11. Simon Petrus ging ook nu weer de anderen voor, die bereidwillig hem volgden (
Vers 3). Hij ging op het schip en trok het net op het land; zoals men het nu nader kon opmerken, was het net vol grote vissen en wel zoals men bij een nauwkeurige telling opmaakte, tot honderddrieëenvijftig; en hoewel er zoveel waren, scheurde het net niet.
Petrus moest eerst in het schip gaan, om het net los te maken, dat daaraan was bevestigd. Hij verrichtte vervolgens het werk van het aan land trekken van het net en het tellen van de vissen zeker niet alleen, maar hij was de hoofdpersoon en van zijn werkzaamheid wordt alleen melding gemaakt, omdat hij het middelpunt was bij de geestelijke visserij, die hier wordt afgebeeld. Petrus was de oorzaak van het vissen. Hij kent hetgeen door Jezus tussenkomst de discipelen bejegent voornamelijk zichzelf toe en nu ziet hij hier, terwijl alles hem herinnert aan de vorige wonderbare visvangst en de betekenis daarvan, wat hij weer in zijn vorige staat is geplaatst. Daarom neemt hij, nadat hij eerst om de Gever de gave heeft verlaten, bij het ontvangen daarvan, het grootste deel van de arbeid op zich.
De nauwkeurige opgaaf van het getal van de vissen heeft iets opmerkelijks; men heeft daarom velerlei willekeurige verklaringen beproefd. De nadruk ligt echter niet op het getal, maar daarop, dat ondanks zoveel grote vissen (en men had er vermaak in ze te tellen) het net toch niet scheurde. Ook hierin ziet de evangelist een wonderbare werking van Jezus. In Lukas 5:6 begon het net reeds te scheuren; daar moest het grote van de vangst op de voorgrond worden geplaatst. Op onze plaats moet daarentegen niet zozeer de grote omvang en het gevolg van het apostolische werk, als wel de wonderbare nabijheid en hulp van de Opgestane bij zodanig beroepswerk worden op de voorgrond gesteld - wat de Heere aan Zijn dienaren schenkt, moet voor hen niet verloren gaan.
In het getal vissen, zo nauwkeurig berekend, vinden wij aangewezen het getal van degenen, die door de prediking voor het rijk van God zijn gewonnen en dat eerst aan het einde zal worden geteld (Romeinen 11:25. Openbaring 7:4, ; 9, ); het net dat niet scheurt en zich hierdoor op in het ooglopende manier van de vorige visvangst onderscheidt, is minder een voorbeeld van blijvende eenheid voor de gehele tijd van de kerk, (voor deze is meer een werkelijk scheuren in het uitwendige door Lukas 5:6 voor afgebeeld en het heeft reeds onder apostolische handen plaats gehad 1 Corinthiërs 1:11; 11:19) dan een voorspelling, die op de toekomst ziet, voor de beste, heerlijke openbaring van het nog niet gescheurde net.
