Ezra 5:3-17
Wij zien hier:
I. Dat hun naburen spoedig kennisnamen van de wederopvatting van dit goede werk. Het schijnt dat zij een waakzaam, achterdochtig oog op hen gevestigd hielden, en niet zodra had de Geest Gods de vrienden van de tempel opgewekt om er voor op te treden of de boze geest porde de vijanden aan om er tegen op te treden. Terwijl het volk hun eigen huizen bouwde en overwelfde, hebben hun vijanden hun geen overlast aangedaan, Haggai 1:4, hoewel de koning bevolen had het bouwen van de stad te doen ophouden Hoofdst. 4:21. Maar toen zij weer aan de tempel begonnen te bouwen, werd terstond de alarmklok geluid en werden alle hoofden en handen aan het werk gezet om het te verhinderen, vers 3, 4. De tegenstanders worden hier genoemd: Thathnai en Sthar-Boznai. De landvoogden, van wie wij lazen in Hoofdst. 4, waren waarschijnlijk verplaatst of afgezet in het begin van deze regering, het is de staatkunde van vorsten om dikwijls van stadhouders, proconsuls en bestuurders van provincies te veranderen. Nu waren dezen, hoewel werkelijke vijanden van de tempelbouw, toch mannen van een betere gemoedsaard dan de anderen, en die nauwgezet genoeg waren van geweten om de waarheid te zeggen, als "het geloof niet aller is," 2 Thessalonicenzen 3:2, T dan is het goed, dat het sommigen toch niet aan trouw en waarheidsliefde ontbreekt. De vijanden van de kerk zijn niet allen even slecht en onzedelijk. De gewijde geschiedschrijver begint met te verhalen wat er tussen de bouwers en hun ondervragers is voorgevallen, vers 3, 4, maar breekt zijn verhaal af en verwijst naar het afschrift van de brief, die zij de koning gezonden hebben, waar hetzelfde uitvoeriger is meegedeeld, dat hij begonnen is meer beknopt te verhalen, vers 4, of waarvan hij een uittreksel had willen geven, maar bij nader bedenken heeft hij de brief maar liever in zijn geheel opgenomen.
II. De zorg van Gods voorzienigheid voor dit goede werk, vers 5. Het oog Gods was op de oudsten van de Joden, die actief waren in het werk, zodat hun vijanden hen niet konden doen ophouden zoals zij wel gewild hadden, totdat de zaak tot Darius kwam. Zij verlangden slechts dat zij met het werk zouden ophouden totdat zij instructies hadden van Darius. Maar ook dat wilden zij niet, want het oog van hun God was op hen. En:
1. Dat stelde hun vijanden teleur, verdwaasde en verzwakte hen en beschermde de bouwers tegen hun boze bedoelingen. Terwijl wij in Gods werk bezig zijn, zijn wij onder Zijn bijzondere bescherming, Zijn oog is op ons ten goede, zeven ogen op een steen in Zijn tempel, zie Zacheria 3:9, 4:10.
2. Dat heeft hen opgewekt en verlevendigd, de Joden zagen het oog van God op hen, om gade te slaan wat zij deden en hen te erkennen, te zegenen in hetgeen zij goed deden, en toen hadden zij moed genoeg om hun vijanden het hoofd te bieden en krachtig voort te gaan met hun werk in weerwil van alle tegenstand, die zij er bij ontmoetten. Ons oog op God, ziende dat Zijn oog op ons is, zal ons bij onze plicht houden en er ons in aanmoedigen, al zijn de bezwaren ook nog zo ontmoedigend.
