voor betaald worden. Hun zielen gevoed hebbende met het brood des levens, voedt Christus nu ook hun lichaam, om te tonen dat de Heere voor het lichaam is, en ons aan te moedigen tot bidden om ons dagelijks brood, en ons een voorbeeld te geven van medelijden met de armen, Jakobus 2:15, 16.
b. Zijne vraag is: Van waar zullen wij broden kopen? Zijne armoede in aanmerking genomen, zou men denken, dat Hij veeleer zou vragen: Van waar zullen wij geld hebben om brood voor hen te kopen? Maar Hij wil liever alles wat Hij heeft ten koste leggen dan hen gebrek te laten lijden. Hij wil kopen om te geven, en wij moeten arbeiden om te kunnen geven, Efeze 4:28.
3. Het doel van deze vraag, het was slechts om het geloof van Filippus op de proef te stellen, want Hij wist zelf wat Hij doen zou, vers 6. Onze Heere Jezus is nooit ten einde raad, hoe moeilijk het geval ook is, Hij weet wat Hij te doen heeft, Handelingen 15:18. Hij weet de gedachten, die Hij denkt over Zijn volk, Jeremia 29:11, en Hij verkeert nooit in het onzekere, als wij het niet weten, dan weet Hij zelf wat Hij doen zal.
b. Als Christus Zijn volk in onzekerheid laat ten opzichte van het een of het ander, dan is het Zijne bedoeling hen op de proef te stellen. De vraag bracht Filippus in verlegenheid, maar Christus stelde hem die vraag voor om hem te beproeven of hij zou zeggen: "Heere, indien Gij Uwe macht ten hunnen behoeve wilt aanwenden, dan behoeven wij geen brood te kopen."
4. Het antwoord van Filippus op deze vraag, Voor twee honderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, vers 7. " Meester, het dient nergens toe om te spreken van het kopen van brood voor dezen, want er is hier in den omtrek niet zoveel brood te krijgen, en wij hebben ook zoveel geld niet, vraag slechts aan Judas, die de beurs heeft". Twee honderd penningen van hun geld staat gelijk met ongeveer twee en zeventig gulden van het onze, en zo zij die som ineens uitgeven, dan hebben zij niets over en zullen zelven honger moeten lijden. Hugo de Groot berekent, dat voor twee honderd penningen nauwelijks genoeg zou zijn voor twee duizend mensen, maar Filippus wilde zo zuinig mogelijk doen, ieder slechts een weinig geven, en de natuur, zeggen wij, is met weinig tevreden. Let op die zwakheid van Filippus' geloof, dat hij, alsof de Heere van dat gezin een gewoon persoon was, in deze verlegenheid slechts op gewone wijze voorziening verwachtte. Christus zou thans tot hem hebben kunnen zeggen, wat Hij later tot hem gezegd heeft: Ben Ik zo langen tijd met u geweest, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Of, gelijk God tot Mozes in een zelfde geval gezegd heeft: zou dan des Heeren hand verkort zijn? Wij zijn maar al te geneigd Gods macht te mistrouwen, als de zichtbare en gewone middelen ontbreken, dat is: Hem niet verder te vertrouwen dan wij Hem zien kunnen.
5. Het bericht dat Christus ontving van een ander discipel betreffende den voorraad, dien zij hadden. Het was Andreas, hier aangeduid als de broeder van Simon Petrus, hoewel hij in het discipelschap ouder was dan Petrus, en het middel geweest is om Petrus tot Christus te brengen. Maar Petrus heeft hem later zo ver overtroffen, dat hij aangeduid wordt door zijne betrekking tot Petrus. Hij maakte Christus nu bekend met hetgeen zij bij zich hadden, en hierin kunnen wij zien:
b. De kracht zijner liefde voor hen, over wie hij zijn Meester bezorgd zag, daar hij bereid was alles te brengen wat zij hadden, hoewel hij niet wist of zij er later zelf geen gebrek aan zouden hebben, en iedereen zou gezegd hebben, dat men het eerst voor zich zelven moet zorgen. Hij heeft dien voorraad niet verborgen gehouden, onder voorgeven van er verstandiger mede om te gaan dan de Meester, maar eerlijk noemt hij Hem den gehelen voorraad. Hier is een jongsken, paidarion -een kleine knaap, die waarschuwing gewoon was het gezelschap te volgen, zoals zoetelaars een legerkamp volgen om levensmiddelen te verkopen, en de discipelen hadden wat hij bij zich had voor zich besteld, en het bestond uit vijf gerstebroden en twee visjes. Die provisie was grof en gewoon, gerstebroden. Kanaän was een land van tarwe, Deuteronomium 8:8, deszelfs inwoners werden gewoonlijk gespijsd met het vette der tarwe, Psalm 81:17, maar Christus en Zijne discipelen waren al blijde met gerstebrood. Hieruit volgt nu niet, dat wij altijd gehouden zijn zulk grof voedsel te nuttigen, en