Ezra 7:1-10
I. Hier is Ezra's stamboom. Hij was een van de zonen van Aäron, een priester, God verkoos hem om een werktuig ten goede te zijn voor Israël, ten einde eer te leggen op het priesterschap, welks glans zeer getaand was door de gevangenschap. Hij wordt gezegd de zoon te zijn van Seraja, die Seraja, die naar verondersteld wordt, door de koning van Babel bij de verwoesting van Jeruzalem ter dood werd gebracht, 2 Koningen 25:18, 21 K. Als wij de kortste berekening aannemen, dan was het vijf en zeventig jaren geleden dat Seraja stierf, velen achten dat het veel langer was, en omdat zij veronderstellen dat Ezra geroepen werd in de bloei van zijn jaren om in de openbare dienst werkzaam te zijn, menen zij dat Seraja niet zijn eigen vader, maar zijn grootvader was, of wel zijn overgrootvader, maar dat hij de eerste persoon van gewicht was, die in deze geslachtslijst opwaarts voortkomt welke geslachtslijst hier opklimt tot aan Aäron, waarvan echter velen, kortheidshalve, uitgelaten zijn, die uit 1 Kronieken 6:4 en vervolgens aangevuld kunnen worden. Hij was een jongere broeder, of zijn vader was Jozadak, de vader van Jesua, zodat hij geen hogepriester was, maar wel na aan de hogepriester verwant.
II. Zijn karakter. Hij behoorde tot het jongere huis, maar zijn persoonlijke hoedanigheden stelden hem vooraan onder zijn volk.
1. Hij was een man van grote geleerdheid. Hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, vers 6. Hij was zeer bekend met de Schrift, inzonderheid met de geschriften van Mozes, had de woorden van de schriften in zijn geheugen en kende er de zin en de de betekenis van. Het is te vrezen dat geleerdheid onder de Joden in Babel op een laag peil stond, maar Ezra was het middel om haar weer onder hen te doen herleven. De Joden zeggen dat hij al de afschriften van de wet, die hij kon vinden, verzamelde en met elkaar vergeleek, en er een nauwkeurige editie van uitgaf met al de profetische, historische en poëtische boeken, die door Goddelijke ingeving geschreven waren, en aldus de canon van het Oude Testament samenstelde, met toevoeging van de profetieën en geschiedenissen van zijn eigen tijd. Indien hij door God verwekt, bekwaam gemaakt en geneigd werd om dit te doen dan hebben alle geslachten reden om hem zalig, d.i. gezegend te noemen, en God voor hem te danken. God heeft de Joden "profeten en schriftgeleerden gezonden!" Mattheus 23:34. Ezra behoorde tot de laatste. Nu de profetie weldra ging ophouden, was het tijd om Schriftkennis te bevorderen ingevolge de raad Gods door de laatste van de profeten, Maleachi 4:4. "Gedenkt van de wet van Mozes." De dienaren van het Evangelie worden genoemd "schriftgeleerden, in het koninkrijk van de" "hemelen onderwezen," Mattheus 13:52, Nieuw Testamentische schriftgeleerden. Het was jammer dat zo waardig een naam als deze is, gedragen werd, zoals hij werd gedragen in de ontaarde eeuwen van de Joodse kerk, door mannen, die verklaarde vijanden waren van Christus en Zijn Evangelie: Wee u, gij schriftgeleerden en farizeen- die geleerd waren in de letter van de wet, maar vreemdelingen waren naar de geest ervan.
