Jakobus 5:12-20
De brief nadert nu zijn einde, en de schrijver gaat zeer vlug van het ene onderwerp tot het andere over. Dat is de reden, waarom zo veel verschillende punten in deze weinige verzen behandeld worden.
I. Er wordt gewaarschuwd tegen de zonde van het zweren. Doch voor alle dingen, mijne broeders, zweert niet. vers 12. Sommigen nemen dit al te letterlijk op, alsof de bedoeling zou zijn: Vloekt niet op uw vervolgers, op hen die u smaden en allerlei kwaad aandoen, wordt door hun onrechtvaardigheden niet zo in hartstocht ontbrand, dat gij geprikkeld wordt om hen te vloeken. Dit is zeker verboden, en het zal hen, die zich aan deze zonde overgeven, niet verontschuldigen dat zij alleen vloeken of zweren wanneer zij er toe geprikkeld worden en voor ze het zelven weten. Maar de waarschuwing van den apostel strekt zich veel verder uit. De woorden pro pantoon, zijn door sommigen vertaald in voor elk ding, en hebben zo aan dezen tekst een bedoeling gegeven, die er niet in ligt, namelijk dat zij niet in den gewonen omgang bij elk ding dat zij zeggen een eed of een vloek mogen voegen. Ongetwijfeld is de gewoonte van onnodig zweren verboden en overal in de Schrift veroordeeld als een zware zonde. Lichtzinnig zweren was onder de Joden zeer algemeen, en daar de brief gericht is aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn, gelijk hiervoren is opgemerkt, mogen wij deze waarschuwing beschouwen als aan de ongelovigen gericht. Men kan moeilijk onderstellen, dat het zweren en vloeken een van de zonden van Gods kinderen zou zijn, nadat Petrus, toen hij beschuldigd werd een discipel van Christus te zijn en zich van die beschuldiging wilde zuiveren, zwoer en vloekte, denkende dat hij hen daardoor wel zeer grondig zou overtuigen, dat hij geen discipel van Jezus was omdat het wel bekend was dat die niet durfden zweren. Maar waarschijnlijk waren sommige oppervlakkigen onder degenen, die Christenen genoemd werden, onder andere zonden, die hier opgesomd werden, ook aan deze schuldig. Het is een zonde, die in latere jaren sterk de overhand gekregen heeft, ook bij hen zelfs, die men boven anderen gerechtigd achtte tot den naam en de voorrechten van de Christenen. Het komt echter zeer zelden voor, dat men een afgescheidene van de kerk van Engeland zich aan dit kwaad hoort schuldig maken, maar onder hen, die er zich op beroemen dat zij tot de grote kerk behoren, is niets meer algemeen dan deze zonde, en de ergerlijkste eden en vloeken kwetsen dagelijks onze harten en oren. Jakobus zegt hier:
1. Voor alle dingen, zweert niet. Maar hoevelen zijn er, die menen dat dit na alle dingen komt en het lichtvaardig zweren en vloeken voor niets beduidend achten! Doch waarom is het zweren hier voor alle dingen verboden?
A. Omdat het rechtstreeks de eer van God aantast, en zeer duidelijk minachting van Zijn naam en gezag toont.
B. Omdat er tot deze zonde de minste verzoeking van alle bestaat, de mensen behalen er geen winst, geen genoegen, geen goeden naam door, hetgeen er hen toe zou kunnen bewegen, maar tonen alleen een vermaak om te zondigen en nodeloze vijandschap tegen God. Die van u schandelijk spreken, Psalm 39:20. Deze zonde is het bewijs dat iemand een vijand Gods is, hoewel men zich naar Zijn naam moge noemen en Hem soms enige tekenen van verering aanbieden. C. Omdat zij een van de zonden is, die men het moeilijkst afleert, wanneer men ze zich eenmaal aangewend heeft, en daarom moet er voor alle dingen tegen gewaarschuwd worden.
