Johannes 6:15-21
Hier zien wij, hoe Christus zich terugtrok van de scharen.
1. Let op hetgeen Hem bewoog om zich terug te trekken: het was omdat Hij bemerkte, dat zij, die Hem erkenden als den profeet, die komen zou, zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem koning maakten, vers 15. Nu hebben wij hier een voorbeeld:
a. Van den ongeregelden ijver van sommigen van Christus' volgelingen, zij willen niets minder dan Hem koning maken. Dit nu was een daad van ijver voor de eer van Christus, en tegen de minachting, die de heersende partij in de Joodse kerk Hem betoonde. Het deed hun leed om zo groot een weldoener der wereld er zo weinig in geëerd te zien, en dewijl dus de koningstitel als de hoogste ere beschouwd werd, wilden zij Hem koning maken, wetende, dat de Messias koning moest zijn, en indien Hij een profeet was gelijk Mozes, dan moest Hij ook een soevereine vorst en wetgever zijn. En zo zij Hem niet op den heiligen berg Zion tot die waardigheid kunnen verheffen, dan zullen zij zich voorlopig met een berg in Galilea tevreden stellen. Zij, die door Christus met de koninklijke keurspijzen des hemels gevoed werden, behoren, uit dankbaarheid voor dit gunstbetoon, Hem tot hun koning te maken, Hem op den troon te plaatsen van hun hart, laat Hem, die ons gespijzigd heeft, over ons heersen. Maar het was een ongeregelde ijver, want, Ten eerste. Hij was gegrond op ene dwaling betreffende den aard van Christus' koninkrijk, alsof dit koninkrijk van deze wereld zou zijn en Hij in uitwendige pracht moest verschijnen, ene kroon op Zijn hoofd, en een leger aan Zijne voeten, zulk een koning, als zij Hem maken wilden, hetgeen een even sterke verkleining was van Zijne heerlijkheid, als om goud te vernissen of een robijn te beschilderen. Juiste denkbeelden omtrent Christus' koninkrijk zullen ons bij de rechte methoden doen blijven om het te bevorderen. Ten tweede. Die ijver werd opgewekt door liefde tot het vlees, zij wilden Hem tot hun koning maken, die hen, zonder dat zij er voor behoefden te werken, zo overvloedig kon spijzigen, hen kon verlossen van den vloek om hun brood in het zweet huns aanschijns te moeten eten. Ten derde. Het was om een werelds doeleinde te bevorderen, zij hoopten, dat dit een schone gelegenheid zou zijn om het Romeinse juk, dat zij zo moede waren, af te schudden, als zij iemand aan hun hoofd hadden, die een leger goedkoper van levensmiddelen kon voorzien, dan een ander een gewoon huisgezin. Zij waren verzekerd van de zenuw van den oorlog, hen kon niet falen, zij moesten voorspoed hebben en hun aloude vrijheden herwinnen. Aldus wordt de Godsdienst dikwijls onteerd om voor wereldse belangen te dienen. "Jezus wordt gemeenlijk gezocht, niet om Zijnentwil, maar voor iets anders", zegt Augustinus. Ja meer, het was, ten vierde, een woelig, oproerig pogen, een verstoren van den openbaren vrede, het land zou er een toneel des oorlogs door worden, en blootgesteld aan den toorn der Romeinen. Ten vijfde. Het was tegen den zin en het bedoelen van den Heere Jezus zelven, want zij wilden Hem nemen met geweld, of Hij er al of niet in bewilligde. Zij, die Christus ene eer opdringen, die Hij van hun hand niet begeerd heeft, mishagen Hem en doen Hem de grootste oneer aan. Zij, die zeggen: Ik ben van Christus in oppositie tegen hen, die van Apollos en Cefas zijn (Christus dus tot een partijhoofd maken) nemen Hem met geweld, om Hem tegen Zijn zin tot koning te maken.
