Hooglied 8:13-14
Christus en de bruid scheiden hier voor een tijd van elkaar, zij moet beneden blijven in de hof op aarde, waar zij werk voor Hem te doen heeft, Hij moet heengaan naar de bergen van de specerijen in de hemel, waar Hij zaken voor haar heeft te verrichten, als haar voorspraak bij de Vader. Merk nu op met hoe wederzijdse betuigingen van liefde zij van elkaar scheiden:
I. Hij verlangt dikwijls van haar te horen zij is vaardig met haar pen, zij moet niet verzuimen Hem te schrijven, zij weet hoe zij haar schrijven moet adresseren, vers 13. Gij, die voor het ogenblik een bewoonster zijt van de hoven, ze bouwende en bewarende, totdat gij heengaat van de hof hier beneden naar het paradijs hier boven, gij, gelovige, wie gij ook zijt, die woont in de hoven van de plechtige inzettingen, in de hoven van de werkgemeenschap, de metgezellen zijn zo gelukkig van uw stem te horen, doe ze ook Mij horen.
Merk op:
A. Christus vrienden behoren in goede gemeenschap en in omgang met elkaar te blijven en als metgezellen, die elkaar liefhebben, tot elkaar te spreken, Maleachi 3:16, en elkaars stem te horen, zij moeten elkaar stichten bemoedigen en eren. Zij zijn medegenoten in het koninkrijk en de lijdzaamheid van Christus en daarom moeten zij als medereizigers vrij en gemakkelijk met elkaar omgaan, en niet schuw of vreemd voor elkaar zijn. De gemeenschap van de heiligen is een artikel van ons verbond, zowel als een artikel van onze geloofsbelijdenis, elkaar altijd te vermanen, en blij te zijn om door elkaar vermaand te worden. Hoor naar de stem van de kerk in zover ze overeenkomt met de stem van Christus, Zijn metgezellen zullen dit doen.
B. Temidden van onze gemeenschap met elkaar, moeten wij onze gemeenschap met Christus niet veronachtzamen, meer Hem ons aangezicht laten zien, en onze stem laten horen, hier vraagt Hij er om. "De metgezellen horen uw stem, zij is hun lieflijk, doe ze Mij horen Gij doet hun uw klachten, als er iets is dat u smart, waarom komt gij er niet mee tot Mij, waarom laat gij ze Mij niet horen? U bent vrijmoedig met hen, wees even vrijmoedig met Mij, stort uw hart voor Mij uit." Zo heeft Christus, toen Hij Zijn discipelen verliet, hun bevolen om bij iedere gelegenheid tot Hem te zenden: Bidt, en gij zult ontvangen. Christus ontvangt en verhoort de gebeden van Zijn volks niet slechts, maar Hij verzoekt er om, ze niet beschouwende als een last voor Hem, maar als een eer en een welgevallen, Spreuken 15:8.
Wij doen Hem onze gebeden horen, als wij niet slechts bidden, maar worstelen in het gebed. Hij wil graag dat wij dringend bij Hem aanhouden, hetgeen niet is naar de wijze van de mensen. Sommigen lezen het: "Doe van Mij horen. Gij hebt dikwijls gelegenheid om met uw metgezellen te spreken, en zij luisteren naar hetgeen gij zegt, spreek tot hen van Mij, laat Mijn naam onder hen gehoord worden, laat Mij het onderwerp van uw gesprekken zijn." "Een woord van Christus," zoals aartsbisschop Usher placht te zeggen "eer gij heengaat." Geen onderwerp is meer gepast, of behoort aangenamer te zijn.
2. Zij verlangt naar Zijn spoedige terugkomst tot haar, vers 14. Kom haastig, mijn liefste, U weer te komen en mij tot U te nemen, wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp van de herten op de bergen van de specerijen, laat geen tijd verloren gaan, het is aangenaam wonen hier in de hoven, maar heen te gaan om met U te zijn is verreweg het beste, dat is het dus wat ik wens en waarop ik wacht, en waarnaar ik smachtend verlang. Amen, ja kom, Heer Jezus! Merk op. A. Hoewel Jezus Christus zich nu teruggetrokken heeft, zal Hij weerkeren, de hemelen, deze hoge bergen van de specerijen, moeten Hem bevatten tot de tijd van de verkoeling, dat is van de verkwikking, gekomen zal zijn, wanneer ieder oog Hem zal zien in al de heerlijkheid en macht van de bovenwereld, de betere wereld, de verborgenheid Gods volbracht zijnde, en het mystieke lichaam voltooid
B. Gelijk ware gelovigen uitzien naar de komst van de dag des Heeren, zo spoeden zij er zich ook heen, niet dat zij zouden willen dat Hij meer haast maakte, dan met goede spoed overeenkomt maar dat intussen al Zijn raad volbracht zal worden, en dat dan hoe spoediger hoe beter het einde zal komen, niet dat zij denken dat de Heer Zijn belofte vertraagt, gelijk sommigen dat traagheid achten, maar zij geven uitdrukking aan de kracht van hun genegenheid voor Hem en hun grote verwachting van Hem als Hij weerkomt.
C. Alleen zij, die in oprechtheid Christus hun liefste kunnen noemen, kunnen op goede gronden wensen dat Zijn wederkomst verhaast zal worden. Wat hen betreft, wier harten de wereld nahoereren en die hun zinnen zetten op de dingen van deze aarde, zij kunnen Zijn verschijning niet liefhebben, veeleer vrezen zij haar, omdat dan de aarde met alles wat er op is, die zij tot hun deel hebben verkoren, verbrand zal worden, maar zij, die Christus waarlijk liefhebben, verlangen naar Zijn wederkomst, omdat het de kroon zal zijn beide van Zijn heerlijkheid en van hun zaligheid.
D. De troost en voldoening, die wij soms smaken in gemeenschap met God hier, moeten ons zoveel vuriger doen verlangen naar de onmiddellijke verschijning en genieting van Hem in het koninkrijk van de heerlijkheid. Na een liefderijk samenspraken met haar liefste, en bevindende dat dit spoedig afgebroken moest worden, eindigt de bruid met deze bede van de liefde om de voltooiing en bestendiging van deze zaligheid in de toekomenden staat. De druiventrossen, die wij in deze woestijn vinden, moeten ons doen verlangen naar de vollen wijnoogst in Kanaän. Indien één dag in Zijn voorhoven zo lieflijk is, wat zal dan de eeuwigheid zijn binnen de voorhang! Indien dit de hemel is, o mochten wij daar dan zijn!
E. Het is goed om onze gebeden te eindigen met de uitdrukking van een blijde verwachting van de heerlijkheid, die geopenbaard staat te worden, en met een nederig, heilig verlangen er naar. Wij moeten niet scheiden dan in het vooruitzicht van weerzien. Het is goed om iedere sabbat te besluiten met gedachten aan de eeuwigen sabbat, die in geen nacht zal eindigen, en waarop geen weekdag zal volgen. Het is goed om ieder sacrament te eindigen met gedachten aan de eeuwige feestmaaltijd waar wij met Christus zullen aanzitten aan Zijn tafel in Zijn koninkrijk, waarvan wij niet meer zullen opstaan, en waar wij de wijn nieuw zullen drinken, en iedere godsdienstige vergadering uiteen te doen gaan in de verwachting van de algemene vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, als geen tijd en geen dagen meer zijn zullen. Dat de gezegende Jezus die zalige dag verhaaste. Waarom vertoeft Zijn wagen te komen, wat blijven de gangen van Zijn wagens achter?