Johannes 14:25-27
Het zijn twee dingen, waarmee Christus hier Zijne discipelen vertroost:
I. Dat zij het onderwijs Zijns Geestes zullen hebben, vers 25, 26, waarbij wij kunnen opmerken:
1. Dat Christus hen wil doen nadenken over het onderwijs, dat Hij hun gegeven had: Deze dingen heb Ik tot u gesproken (hen verwijzende naar al de goede lessen, die Hij hun gegeven had, sedert zij als leerlingen in Zijne school waren gekomen) bij u blijvende. Dit geeft te kennen:
a. Dat Hij niet herriep hetgeen Hij hun gezegd had, maar het bevestigde en bekrachtigde, er bij bleef. Wat Hij gezegd had, had Hij gezegd, en Hij hield er zich aan.
b. Dat Hij Zijn lichamelijke tegenwoordigheid bij hen ten uiterste benuttigd heeft: "Zo lang Ik met hen was, heb Ik geen tijd laten verloren gaan." Als onze leraren van ons weggenomen worden, dan behoren wij te gedenken aan hetgeen zij gezegd hebben, toen zij nog bij ons waren.
2. De aanmoediging, hun gegeven, om een anderen Leraar te verwachten, en dat Christus een middel zou weten, om ook na Zijn heengaan tot hen te spreken, vers 26. Tevoren had Hij hun gezegd, dat de Vader hun een anderen Trooster zou geven, vers. 16, en hier komt Hij er nogmaals op terug, want gelijk de belofte van den Messias geweest is, zo was thans die van den Geest: de vertroosting Israël's. En voorts spreekt Hij hun hier nog van twee dingen met betrekking tot het zenden van den Heiligen Geest:
a. Van wiens wege Hij gezonden zou worden. "De Vader zal Hem zenden in Mijn naam", "op Mijn bijzonder verzoek", of "als Mijn Vertegenwoordiger". Hij is in Zijns Vaders naam gekomen als Zijn Gezant, de Geest komt in Zijn naam, om in Zijne afwezigheid Zijn werk voort te zetten, en de dingen tot rijpheid te brengen voor Zijne wederkomst. Vandaar, dat Hij de Geest van Christus wordt genoemd, want Hij bepleit Zijne zaak en doet Zijn werk.
b. Tot welk doel Hij wordt gezonden. Hij zal twee dingen doen: Hij zal u alles leren, als een Geest der wijsheid en der openbaring. Christus was een Leraar voor Zijne discipelen. Als Hij hen, nu zij nog zo weinig vorderingen hebben gemaakt, verlaat, wat zal er dan van hen worden? De Geest zal hen leren, zal hun blijvende Leermeester zijn. Hij zal hen alles leren wat hun nodig is om zelven te weten en om anderen te leren. Want zij, die de dingen Gods willen onderwijzen, moeten zelven van God geleerd zijn, en dat is het werk des Geestes. Zie Jesaja 59:21. Hij zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb. Menige goede les, die Christus hen geleerd had, hadden zij vergeten, en moesten zij zich nu zoeken te herinneren, als zij ze nodig hadden. Er waren vele dingen, waarvan zij gene herinnering meer hadden, omdat zij de betekenis er van niet recht hadden begrepen. De Geest zal hen geen nieuw Evangelie leren, maar hun te binnen brengen wat zij geleerd hadden, door hen in het rechte verstand er van in te leiden. De apostelen zullen allen moeten prediken, en sommigen van hen moeten schrijven de dingen, die Jezus gedaan en geleerd heeft, om ze aan ver verwijderde volken en toekomende geslachten over te brengen. Indien zij hiervoor aan zich zelven waren overgelaten, dan zouden sommige noodzakelijke dingen vergeten hebben kunnen worden, of verkeerd voorgesteld, vanwege het onbetrouwbare van hun geheugen, daarom is de Geest beloofd om hen instaat te stellen naar waarheid de dingen te verhalen en te boek te stellen, die Christus hun gezegd had. Aan al de heiligen wordt de Geest geschonken om hun de dingen in de gedachtenis te brengen, en door geloof en gebed moeten wij wat wij horen en weten aan Zijne bewaring toevertrouwen.