D. En voor alle dingen, zweert niet, want hoe kunt gij verwachten, dat de naam van God voor u een sterke toren in tijden van benauwdheid zal zijn, wanneer gij er in andere tijden lichtvaardig mede speelt? Maar (gelijk Mr. Baxter aanmerkt): "het is er ver vandaan, dat dit woord noodzakelijke eden verbieden zou, veelmeer worden die er door bevestigd en de daaraan verschuldigde eerbied er door bewaard." En hij voegt er bij: "De ware aard van een eed is, bij ons spreken den goeden naam van enig zeker en vast groot ding te verpanden ter verzekering van enig betwijfeld en minder groot ding, en niet, gelijk men gewoonlijk meent, een beroep op God of een anderen rechter". Hierdoor kwam het zweren bij den hemel en bij de aarde, en enigen anderen eed, zoals de apostel het noemt, in gebruik. De Joden dachten dat zij veilig gingen zolang zij slechts den groten eed van Chi-Eloah vermeden. Maar zij werden zo lichtvaardig van te zweren bij allerlei schepselen alsof die God waren, terwijl aan den anderen kant zij, die gewoonlijk en onnadenkend bij den naam van God zweren, Hem daardoor neertrekken tot het peil van alle gewone dingen.
2. Maar uw ja zij ja en het neen neen, opdat gij in geen oordeel valt, dat is: laat het u genoeg zijn enig ding eenvoudig te bevestigen of te ontkennen, weest zeker dat gij uw woord houden kunt, blijft er getrouw aan, zodat niemand u van valsheid beschuldigen kan, en dan zult gij teruggehouden worden van de veroordeling, dat gij uw woord en beloften door ondoordachte eden staaft en den naam van God misbruikt om uzelven te rechtvaardigen. De verdenking van onwaarheid verleidt de mensen tot zweren. Laat bekend worden dat gij steeds de waarheid spreekt en uw woord houdt en daardoor zult gij ondervinden dat er geen noodzaak bestaat om te bezweren wat gij gezegd hebt. Daardoor zult gij ontkomen aan de bedreiging, die bij het derde gebod gevoegd is: De Heere zal niet onschuldig houden dien, die Zijn naam ijdelijk gebruikt.
II. Wij worden vermaand ons als Christenen te onderwerpen aan de beschikkingen der Voorzienigheid. Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge, vers 13. Onze toestanden in de wereld zijn verschillend, en onze wijsheid is het er ons aan te onder werpen en ons in voorspoed en tegenspoed betamelijk te gedragen. Nu eens zijn wij in lijden, dan weer in vreugde. God heeft het een tegenover het ander gesteld om ons des te beter onze plichten te leren, en om de indrukken, welke daardoor op onze hartstochten en genegenheden gemaakt worden, des te meer te doen dienen tot onze godsvrucht. Droefenissen moeten ons leiden tot het gebed, voorspoed moet ons overvloedig maken in dankzegging. Wel is het gebed niet beperkt tot de tijden van smart, en de dank niet tot de dagen van blijdschap, maar die beide plichten kunnen in die omstandigheden met bijzonder voordeel en tot de gelukkigste doeleinden beoefend worden.
1. In dagen van droefheid is niets geschikter dan het gebed. De persoon, die bedroefd werd, moet zelf bidden en anderen vragen voor hem te bidden. Tijden van droefheid moeten tijden van gebed zijn. Daartoe zendt God droefenissen, opdat wij opgewekt worden om Hem vroeg te zoeken, en opdat zij, die in andere tijden Hem verwaarloosd hebben, er toe gebracht mogen worden nu naar Hem te vragen. De geest is dan het nederigst, het hart is gebroken en teder, en het gebed is Gode het aangenaamst wanneer het komt uit een verslagen, nederigen geest. Droefenissen persen natuurlijk klachten af, en tot wie zullen wij beter klagen dan in het gebed tot God? Het is nodig onder droefenissen het geloof en de hoop te oefenen, en het gebed is het aangewezen middel om deze beide genaden te verkrijgen en te doen groeien. Is iemand in lijden? Dat hij bidde.