2. Hij was een man van grote Godsvrucht en heiligen ijver, vers 10. Hij had zijn hart gericht om de wet des Heeren te zoeken en te doen, enz. Wat hij tot voorwerp koos van zijn studie was de wet des Heeren. De Chaldeën, onder wie hij geboren en opgevoed was, waren vermaard voor letterkunde en inzonderheid voor het bestuderen van de sterren. Men kan veronderstellen dat Ezra, die een leergieriger aard had, wel in verzoeking kan geweest zijn om zich daarop toe te leggen, maar hij kwam die verzoeking teboven, de wet van zijn God was hem meer dan alle de geschriften van de magiërs en astrologen, van wie hij genoeg wist om hen met goede reden, te verachten. a. Hij zocht de wet des Heeren, dat is: hij stelde zich ten taak haar te onderzoeken, hij onderzocht de Schriften en zocht de kennis van God in de Schrift, Zijn wil en Zijn bedoeling, die daar te vinden is, maar niet zonder er naar te zoeken.
b. Hij maakte er een gewetenszaak van om haar te doen, hij stelde haar zich voor als zijn regel, richtte er zich naar in zijn gevoelens, maakte dat geheel zijn levenswandel er mee in overstemming was. Dat is het gebruik, dat wij moeten maken van onze kennis van de Schrift, want zalig zijn wij zo wij doen wat wij weten de wil Gods te zijn.
c. Hij had zijn hart gericht om in Israël te leren de inzettingen en de rechten van deze wet. Wat hij wist wilde hij gaarne tot welzijn van anderen mededelen, want de bediening des Geestes is aan een ieder gegeven om er nut mee te doen. Maar let op de methode, die hij volgde, eerst leerde hij en toen onderwees hij, zocht de wet des Heeren en legde aldus een goede schat op, en toen onderrichtte hij anderen en gaf hij uit wat hij opgelegd had. Ook heeft hij eerst gedaan en toen onderwezen, de geboden in beoefening gebracht en toen anderen in het beoefenen ervan onderricht, en aldus heeft zijn voorbeeld zijn leer bevestigd.
d. Hij richtte zijn hart om dit alles te doen. Hij gaf zich moeite voor zijn studiën, legde er zich op toe om zelf goed te verstaan wat hij aan anderen wilde leren, volhardde in zijn onderzoek, en zo is hij een vaardig schriftgeleerde geworden. Mozes in Egypte, Ezra in Babel, en beide in gevangenschap waren verwonderlijk toegerust en bekwaam gemaakt om van de kerk voortreffelijke diensten te bewijzen.
III. Zijn tocht naar Jeruzalem tot welzijn van zijn land. Hij toog op uit Babel, vers 6, en kwam in vier maanden tijds te Jeruzalem, vers 8. Het was vreemd, dat een man als hij zolang in Babel is gebleven, nadat zijn broederen vertrokken waren, maar God heeft hem niet naar Jeruzalem gezonden, eer Hij er werk voor hem te doen had en niemand ging dan zij, wier geest God verwekte, dat zij optrokken. Sommigen denken dat deze Artahsastha dezelfde was als Darius, wiens decreet wij hadden in Hoofdst. 6, en dat Ezra kwam in hetzelfde jaar, dat de tempelbouw voleindigd was, dat was het zesde jaar, dit het zevende, vers 8. Aldus Dr. Lightfoot. Mijn waardige en geleerde vriend, die onlangs overleden is, Ds. Tallents, plaatst het in zijn chronologische tabellen omstreeks vijftien jaren na de voltooiing van de tempel, anderen nog later. Ik heb slechts op te merken:
1. Hoe vriendelijk de koning voor hem was, de koning gaf hem al zijn verlangen, al wat hij begeerde om hem instaat te stellen zijn land te dienen.
2. Hoe vriendelijk zijn volk voor hem was toen hij ging, gingen velen met hem, omdat zij niet in Babel wilden blijven als hij heenging, en omdat zij het wel wilden wagen in Jeruzalem te wonen als hij daar was.
3. Hoe vriendelijk zijn God voor hem was, hij verkreeg deze gunst van zijn koning en zijn land naar de goede hand des Heeren zijns Gods over hem, vers 6, 9. Ieder schepsel is datgene voor ons wat God het doet zijn, en ons recht komt voort uit Hem. Gelijk wij de gebeurtenissen, die plaats zullen hebben, in de hand van God moeten zien, zo moeten wij de hand van God zien in de gebeurtenissen, die plaatshebben, en Hem erkennen met dankbaarheid, als wij reden hebben het Zijn goede hand te noemen.