Met de vermelding van de bijzonderheid, dat het net, ofschoon zo overmatig beladen, nochtans niet scheurde, wijst hij ons terug naar de wonderbare visvangst bij gelegenheid van de eerste roeping van Petrus door de Heere tot het apostelschap. (Lukas 5). Toen was de Heere op het schip en nochtans scheurde het net. Vanwaar dit verschil? Had het geen reden? U voelt, dat is onmogelijk. Wij hebben hier met goddelijke dingen te doen en deze hebben geen andere dan de hoogste redenen. De opstanding van de Heere had geen grote verandering in de manier van de openbaring van geheel het Koninkrijk van God teweeg gebracht; wat vroeger nog onbeslist was, was nu beslist; wat vroeger onvolmaakt was, was nu volmaakt; wat vroeger beweeglijk was als de zee, was nu vast geworden als de oever. U herinnert u, dat de Heere verbood niet alleen Zijn heerlijkheid op de Thabor, maar ook de belijdenis dat Hij de Christus was, bekend te maken, alvorens Hij van de dood was opgestaan. De Heere wilde Zich niet ten volle kenbaar gemaakt hebben, vóór Hij Zich ten volle geopenbaard had. Zolang de apostelen zich niet op de opstanding van de Heere konden beroepen was hun getuigenis onvolledig en onvoldoende. Het lijden en sterven en de opstanding van de Heere waren volstrekt nodig, om aan alle volken te kunnen prediken: bekering en vergeving van de zonden (Lukas 24:46 v. ). De opstanding van de Heere was gebeurd, zo is nu alles volledig, volstrekt volmaakt en onbewegelijk vast geworden. De opgestane Christus sterft niet meer, maar leeft nu voor God voor eeuwig. En zoals Hij zelf was, zo is ook geheel Zijn Koninkrijk. 12. Jezus zei tot hen, toen zij nu van hun vangst hadden gebracht bij hetgeen Hij reeds bereid had (Vers 9) en alles gereed was: Komt hierheen, houdt het vroege middagmaal, het ontbijt 26:20"). En niemand van de discipelen, die op dit woord zich rondom het vuur plaatsten, durfde Hem vragen: Wie bent Gij. Niemand waagde het ("Romeinen 5:7") om onderzoekende vragen tot Hem te richten vanwege het bijzondere van Zijnuitwendige openbaring, waarin Hij nu tegenover hen stond en waarin zij Hem vroeger ook niet dadelijk hadden herkend (Vers 4. Markus 16:12). Zij durfden dat niet, wetend dat het de Heere was; daarom wachtten zij zich om Hem met dergelijke onbescheiden vragen lastig te vallen (Mattheus 28:17).
Met deze woorden wordt de gelovige uitgenodigd om een heilige gemeenschap met Jezus te oefenen. "Houdt het middagmaal" veronderstelt dezelfde tafel en dezelfde voedsel: ja soms wordt daarmee gemeend aan de kant van de Heiland neer te zitten en het hoofd op Zijn boezem te laten rusten. Deze woorden brengen ons in het huis van de vreugde, waar de banier van de verlossende liefde wappert. Zij geven ons een voorsmaak van de vereniging met Jezus, omdat het enige voedsel, dat wij kunnen genieten, wanneer wij het middagmaal met Jezus houden, is: Jezus zelf. O wat een vereniging is deze! Ons zo met Jezus te voeden is een verborgenheid, die door het verstand niet gepeild kan worden. "Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. " Het is ook een uitnodiging om de gemeenschap van de heiligen te genieten. Christenen mogen op allerlei punten verschillen, maar zij hebben allen dezelfde geestelijke honger: en als wij niet allen hetzelfde voelen, dan kunnen wij ons allen voeden met hetzelfde brood van het leven, dat uit de hemel neergedaald is. Aan de tafel van de gemeenschapsoefening met Jezus is het één brood en één drinkbeker. Wanneer de drinkbeker van de liefde rondgaat, verenigen wij ons daarbij onderling van hart. Kom nader tot Jezus en u zult bevinden, dat u U meer en meer verenigt met hen, die, zoals u, aan het hemelse manna deel hebben. Als wij nader bij Jezus stonden, zouden wij nader bij elkaar zijn. Wij zien ook in deze woorden de bron van kracht voor elke Christen. Op Christus te zien is het leven, maar de kracht om Hem te dienen ontvangt u eerst, wanneer u "komt en het middagmaal houdt. " Wij gaan gebukt onder veel onnodige zwakheid, omdat wij dit gebod van de Meester veronachtzamen. Wij moeten ons voeden met het merg en de vettigheid van het evangelie, opdat we daardoor kracht verzamelen en elke kracht ten volle in de dienst van onze Meester bestreden. Als u zo de werkelijkheid wilt kennen van de nabijheid van Jezus, van de vereniging met Jezus, van de liefde tot Zijn volk en van de kracht, die van Hem afdaalt, kom en houd dan door het geloof het middagmaal met Jezus.