2. In dagen van vreugde en voorspoed is het zingen van psalmen het eigenaardigst. In het oorspronkelijke staat alleen zingen, psalletoo, zonder de bijvoeging van psalmen of enig ander woord, en wij leren uit de geschriften van verscheidenen uit de eerste eeuwen van het Christendom (voornamelijk uit een brief van Plinius, en uit sommige gezegden van Justinianus de Martelaar en van Tertullianus) dat de Christenen gewoon waren lofzangen te zingen in hun gemeentelijke samenkomsten, liederen naar aanleiding van een of ander deel der Schrift, of eigen gedichten. Maar sommigen menen dat Paulus, wanneer hij in de brieven aan de Colossenzen en de Efeziërs de Christenen vermaant om onder elkaar te spreken met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, psalmois kai humnois kai oodais pnaumatikais, alleen aan liederen uit de Heilige Schrift denkt, daar de psalmen van David verdeeld werden, in het Hebreeuws, in She'oeriem, Tehielliem en Mizmoriem, woorden die juist betekenen wat de apostel opnoemt. Dat moge zijn zo het wil, in elk geval zijn wij hiervan zeker, dat het psalmzingen een evangelisch voorschrift is, en dat onze vreugde een heilige, aan God gewijde vreugde moet zijn. Hier wordt ons aangewezen te zingen ten einde te tonen dat iemand, die in vreugde of voorspoed verkeert, zijn vreugde, bij zich zelven, daardoor moet openbaren. Heilige vreugde betaamt gezinnen en groepen, zowel als gemeenten in haar samenkomsten. Laat ons zingen zijn: een zingen met aangenaamheid in het hart den Heere, en Gode zal zeker deze wijze van verering aangenaam zijn.
III. Bijzondere aanwijzingen worden ons gegeven omtrent zieken, en genezende, vergevende barmhartigheid beloofd bij het naleven van die aanwijzingen. Is iemand ziek onder u, dan:
1. Moet hij tot zich roepen de ouderlingen, presbuteroes tês ekklêsias, herders of dienaren, van de gemeente, vers 14, 15. Den zieken is de plicht opgelegd om te zenden om de dienaren, en van hen hulp en gebed te begeren.
2. Het is de plicht der dienaren voor de zieken te bidden, wanneer die dat begeren en hen daartoe roepen. En dat zij over hem bidden. Hun gebeden moeten op het geval betrekking hebben en hun tussenkomst moet tonen, dat zij medelijden in het onheil gevoelen.
3. In de tijden der wondergenezing werden de zieken gezalfd met olie in den naam des Heeren. Zij, die ophef van de zaak maken, beweren gewoonlijk dat deze zalving met olie de kracht had om wonderen te doen, en dat de instelling ophield toen de tijd der wonderen eindigde. In het Evangelie van Markus lezen wij, dat de apostelen vele zieken met olie zalfden en hen genazen, Markus 6:13. En ons zijn verhalen bewaard gebleven, dat dit in de gemeente nog twee honderd jaren na Christus in praktijk gebracht is, en gevolgd werd door de gave der gezondmaking, maar dat, toen de wondergave ophield, het gebruik afgeschaft werd. De papisten hebben er een sacrament van gemaakt, dat zij het laatste oliesel noemen. Zij gebruiken het, niet om de zieken te genezen, zoals de apostelen deden, maar-gelijk zij over het algemeen in de instellingen hunner kerk tegen de Schrift ingaan-zo schrijven zij hier voor dat die zalving moet toegediend worden aan degenen, die aan den oever des doods staan. De zalving der apostelen bedoelde de genezing der zieken, de paapse zalving moet dienen om de overblijfselen der zonde weg te nemen, en de ziel, naar zij beweren, instaat te stellen om des te beter met de machten in de lucht te kunnen strijden. Ofschoon zij niet, door enig zichtbaar goed gevolg, kunnen bewijzen dat Christus het volgen van deze plechtigheid goedkeurt, wensen zij toch dat de gemeente geloven zal dat de onzichtbare werking zeer wonderdadig is. Maar het is zeker beter deze zalving met olie geheel achterwege te laten dan haar te veranderen in juist het tegenovergestelde van hetgeen, waarvan in de Schrift sprake is. Sommige Protestanten hebben gemeend dat deze zalving door Christus alleen geoorloofd, maar niet voorgeschreven was. Doch het blijkt uit de woorden van Jakobus, dat zij moest toegepast worden in gevallen, waarbij geloof ter genezing aanwezig was. En sommige Protestanten hebben er uit dat gezichtspunt voor gepleit. Het was geen algemeen gebruik, zelfs niet in den apostolischen tijd, en sommigen hebben gemeend dat het in geen enkel tijdvak geheel is afgeschaft, en dat, waar een buitengewone mate van geloof aanwezig is in den zalvenden persoon en in den zieke, die gezalfd wordt, een buitengewone zegen mag verwacht worden op de naleving van dit voorschrift. Hoe dat zij, op een ding moet hier zorgvuldig gelet worden, en dat is, dat het behoud van den zieke niet toegeschreven wordt aan de zalving met olie, maar aan het gebed. Het gebed des geloofs zal den zieke behouden enz. vers 15. En dus:
4. Het gebed voor den zieke moet uitgaan van en vergezeld zijn van een levend geloof. Daar moet geloof zijn in hem die bidt en in hem voor wie gebeden wordt. In tijden van ziekte kan men niet volstaan met een koud vormelijk gebed, maar heeft het gebed des geloofs kracht.