b. Wij hebben hier een voorbeeld van den ootmoed en de zelfverloochening van den Heere Jezus, toen zij Hem koning wilden maken, ontweek Hij. Wel verre van dit plan te ondersteunen, heeft Hij het verijdeld. Hierin heeft Hij een getuigenis nagelaten: a. tegen het streven naar wereldse eer, waarvoor Hij volkomen onvatbaar was, en Hij wil dat ook wij voor zodanige eerzucht als dood zullen zijn. Indien zij gekomen waren om Hem met geweld tot een gevangene te maken, Hij zou hen met niet meer ijver hebben kunnen ontwijken, dan nu zij Hem koning wilden maken. Laat ons dan niet begeren de afgod te zijn der menigte, of naar ijdele eer verlangen. b. Tegen partijzucht en oproer, verraad en muiterij, en alles wat st rekt om den landsvrede te verstoren. Hieruit blijkt, dat Hij geen vijand was van den keizer, en ook niet gewild heeft dat Zijne volgelingen dit zijn zouden, integendeel, zij moeten "de stillen in het land zijn". Hij wil, dat Zijne dienstknechten alles afwijzen wat naar muiterij zweemt, en dat zij hun invloed alleen ten gunste van hun werk zullen aanwenden.
2. Merk op werwaarts Hij zich terugtrok: Hij ontweek wederom op den berg -eis to oros, den berg, waar Hij gepredikt had, vers 3, van waar Hij was neergekomen in de vlakte om het volk te spijzigen, en toen keerde Hij er alleen terug om in afzondering te zijn. Hoewel Christus zo nuttig was in het voorste der woelingen, wilde Hij soms toch alleen zijn, om ons te leren ons nu en dan af te zonderen van de wereld, ten einde des te vrijer gemeenschap te oefenen met God en onze eigen ziel: "en", zegt de ernstige Christen, "men is nooit minder alleen. dan wanneer men alleen is." De openbare diensten moeten de oefeningen der Godsvrucht in de eenzaamheid niet verdringen.
II. Wij hebben nu den nood der discipelen op zee. Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op de grote wateren, die zien de werken des Heeren. Als Hij spreekt, doet Hij een stormwind opstaan, Psalm 107:23, 24. Pas dit toe op deze discipelen.
1. Hun afgaan naar de zee in een schip, vers 16, 17. Als het avond geworden was, en zij hun dagwerk volbracht hadden, was het tijd om den blik naar huis te richten, en daarom gingen zij aan boord en zetten koers naar Kapernaum. Zij deden dit op bijzondere aanwijzing van hun Meester, met de bedoeling (schijnt het wel) om hen uit weg te krijgen van de verzoeking om steun te bieden aan hen, die Hem koning wilden maken.
2. Hier is de storm, die opkwam en het woord Gods vervulde. Zij waren discipelen van Christus, en bevonden zich op den weg des plichts. Christus was op den berg en bad voor hen, en toch waren zij nu in nood. De gevaren en beproevingen van dezen tegenwoordigen tijd kunnen zeer wel samengaan met ons deel hebben aan Christus en Zijne voorbede. Zij waren kortelings onthaald aan Christus' tafel, maar na den zonneschijn van lieflijkheid en vertroosting is storm te verwachten.
a. Het was alrede duister geworden, waardoor de storm nog gevaarlijker werd. Soms zijn Gods kinderen in benauwdheid, en kunnen den weg niet zien om er uit te geraken: in het duister ten opzichte van de oorzaak hunner benauwdheid, het doel en de strekking er van, en wat het einde er van zal wezen.
b. Jezus was tot hen niet gekomen. Toen zij in den storm waren, waarvan wij lezen in Mattheus 8:23 en verder. was Jezus met hen, maar nu had hun welbeminde zich onttrokken en was weggegaan. De afwezigheid van Christus is het, die de benauwdheden der Christenen zo zeer verzwaart.
c. De zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide. Het weer was kalm en fraai toen zij in zee staken (zij waren niet zo vermetel om in een storm onder zeil te gaan), maar de storm stak op toen zij op zee waren. In tijden van kalmte en rust moeten wij ons voorbereiden op onrust en beroering, want die kan komen als wij er het minst op verdacht zijn. Laat het de Godvruchtigen vertroosten, als zij in een storm op zee zijn, dat Christus' discipelen het ook waren, en laat de beloften van onzen goedertieren God een tegenwicht wezen voor de bedreigingen van een onstuimige, toornige zee. Al zijn zij ook in een storm en in het duister, zijn zij er toch niet erger aan toe dan Christus' discipelen geweest zijn. Wolken en donkerheid kunnen soms rondom de kinderen des lichts en des dags zijn.