daar iets Godsdienstigs in te vinden. -Als God ons fijnere spijzen geeft, zo laat ons ze aannemen en er dankbaar voor zijn -maar wèl volgt hieruit, dat wij geen smakelijke spijzen moeten begeren, Spreuken 23:3, niet moeten murmureren als wij ons met grof voedsel moeten behelpen, maar er tevreden en dankbaar voor moeten zijn, het was gerstebrood, dat Christus had, en het is beter dan wij verdienen. Laat ons ook de geringe spijzen der armen niet minachten, gedenkende dat Christus er zich mede vergenoegd heeft. Die voorraad was gering en ontoereikend, er waren slechts vijf broden, en die waren zo klein, dat een jongske ze kon dragen, en wij bevinden, dat twintig gerstebroden met nog andere eetwaren ter aanvulling, niet voldoende waren om zonder wonder voor honderd mensen een middagmaal op te leveren, 2 Koningen 4:42, 43. Er waren slechts twee visjes (duo opsaria) zo klein, dat een er van slechts een brokje was. Ik houd het er voor dat die visjes gezouten waren, want zij hadden geen vuur om ze te bereiden. De voorraad van brood was klein, maar de voorraad van vis was naar verhouding nog kleiner, zodat menige bete droog broods genuttigd moest worden, eer men er een maaltijd van had, maar zij waren er tevreden mede. Brood is spijs voor onzen honger, maar van hen, die murmureerden om vlees, wordt gezegd: zij begeerden spijze naar hun lust, Psalm 78:18. Andreas was gewillig dat die voorraad aan het volk gegeven zou worden, voor zover hij dan strekte. Een mistrouwende vrees van zelf gebrek te zullen hebben moet ons niet weerhouden in onze liefdadigheid aan anderen. b, Zie de zwakheid van zijn geloof in dat woord: Wat zijn deze onder zo velen? Dit aan te bieden aan zo groot een menigte mensen is ene bespotting. Filippus en hij hadden het wezenlijke besef niet van Christus' macht (waarvan zij toch zo rijke ervaring hadden) dat zij behoorden te hebben. Wie heeft het leger van Israël gevoed in de woestijn? Hij, die door een enig man duizend kon jagen, kon ook met een enkel brood duizend mensen voeden.
6. Christus' orders aan de discipelen om de gasten te doen neerzitten, vers 10:"Doet de mensen neerzitten, al is het ook, dat gij niets hebt om hen voor te zetten, en laat dat aan Mij over." Dat was als een kopen zonder geld, maar Christus wilde hiermede hun gehoorzaamheid op de proef stellen. Let nu:
a. Op het ameublement van de eetzaal: Er was veel gras in die plaats, hoewel het een woeste plaats was. Zie hoe milddadig de natuur is, zij "doet het gras op de bergen uitspruiten, Psalm 147:8. Dat gras werd niet gegeten, God geeft niet slechts genoeg, maar meer dan genoeg. Hier was dit overvloedige gras op de plaats waar Christus predikte, het Evangelie brengt nog andere zegeningen met zich: De aarde geeft haar gewas, Psalm 67:7. Dit overvloedige gras maakte de plaats geriefelijk voor hen, die op den grond moesten zitten, en diende hen tot kussens, of bedden, zoals die waarop zij aanzaten aan den maaltijd, Esther 1:6, en, in aanmerking genomen wat Christus zegt van het gras des velds, Mattheus 6:29, 30, waren die bedden voortreffelijker dan die van Ahasveros, de pracht der natuur is het heerlijkst. b. Het aantal der gasten: Omtrent vijf duizend, een groot feestmaal, voorstellende het Evangelie, dat een feestmaal is voor alle volken, Jesaja 25:6, een feestmaal voor allen, die komen.
7. De uitdeling, vers 11. Merk op:
a. Dat zij geschiedde met dankzegging. Wij behoren Gode dank te zeggen voor ons voedsel, want het is een zegen om het te hebben, en wij hebben het uit de hand van God en moeten het ontvangen met dankzegging, 1 Timotheus 4:4, 5. En dat is het lieflijke in onze tijdelijke zegeningen, dat zij ons de stof aanbieden voor en de gelegenheid geven tot dien heerlijken plicht der dankzegging. Hoewel onze levensmiddelen grof en schaars zijn, behoren wij God toch te danken voor hetgeen wij hebben.
b. Het werd uitgedeeld uit de hand van Christus door de handen der discipelen, vers 11. Al onze gerieflijkheden komen oorspronkelijk uit de hand van Christus tot ons, wie ze ook tot ons moge brengen, Hij is het, die ze ons zendt, Hij deelt uit aan hen, die uitdelen aan ons. Voor de uitdeling van het brood des levens aan hen, die Hem volgen, behaagt het Hem gebruik te maken van Zijne discipelen, zij zijn de dienaren aan Christus' tafel, of liever Zijne huisbezorgers, om aan ieder ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven.