5. Wij moeten letten op de gevolgen van het gebed. De Heere zal hem oprichten, dat wil zeggen: indien hij iemand is, die vatbaar en geschikt is voor verlossing en indien God voor hem nog werk hier te doen heeft. En zo hij zonden zal gedaan hebben, het zal hem vergeven worden, dat is: wanneer die ziekte hem gezonden is als straf voor zekere bepaalde zonde, dan zal die zonde hem vergeven en hij, ten teken daarvan, opgericht worden. Gelijk Christus tot den geraakte zei: Ga heen en zondig niet meer, opdat u niet iets ergers geschiede, daar wordt aangeduid dat enige bepaalde zonde de oorzaak van zijn ziekte was. De grote zaak, waarom wij dus in tijden van ziekte voor ons of de onzen God zullen bidden, is vergeving van zonden. De zonde is de wortel van den dood en zijn prikkel. Indien de zonde weggenomen is, zullen wij zien dat ook de droefenis in barmhartigheid weggenomen wordt, of anders dat er barmhartigheid zal zijn in haar voortduren. Toen Hizkia, bij de vergeving zijner zonden genezing gevonden had, zei hij: Gij hebt mijne ziel lieflijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwam, Jesaja 38:17. In ziekte en pijn is gewoonlijk het gebed: O geef mij rust. Herstel mijn gezondheid! Maar ons gebed moet veeleer en hoofdzakelijk zijn: o God, vergeef mijne zonden!
IV. Den Christenen wordt opgedragen: Belijdt elkaar de misdaden en bidt voor elkaar, vers 16. Sommigen menen dat dit bij vers 14 behoort, zodat er staan zou dat de zieken aan de dienaren, die zij lieten roepen om voor hen te bidden, hun zonden moeten belijden. Inderdaad, wanneer iemand overtuigd is dat zijn ziekte een straf voor de een of andere bepaalde zonde is en de genezing van zijn ziekte niet verwachten kan zonder buitengewone smeking tot God om vergeving van die zonden, dan volgt daaruit dat hij zijn zaak moet verhalen aan hen, die voor hem bidden zullen, opdat zij weten wat en op welken grond zij vragen moeten. Maar de belijdenis hier bedoeld is die van den enen Christen aan den anderen, en niet, gelijk de papisten willen, aan een priester. Wanneer mensen elkaar onrecht aangedaan hebben, moet de onrechtvaardige daad beleden worden aan den verongelijkte. Wanneer mensen elkaar in verzoeking gebracht en gezamenlijk in enige boze daad toegestemd hebben, behoren zij elkaar te bestraffen en op te wekken tot berouw. Wanneer er misdaden van algemenen aard gepleegd zijn, waar, door openbaar onheil aangericht werd, dan moeten die ook in het openbaar beleden worden op de wijze, waardoor allen die er aan schuldig staan, best bereikt worden. En soms is het goed onze fouten aan een bezadigden dienaar of een biddenden vriend te belijden, opdat die ons helpe in het aanroepen van God om barmhartigheid en vergeving. Maar wij moeten niet menen dat Jakobus ons hier beveelt, dat wij alles moeten mededelen wat in ons of in een ander verkeerd is. Doch zover belijdenis nodig is om ons te verzoenen met hen, die vijandig tegenover ons staan, of om het kwaad, anderen aangedaan, te herstellen, of om in ene of andere gewetensvraag helderheid te krijgen en onze ziel tot rust te brengen, zover moeten wij bereid zijn om onze zonden te belijden. En soms kan het ook van groot nut zijn voor Christenen om anderen hun eigenaardige zwakheden en gebreken mede te delen, wanneer zij dat doen kunnen aan iemand van beproefde en innige vriendschap en die hen bijstaan kan in hun gebeden om vergeving van de zonden en macht om ze te bestrijden. Zij, die elkaar de zonden belijden, moeten daarna ook met en voor elkaar bidden. Het dertiende vers beveelt ons voor ons zelven te bidden. Is iemand in lijden, dat hij bidde, het veertiende raadt ons de hulp der dienaren te zoeken, en het zestiende draagt den Christenen in het algemeen op voor elkaar te bidden. Hier worden dus alle soorten van gebed aanbevolen.