3. Wij hebben nu Christus' tijdige nadering, toen zij zich in dat gevaar bevonden, vers 19.
Zij hadden geroeid (door den tegenwind waren zij genoodzaakt de roeiriemen te gebruiken), omtrent vijf en twintig of dertig stadiën. De Heilige Geest, die dit verhaal heeft ingegeven, zou met juistheid het getal der stadiën hebben kunnen opgeven, daar dit echter slechts een bijkomende omstandigheid is, werd zij overgelaten aan de gissing van den schrijver. En toen zij nu een goed eind op zee waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee. Zie hier:
a. Christus' macht over de wetten der natuur, om ze naar Zijn welbehagen te beheersen of te doen ophouden. Het is natuurlijk, dat zware lichamen in het water zinken, maar Christus wandelde op het water als op droog land, hetgeen groter was dan Mozes' klieven van het water en er door heen te wandelen.
b. Christus' zorg over Zijne discipelen in den nood: Hij kwam bij het schip, want daarvoor wandelde Hij op het water, zoals Hij op den hemel vaart tot hulp Zijns volks, Deuteronomium 33:26. Hij zal hen niet zonder troost laten, als Hij ziet, dat zij door onweder voortgedreven, ongetroost zijn. Als zij, gelijk Johannes, verbannen zijn naar afgelegen oorden, of-gelijk Paulus en Silas-opgesloten in ene gevangenis, dan zal Hij toch toegang tot hen vinden en nabij hen zijn.
c. De vertroosting, die Christus' Zijn discipelen geeft in hun vreze. Zij werden bevreesd, meer bevreesd voor een spooksel (want zij dachten een spooksel te zien) dan voor den wind en de golven. Het is schrikkelijker om met de oversten der duisternis te worstelen dan met een stormachtige zee. Toen zij dachten een demon te zien, die wellicht den storm had verwekt, waren zij meer verschrikt dan zij waren toen zij niets zagen dan hetgeen natuurlijk was. Onze werkelijke gevaren worden dikwijls zeer verzwaard door onze ingebeelde gevaren, de schepselen onzer eigen verbeelding. Zelfs de naderingen van troost en uitredding worden dikwijls zo verkeerd begrepen en uitgelegd, dat zij de aanleiding worden van vrees en verwarring. Dikwijls zijn wij niet slechts meer geschrikt dan gedeerd, maar soms het meest verschrikt als wij op het punt staan van geholpen te worden. Maar hoe liefderijk heeft Christus hun vrees tot bedaren gebracht door dat woord van medelijden en ontferming, vers 20:Ik ben het, zijt niet bevreesd. Niets is krachtiger om zondaren tot overtuiging te brengen dan dat woord: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt, en niets is krachtiger om de heiligen te vertroosten dan dat woord: "Ik ben Jezus, dien gij liefhebt, Ik ben het, die u liefheb, en het goede voor u wil, zijt niet bevreesd voor Mij, noch voor den storm." Als benauwdheid nabij is, dan is Christus nabij.
4. Hun spoedige aankomst aan de haven hunner bestemming, vers 17.
a. Zij heetten Christus welkom in het schip, zij hebben Hem gewilliglijk in het schip genomen. Als Christus zich voor een wijle verwijdert, dan is dit om zich des te meer dierbaar te doen zijn bij Zijne terugkomst aan Zijne discipelen, die Zijne tegenwoordigheid waarderen boven alles, Hooglied 3:4. b. Christus bracht hen veilig naar de kust: terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren. Het schip der kerk, waarin Christus' discipelen zich met alles wat zij hebben, hebben ingescheept, kan wel zeer heen en weer worden geslingerd, en in grote benauwdheid zijn, toch zal het ten laatste veilig de haven binnenlopen, geslingerd op zee, maar niet verongelukt, neergeworpen, doch niet verdorven, de braambos brandende, doch niet verteerd. De macht en de tegenwoordigheid van den Koning der kerk zal hare verlossing bespoedigen en gemakkelijk maken, en de moeilijkheid overwinnen, waarvoor de bekwaamheid en den ijver van al haar andere vrienden tekortschoten. De discipelen hadden hard geroeid, maar konden toch niet hun doel bereiken, voordat Christus in het schip was, en toen was het werk plotseling volbracht. Als wij Christus Jezus, den Heere, hebben aangenomen, Hem gewilliglijk hebben aangenomen, kunnen wij, hoewel de nacht duister en de wind stormachtig is, ons toch hiermede vertroosten, dat wij weldra aan de kust zullen zijn, en er zelfs dichter bij zijn dan wij denken. Menige twijfelende, bekommerde ziel wordt door een lieflijke verrassing naar den hemel overgebracht, eer zij het weet.