c. Het geschiedde tot algemene voldoening. Zij hebben ieder niet een weinig genomen, neen, allen hadden zij zoveel zij wilden, zij waren niet op rantsoen gesteld, maar hadden een vollen maaltijd, en in aanmerking genomen hoe lang zij gevast hadden, met welk een eetlust zij dus aanzaten, hoe aangenaam dit wonderdadige voedsel geweest kan zijn, meer aangenaam dan gewoon voedsel, was het niet weinig, waaraan zij genoeg hadden, toen zij vrij van alle onkosten zoveel aten als zij wilden. Christus is niet karig voor hen, die Hij voedt met het brood des levens, Psalm 81:11. Er waren slechts twee visjes, en toch hadden zij er van zoveel zij wilden. Hij heeft die niet bewaard voor de aanzienlijker gasten onder hen, en de armen slechts met droog brood weggezonden, neen, Hij heeft allen gelijkelijk onthaald, want zij waren allen even welkom. Zij, die het zich voeden met vis vasten noemen, doen smaadheid aan Christus' feestmaal hier, dat een volkomen maaltijd was.
8. De zorg, die gedragen werd voor de resten.
a. Christus' orders hiervoor, vers 12.
Als zij verzadigd waren, en ieder het merkbare getuigenis in zich had van de waarheid van het wonder, zei Christus tot de discipelen, de dienaren, die Hij gebruikte: Vergadert de overgeschoten brokken. Wij moeten altijd zorg dragen om geen van Gods goede gaven te verspillen, want hoewel zij ons ruim en ten volle zijn toebedeeld, is het toch onder de voorwaarde, dat er geen moedwillige verkwisting zij. De Joden waren zeer nauwgezet om geen brood teloor te laten gaan, het niet op den grond te laten vallen of het te vertreden. "Wie brood veracht, valt in den afgrond der armoede," was een spreekwoord onder hen. Hoewel Christus nieuwen voorraad kon gebieden telkenmale als het Hem behaagde, wilde Hij toch, dat de overgeschoten brokken vergaderd zouden worden. Als wij verzadigd zijn, moeten wij ons herinneren, dat er anderen zijn, die gebrek lijden, en ook wij zelven kunnen er nog toe komen gebrek te moeten lijden. Zij, die het vermogen willen hebben om liefdadigheid te beoefenen, moeten zuinig en zorgzaam zijn. Indien deze overgeschoten brokken van het brood op het gras waren blijven liggen, dan zouden de dieren en de vogelen er op af zijn gekomen, maar voedsel, dat geschikt is voor den mens, gaat teloor als men het voor de dieren overlaat. Christus heeft dit bevel om de overgeschoten brokken te vergaderen niet gegeven, voordat allen verzadigd waren, wij moeten niet beginnen te sparen en te bewaren, voordat alles uitgegeven is wat r aar behoren is, want dat is een meer dan betamelijk terughouden. Ds. Baxter merkt hier aan: "Hoe veel te minder behoren wij dan Gods Woord. of hulpmiddelen, of onzen tijd, of andere dergelijke grote zegeningen teloor te laten te gaan!"
b. Het opvolgen van deze orders, vers 13, Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken, hetgeen een bewijs was, niet slechts van de waarheid van het wonder, dat zij gevoed waren, niet met verbeelding, maar met werkelijke spijze (getuigen de resten) maar van de grootheid er van, zij waren niet slechts verzadigd, maar dit alles was nog overgebleven. Zie hoe ruim de Goddelijke milddadigheid is, zij vult niet slechts den beker, zij doet hem overvloeien, brood genoeg, ja overvloed van brood, in het huis onzes Vaders. De brokken vulden twaalf korven, een voor iedere discipel, aldus werden zij met interest betaald voor hun bereidwilligheid om hetgeen zij hadden af te staan voor den algemenen, of openbaren dienst, zie 2 Kronieken 31:10. De Joden stellen het zich ten wet, om, als zij een maaltijd gebruikt hebben, een stuk brood op tafel te laten, waarop de zegen der dankzegging na den maaltijd kan rusten, want het is een vloek over den goddeloze, dat er niets overig zal zijn, dat hij ete, Job 20:21.
III. Wij zien hier den invloed, dien dit wonder had op hen, die er de weldaad van genoten hebben, vers 14:zij zeiden: Deze is waarlijk de profeet. Zelfs de Joden uit de gans gewone volksklasse verwachtten, dat de Messias in de wereld komen zou, en dat Hij een groot profeet zou zijn. Zij spraken hier met stelligheid van Zijne komst. De Farizeeën verachtten hen, als niet wetende de wet, maar zij schijnen toch meer geweten te hebben van Hem, die het einde der wet is, dan de Farizeeën. De wonderen door Christus gewrocht hebben klaarlijk bewezen, dat Hij de beloofde Messias was, een leraar van God gekomen, de grote profeet, en het kon niet anders of zij moesten aan de verbaasde aanschouwers er van de overtuiging geven, dat Hij het was, die komen zou. Er waren velen, die de overtuiging hadden, dat Hij de profeet was, die in de wereld komen zou, maar toch Zijne leer niet van harte aannamen, want zij hebben er niet in volhard. Er is in de vermogens van verdorven, ongeheiligde zielen zulk een gebrek aan samenhang en consequentie, dat het voor de mensen mogelijk is Christus als den profeet te erkennen, die komen zou, terwijl zij Hem toch geen gehoor geven.