V. Het grote voordeel en de uitwerking van het gebed worden verklaard en bewezen. Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel, hetzij hij voor zich zelven of voor anderen bidt, getuige het voorbeeld van Elia, vers 17, 18. Hij die bidt moet een rechtvaardig man zijn, niet rechtvaardig in den volstrekten zin van het woord, dat was ook Elia, die ons hier ten voorbeeld gesteld wordt, niet, maar rechtvaardig in Evangelische betekenis, die geen door hem bekende ongerechtigheid bemint of goedkeurt.
Had ik naar ongerechtigheid gezien met mijn hart, de Heere zou niet gehoord hebben, Psalm 66: 18. Het gebed zelf moet krachtig, wèl doordacht, oprecht en vurig zijn. Het moet zijn een uitstorting des harten voor God en voortkomen uit een ongeveinsd geloof. Zulke gebeden vermogen veel. Zij zijn van groot voordeel voor ons zelven en kunnen zeer zegenrijk voor onze vrienden zijn, en wij mogen ons verzekerd houden dat zij Gode aangenaam zijn. Het is goed zulke tot vrienden te hebben, wier gebeden in de ogen Gods iets vermogen. De kracht des gebeds wordt hier bewezen door het voorbeeld van Elia. Dit kan ons aanmoedigen ook in gewone gevallen, want wij mogen bedenken dat Elia was een mens van gelijke bewegingen als wij. Hij was een ijverig en goed, en zeer groot man, maar hij had ook zijne gebreken en was aan zijne hartstochten onderworpen zo goed als alle anderen. In de gebeden moeten wij niet zien op de verdiensten der mensen, maar op de genade Gods. Alleen hierin moeten wij Elia navolgen, dat hij ernstig bad, of zoals er in het oorspronkelijke staat: hij bad een gebed, in den gebede bad hij. Het is niet genoeg een gebed op te zeggen, maar wij moeten in ons gebed bidden. Onze gedachten moeten gevestigd zijn, onze begeerten krachtig en vurig, de genade moet in ons werken, en wanneer wij zo bidden, zal ons gebed iets uitwerken. Elia bad dat het niet mocht regenen, en God hoorde hem in zijn smeking tegen een afgodisch, vervolgend land, zodat het niet regende op de aarde gedurende drie jaren en zes maanden. En hij bad wederom en de hemel gaf regen. Hier zien we dat het gebed de sleutel is, die den hemel sluit en opent. Hierop vinden wij een toespeling in Openbaring 11:6, waar van de twee getuigen gezegd wordt dat zij den hemel sloten, zodat het niet regende. Dit voorval van buitengewone uitwerking des gebeds wordt aan de Christenen meegedeeld om hen aan te moedigen ernstig en aanhoudend in het gebed te zijn. God heeft nooit tot het zaad Jakobs gezegd: Zoek mij tevergeefs! Wanneer Elia door het gebed zulke grote en wondervolle dingen doen kon, dan zullen zeker de gebeden der rechtvaardigen niet ledig wederkeren. Want al is er niet zoveel wonderdadigs in Gods antwoorden op onze gebeden, er is toch evenveel genade in. VI. De brief eindigt met een waarschuwing om al wat in ons vermogen is te doen voor de bekering en redding van anderen, vers 19, 20. Sommigen beschouwen deze verzen als een zelfverdediging van den apostel omdat hij zo rondborstig en scherp de Joodse Christenen bestraft had voor hun menigvuldige gebreken en dwalingen. En zeker, Jakobus geeft hier een goede reden op, waarom hij zoveel over hun fouten geschreven had, omdat hij daardoor hun zielen kon redden en menigten van zonden bedekken. Maar wij mogen deze woorden niet beperken tot de bekering van hen, die van de waarheid zijn afgeweken en door den apostel tot inkeer gebracht zijn, ook niet tot de pogingen der dienaren van dezelfden aard. Er staat: Indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald en hem iemand bekeert, het doet er niet toe wie hij is, die den ander dien goeden dienst bewijst, hij is daarin een werktuig om een ziel van den dood te redden. Hen, die de apostelen hier broederen noemt, acht hij vatbaar voor dwaling. Het is geen kenteken van wijsheid en heiligheid wanneer iemand er zich op beroemt, dat hij vrij van dwaling is, evenmin wanneer men weigert te