Galaten 1:6-9
Hier komt de apostel tot het eigenlijke onderwerp van zijn brief, en hij vangt aan met een algemeen verwijt aan deze gemeenten voor hun onstandvastigheid in het geloof, waarop hij nader in de onderdelen, later ingaat. Hier merken wij op:
I. Hoezeer hij hun gebrek ter harte neemt.
Ik verwonder mij enz. Het vervulde hem tegelijkertijd met de grootste verwondering en droefheid. Hun zonde en dwaasheid waren dat zij niet de leer des Christendoms vasthielden zoals die hun gepredikt was, maar zich van haar zuiverheid en eenvoud lieten afleiden. En er waren verschillende dingen, waardoor hun gebrek zeer vergroot werd.
1. Zij waren wijkende van degenen, die hen geroepen had, niet alleen van den apostel, die het werktuig geweest was om hen te roepen tot deelgenootschap aan het Evangelie, maar van God zelf, op wiens gezag en voorschrift het Evangelie hun verkondigd was en zij uitgenodigd waren om zijn voorrechten te delen, zodat zij daardoor zich schuldig gemaakt hadden aan grote verwaarlozing Zijner liefde en genade voor hen.
2. Zij waren geroepen in de genade van Christus. Aangezien het Evangelie, dat hun gepredikt was, de heerlijkste openbaring van goddelijke genade en barmhartigheid in Christus Jezus was, zo waren zij daardoor geroepen om te delen in de grootste zegeningen en voorrechten, als rechtvaardigmaking en verzoening met God hier, en eeuwig leven en geluk hiernamaals. Deze onze Heere Jezus heeft ons gekocht tot den prijs van Zijn dierbaar bloed en schenkt de verlossing om niet aan allen, die haar in oprechtheid aannemen, en daarom, naarmate der grootheid van het voorrecht dat zij genoten, waren ook hun zonde en dwaasheid groot in het verlaten van den geordenden weg om deze zegeningen deelachtig te worden en in het verdragen dat zij ervan afgetrokken werden.
3. Dat zij zo haast weken. In zeer korten tijd hadden zij het vertrouwen op en de waardschatting van deze genade van Christus verloren, welke zij schenen te bezitten, en slechts al te gemakkelijk waren zij het eens geworden met hen, die door de wet wilden gerechtvaardigd worden, zoals menigeen wilde, die op- gevoed was in de gedachten en leringen der Farizeeën, waarmee zij de leer van Christus vermengden, die zij daardoor bedierven, en dit was niet alleen een bewijs van hun zwakheid, maar ook een vermeerdering van hun schuld.
4. Dat zij waren overgebracht naar een ander Evangelie, daar er geen ander is. Zo noemt de apostel de leer van deze Judese leraren, hij noemt het een ander Evangelie, omdat het een weg tot rechtvaardigmaking en verlossing leerde, welke verschilde van dien, die in het Evangelie geopenbaard is, namelijk door de werken, en niet door het geloof in Christus. En dan voegt hij er bij: Daar er geen ander is (of: dat geen ander is). Gij zult ondervinden dat het in `t geheel geen Evangelie is -niet waarlijk een ander Evangelie, maar een verdraaiing van het Evangelie van Christus en een onderstboven-werpen van de grondslagen. Daarmee toont hij aan, dat zij, die een anderen weg naar den hemel willen gaan dan dien, welken het Evangelie van Christus geopenbaard heeft, schuldig staan aan grote vervalsing en ten slotte zullen zien hoe jammerlijk zij zich bedrogen hebben. Daardoor tracht de apostel dezen Galatiërs een levendig gevoel te geven van hun schuld in het verlaten van den evangelischen weg ter rechtvaardigmaking, maar toch terzelfder tijd matigt hij zijn verwijt met mildheid en tederheid jegens hen, en zegt hun dat zij veeleer afgetrokken worden door de kunstgrepen en listen van anderen, die hen beroerden, dan dat zij uit eigen beweging dien weg opgingen, hetwelk hen wel niet verontschuldigde, doch toch hun schuld verminderde. En hierdoor leert hij ons, dat wij wel getrouw anderen bestraffen moeten, maar ook teder zijn en hen terechtbrengen in den geest der zachtmoedigheid, Hoofdstuk 6:1.
II. Hoe verzekerd hij was, dat het door hem aan hen gepredikte Evangelie het enige ware was. Hij was daarvan zo volkomen overtuigd, dat hij een vervloeking uitsprak over hen, die voorgaven een ander Evangelie te prediken, vers 8, en om hen te laten zien dat hij zulks niet in overijling of hartstochtelijken ijver doet, herhaalt hij het, vers 9. Dat rechtvaardigt niet ons uitbraken van vervloekingen over hen, die in mindere zaken van ons verschillen. Het is alleen tegen hen, die een nieuw Evangelie bedenken, die den grondslag van het verbond der genade omkeren, door de werken der wet in plaats van de rechtvaardigheid van Christus te stellen en het Christendom door Judaisme bederven, dat Paulus het uitspreekt. Hij stelt het geval: "Onderstelt dat wij u een ander Evangelie verkondigden, ja, onderstelt dat een engel uit den hemel zulks deed", niet alsof het mogelijk ware dat een engel uit den hemel de boodschapper van een leugen zou zijn, maar hij zegt dit om des te meer kracht bij te zetten aan hetgeen hij zal laten volgen. Indien u een ander Evangelie verkondigd wordt, onder onzen naam, of onder voorgeven dat de brenger ervan het van een engel uit den hemel ontvangen heeft, dan wordt ge daardoor bedrogen, en wie zulk een Evangelie verkondigt, ligt zelf onder den vloek en brengt u in gevaar van er ook onder te komen.