Filippenzen 3:4-8
De apostel stelt hier zich zelven ten voorbeeld, hoe men alleen op Christus moet vertrouwen en niet op de voorrechten der Israëlieten.
I. Hij toont aan waarop hij roemen kan als Jood en Farizeeër. Niemand denke dat de apostel deze dingen verachtte (zoals mensen gewoonlijk doen) omdat hij ze niet had om er zich zelven in te verheerlijken. Neen, indien hij in het vlees had willen roemen en vertrouwen, dan zou hij zoveel reden daartoe gehad hebben als iemand anders. Indien iemand anders meent te betrouwen in het vlees, ik nog meer, vers 4. Hij had zoveel om op te roemen als enige andere Jood.
1. De voorrechten van zijn geboorte. Hij was geen proseliet, maar een geboren Israëliet, uit het geslacht van Israël. En hij was van den stam van Benjamin, op wiens grond de tempel stond, en die Juda getrouw bleef toen al de andere stammen afvielen. Benjamin was zijns vaders lieveling, en het was een beminde stam.
Een Hebreeër uit de Hebreeën, Israëliet van beide (vaders en moeders) zijden, en van geslacht tot geslacht, geen van zijn voorouders had huwelijk met iemand uit de heidenen gesloten.
2. Hij kon roemen op zijne betrekkingen tot het verbond en de kerk, want hij was besneden ten achtsten dage, hij had het teken van Gods verbond in zijn vlees, en was besneden op den door God zelf bepaalden dag.
3. Hij was een Farizeeër, opgevoed aan de voeten van Gamaliël, een voornaam leraar der wet, en hij was een geleerde, vertrouwd met al de leringen der Joden, onderwezen overeenkomstig de beste wijze van de wetten der vaderen, Handelingen 22:3. Hij was een Farizeeër, eens Farizeeërs zoon, Handelingen 23:6, die naar de bescheidenste (de gestrengste) sekte van zijn godsdienst geleefd had, Handelingen 26:5.
4. Hij had een onberispelijk verleden naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. Voorzover de farizese uitlegging van de wet betrof en ten opzichte van de letter der wet en haar uitwendige onderhouding, kon hij zeggen, dat hij buiten haar bereik gebleven was en zich van niets had te beschuldigen.
5. Hij was voor zijn godsdienst zeer ijverig geweest. Gelijk hij dien stipt als Farizeeër naleefde, had hij hen ook vervolgd, die hij als haar vijanden beschouwde. Naar den ijver een vervolger der gemeente.
6. Hij toonde dat het hem groten ernst was, ofschoon hij een ijver zonder verstand had. Ik was een ijveraar Gods, gelijk gij allen heden zijt, die dezen weg vervolgd heb tot den dood, Handelingen 22:3, 4. Dit alles was genoeg om een hoogmoedigen Jood vol vertrouwen te doen zijn, en overvloedig voor zijne rechtvaardiging. Maar:
II. De apostel zegt ons hier hoe weinig hij dat alles telt in vergelijking met zijn deel aan Christus en wat hij van Hem verwacht. Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht, vers 7, dat is: al die dingen, die hij voor gewin hield toen hij een Farizeeër was, en waar hij toen op rekende, achtte hij schade om Christus' wil. Ik zou het een onberekenbaar verlies geacht hebben, indien ik, door die dingen te behouden, mijn deel aan Christus verloren had. Hij achtte dit verlies, niet alleen buiten staat om hem te verrijken, maar ze zouden hem zeker verarmen en te gronde richten, wanneer hij hen vertrouwde in plaats van Christus. Merk op: De apostel bewoog hen niet om enig ding te doen, dat hijzelf niet deed, om iets te laten varen, dat hijzelf niet losgelaten had, of om zich te vertrouwen op een grondslag, waarop hijzelf niet zijne ziel vertrouwd had. Ja, gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, vers 8. Hier treedt de apostel in nadere verklaring.
1. Hij verhaalt ons wat het is, dat hij zo ijverig najaagt, het was de kennis van Christus Jezus zijnen Heere, een gelovige ondervindelijke kennis van Christus als Heere, niet bloot verstandelijk en bespiegelend, maar een praktische en vruchtdragende kennis. In dien zin wordt kennis soms voor geloof genoemd.
Door Zijne kennis -de kennis van Hem-zal mijn knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, Jesaja 53:11. En dit is de uitnemendheid van de kennis. Er is een overvloeiende en doordringende heerlijkheid in de leer van Christus, of den Christelijken godsdienst, boven alle natuurlijke kennis en uitvindingen van menselijke wijsheid, want zij is gepast voor den toestand van gevallen zondaren, en voorziet hen van al wat zij behoeven, wat zij kunnen begeren of hopen, met alle zaligmakende wijsheid en genade.
2. Hij toont hun waarom hij zijne voorrechten als Jood en Farizeeër verlaten had: Ja gewis. Deze uitdrukking getuigt van heiligen triomf en zielsverheffing, alla men oen ge kai. Er zijn vijf rededelen in het oorspronkelijke. Maar waarlijk evenzo reken ik al die dingen verlies te zijn. Hij had van al die dingen, zijn Joodse voorrechten, tevoren gesproken, hier spreekt hij van alle dingen, alle aardse genoegens en uitwendige voorrechten, welke ook, dingen van die soort of van anderen aard, welke met Christus naar een plaats in zijn hart dongen, of beweerden die te verdienen. Hij had gezegd, dat hij ze alle voor schade rekende, maar men kon vragen: Blijft hij nog bij dat gevoelen? Heeft hij er geen berouw van, dat hij daar afstand van gedaan heeft? Daarom spreekt hij in den tegenwoordigen tijd: Ja gewis, ik acht ook. Doch men zou kunnen zeggen: Het is gemakkelijk zo te spreken, maar wat zou hij doen indien hij eens op de proef gesteld werd? En daarom zegt hij ons, dat hijzelf dit geval doorgedacht en doorgemaakt heeft: Om wie ik het verlies van al deze dingen heb geleden. Hij had verlaten al die eer en al dat voordeel als Jood en Farizeeër, en zich onderworpen aan al de ongenade en al het lijden, die het gevolg waren van het aannemen en verkondigen des Evangelies. Toen hij het Christendom aannam, waagde hij daar alles mede en leed het verlies van dat alles, voor de voorrechten van het Christendom. Neen, hij had ze niet alleen gerekend schade te zijn, maar ook drek, skubala, den honden voorgeworpen, ze zijn niet alleen van veel minder waarde dan Christus, maar ze zijn in de hoogste mate afschuwelijk, in vergelijking met Hem. Het Nieuwe Testament spreekt van de zaligmakende genade nooit met enige verkleinende uitdrukking, maar stelt haar integendeel voor als de vrucht van den Heiligen Geest en het beeld Gods in de ziel des mensen, als de goddelijke natuur, het zaad Gods. En het geloof wordt genoemd het dierbare geloof, en zachtmoedigheid is kostelijk voor God, 1 Petrus 3:4, 2 Petrus 1:1.