erkennen dat men dwaalt. Maar indien iemand dwaalt, al is hij nog zo groot, dan moet ge niet schromen hem zijn dwaling aan te tonen, en al is hij nog zo zwak en gering, gij moogt het niet versmaden hem wijzer en beter te maken. Indien iemand afgedwaald is van de waarheid, dat is van het Evangelie, de grote regel en maatstaf der waarheid, hetzij in leer of in wandel, gij moet beproeven hem tot die waarheid terug te brengen. Dwalingen in leer en leven gaan gewoonlijk samen. Op den bodem van elk wangedrag ligt enige leerstellige misvatting. Er is niemand doorgaand slecht dan door slechte beginselen. Dezulken bekeren is hen van de dwaling huns wegs terugbrengen en hen te verlossen van het boze, waarin zij totnogtoe geleefd hebben. Wij worden niet geroepen om een dwalenden broeder te beschuldigen en tegen hem uit te roepen, niet om over hem onheilen en smaad te brengen, maar om hem te bekeren. En wanneer we, niettegenstaande al onze pogingen daar niet in slagen, dan zijn wij nog niet gerechtigd hem te vervolgen en te verwoesten. Indien wij de werktuigen tot iemands redding mogen zijn, wordt er van ons gezegd dat wij hem bekeren, ofschoon dat voornamelijk en eigenlijk Gods werk is. En ofschoon wij aan de bekering van zondaren niets meer mogen en kunnen doen, toch mogen wij dit doen: bidden om de genade van Gods Geest om hen te bekeren en te veranderen. En zij, die op enige wijze dienstbaar zijn aan de bekering van anderen, mogen bedenken wat daarvan de gezegende gevolgen zullen zijn. Het zal hun tot grote vertroosting in dit leven zijn en hiernamaals hun een kroon verwerven. Hij, die in vers 19 gezegd wordt van de waarheid afgedwaald te zijn, wordt in vers 20 beschreven als iemand, die dwaalt van zijn weg, en wij kunnen ook niet zeggen iemand bekeerd te hebben wanneer wij alleen zijn gevoelens hebben veranderd, de mensen moeten er toe gebracht worden hun wegen te verbeteren en te vernieuwen. Dat is bekering: wanneer een zondaar teruggebracht wordt van de dwaling zijns wegs, niet wanneer hij van de ene partij naar de andere, van de ene denkwijze naar de andere wordt overgevoerd. Hij, die op de rechte wijze een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, zal een ziel van den dood behouden. Er is ene ziel bij betrokken, en hetgeen gedaan wordt tot redding van een ziel, zal zeker ten goede gekeerd worden. De ziel is het voornaamste gedeelte van den mens, en daarom wordt alleen van hare redding gesproken, maar dat bedoelt de redding van den gehelen mens. De geest zal gered worden van de hel en het lichaam uit het graf, en de gehele mens van den eeuwigen dood. En daarbij, door zulk een bekering van hart en leven, zal hij menigte van zonden bedekken. Deze uitspraak der Schrift is zeer troostrijk. Wij leren hier dat, ofschoon onze zonden vele zijn, ja een menigte, zij evenwel bedekt of vergeven kunnen worden, en dat, wanneer wij ons van de zonden afkeren en die verzaken, zij niet in het gericht tegen ons verschijnen zullen. De mensen mogen hun zonden zoveel toedekken en verontschuldigen als zij willen, er is geen andere afdoende weg om ze waarlijk te bedekken dan het verlaten en verzaken. Sommigen willen uit dezen tekst lezen dat de bekering menigte van zonden zal voorkomen, en al is het een ontwijfelbare waarheid dat de bekering vele zonden voorkomt in den bekeerde, ook mag men zeggen dat vele zonden voorkomen worden in anderen, op wie hij invloed heeft en met wie hij omgaat. Alles samen genomen: hoe moeten wij er ons op toeleggen om voor de bekering van zondaren de middelen te zijn! Dat zal strekken tot het geluk en de zaligheid van den bekeerde, het zal veel wandaden en veel verspreiding en vermenigvuldiging van zonden voorkomen, het zal bijdragen tot de eer en verheerlijking van God, en het zal machtig onzen troost en zaligheid vergroten ten jongsten dage. Die er velen rechtvaardigen zullen blinken als de sterren, eeuwiglijk en altoos.