II. Dat zij onder den invloed zouden zijn van Zijn vrede, vers 27:Vrede laat Ik u. Toen Christus op het punt stond van de wereld te verlaten, heeft Hij Zijn testament gemaakt. Zijne ziel gaf Hij over aan Zijn Vader, Zijn lichaam vermaakte Hij aan Jozef om behoorlijk begraven te worden, Zijne klederen vielen den krijgsknechten ten deel, Zijne moeder liet Hij over aan de zorg van Johannes. Maar wat zal Hij nu Zijn armen discipelen nalaten, die alles hadden verlaten voor Hem? Zilver en goud had Hij niet, maar Hij liet hun wat oneindig beter was: Zijn vrede. "Ik verlaat u, maar Ik laat u Mijn vrede. Ik geef er u niet alleen recht en aanspraak op, maar stel er u in het bezit van." Hij is niet in toorn van hen gescheiden, maar in liefde, want dit was Zijn vaarwel: Vrede laat Ik u, zoals een stervende vader een deel nalaat aan zijne kinderen, en dit is een waardig deel. Merk op:
1. Het legaat. dat hier vermaakt wordt.
Vrede, Mijn vrede. Vrede is genomen, of gebezigd, voor alle goed, en Christus heeft ons alle nodige goed nagelaten, al wat wezenlijk en waarlijk goed is, al het verkregen en beloofde goed. Vrede wordt genomen voor verzoening en liefde, de nagelaten vrede is vrede met God, vrede met elkaar, inzonderheid schijnt bedoeld: vrede in uw eigen gemoed, een kalmte van geest, voortvloeiende uit de bewustheid van onze rechtvaardigmaking voor God. Het is het tegenbeeld van onze vergeving en onze gemoedsrust. Dit noemt Christus hier Zijn vrede, want Hij zelf is onze vrede, Efeze 2:14. Het is de vrede, dien Hij voor ons verkregen en ons gepredikt heeft, en waarmee de engelen bij Zijne geboorte den mensen heil hebben gewenst, Lukas 2:14.
2. Aan wie dit legaat vermaakt werd. "Aan u, Mijne discipelen en volgelingen, die blootgesteld zult zijn aan beroering en onrust, en vrede nodig hebt, aan u, die kinderen des vredes zijt, en bevoegd zijt hem te ontvangen". Dit legaat was hun als vertegenwoordigers der kerk vermaakt, hun en hunnen opvolgers, hun en allen waren Christenen in alle eeuwen.
3. Op wat wijze hij gelaten is: Niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Dat is:
a. "Ik begroet u niet met Vrede zij u, neen, het is geen blote vorm, maar een wezenlijke zegen.
b. "De vrede, dien Ik geef, is van zulk een aard, dat de goedkeurende, vriendelijke blikken van de wereld hem niet geven, en de dreigende, afkeurende blikken der wereld hem niet ontnemen kunnen". Of:
c. "De gaven, die Ik u schenk, zijn niet zoals de wereld ze aan hare kinderen en volgelingen schenkt". De gaven der wereld zijn alleen voor het lichaam en voor den tijd, Christus' gaven verrijken de ziel voor de eeuwigheid, de wereld geeft valse ijdelheid en hetgeen ons zal bedriegen, Christus geeft wezenlijke zegeningen, die ons nooit zullen falen, de wereld geeft en neemt, Christus geeft een goed deel, dat ons nooit zal worden ontnomen.
d. De vrede, dien Christus geeft, is oneindig kostelijker en van oneindig meer waardij, dan die, dien de wereld geeft. De vrede der wereld begint in onwetendheid, bestaat in zonde, en eindigt in eindeloos verdriet. Christus' vrede begint in genade, is niet bestaanbaar met toegelaten zonde, en eindigt ten laatste in eeuwigen vrede. Gelijk het verschil tussen een dodelijke slaapziekte en een verkwikkenden slaap, zo is het verschil tussen den vrede van Christus en den vrede der wereld.
4. Welk gebruik zij er van moeten maken: Uw hart worde niet ontroerd, wegens enigerlei verleden of tegenwoordig kwaad, en zijt niet versaagd, of bevreesd voor toekomstig kwaad. Zij, die deel hebben aan het verbond der genade, en recht of aanspraak hebben op den vrede, dien Christus geeft, moeten niet toegeven aan overstelpende smart of vrees. Christus zegt dit hier als besluit van geheel de zaak, Hij had gezegd in vers 11:"Uw hart worde niet ontroerd, en hier herhaalt Hij het, als er genoegzame reden voor hebbende gegeven.