III. Het bericht, dat zij de koning hieromtrent zonden waarin wij kunnen opmerken: 1. Hoe volledig de oudsten van de Joden de Samaritanen hebben ingelicht over hetgeen zij deden. Ziende hoe ijverig zij aan het werk waren en hoe voorspoedig het voortging, daar alle handen aan het werk waren om het gebouw zo spoedig mogelijk te doen verrijzen, hebben zij hun deze vragen gesteld: "Door wat macht doet gij deze dingen? En wie heeft u deze macht gegeven? Wie heeft u aan het werk gezet? Bezit gij het nodige om het ten einde te brengen?" Hierop antwoordden zij dat zij genoegzaam gevolmachtigd waren om te doen wat zij deden, want:
a. Wij zijn knechten van de God des hemels en van de aarde. De God, die wij aanbidden, is geen plaatselijke godheid, en daarom kan ons niet ten laste gelegd worden dat wij een partij willen vormen of een secte willen stichten door deze tempel te bouwen tot Zijn eer, nee, wij bieden hulde aan een God, van wie de gehele schepping afhankelijk is, en daarom behoren wij door iedereen geholpen en beschermd, maar door niemand gehinderd te worden. Het is de wijsheid zowel als de plicht van koningen om de knechten van de God des hemels te steunen.
b. "Wij hebben een aloud recht op dit huis, het werd tot eer van God gebouwd door Salomo, vele eeuwen geleden. Het is geen nieuw bedenksel van ons, wij "richten slechts de fundamenten op van vele" "geslachten," Jesaja 58:12.
c. "Het was om ons te straffen voor onze zonden, dat wij voor een tijd buiten het bezit van dat huis gesteld werden, niet omdat de goden van de volken overmocht hebben tegen onze God, maar omdat wij Hem vertoornd hebben, vers 12, weshalve Hij ons en onze tempel overgeleverd heeft in de handen van de koning van Babel, maar daarmee heeft Hij nooit bedoeld een einde te maken aan onze Godsdienst. Wij werden slechts tijdelijk geschorst, niet voor goed ontzet."
d. "Wij hebben het koninklijk edict van Cyrus om ons te rechtvaardigen in wat wij doen. Hij heeft ons niet slechts toegelaten, niet slechts veroorloofd, maar geboden dit huis te bouwen vers 13, en het te bouwen in deze plaats, vers 15 dezelfde plaats, waar het tevoren gestaan heeft." Hij heeft dit bevolen, niet alleen uit medelijden met de Joden, maar uit eerbied voor hun God, zeggende: Hij is de God Hij heeft ook de vaten van de tempel overgeleverd aan één aan wie hij ze toevertrouwd heeft, om ze op hun oude plaats te brengen voor hun vorig gebruik vers 14. En zij hadden ze om ze hun te kunnen tonen, ter bevestiging van hetgeen zij hebben aangevoerd.
e. "Het bouwen was begonnen ingevolge en overeenkomstig zijn bevel, zodra wij teruggekomen zijn, zodat wij het voorrecht van zijn order niet verbeurd hebben wegens nalatigheid om het intijds te doen, wij zijn met bouwen voortgegaan, maar wegens de tegenstand, die wij er bij ontmoet hebben, is het niet voltrokken." Merk echter op dat zij geen melding maken van de leugen en boosaardigheid van de vorige landvoogden, daar niet over klagen, hoewel zij er reden genoeg toe hadden, om ons te leren geen bitterheid met bitterheid te vergelden of het rechtmatigst verwijt te doen voor hetgeen ten hoogste onrechtvaardig was, maar het voldoende te achten, zo wij in het vervolg beter en billijker behandeling kunnen verkrijgen, zonder een hatelijk terugkomen op vroeger ons aangedaan onrecht, vers 16. Dat is de rekenschap, die zij geven van hun doen, niet vragende welke volmacht zij hebben om hen te ondervragen, geen verwijt tot hen richtende over hun afgoderij, hun bijgeloof, hun mengelmoes van godsdienst. Laat ons hieruit leren om met zachtmoedigheid en vreze "rekenschap te geven van de hoop, die in" "ons is", 1 Petrus 3:15 recht te begrijpen en dan geredelijk te verklaren wat wij doen in de dienst van God, en waarom wij het doen. 2. Hoe getrouw en naar waarheid de Samaritanen dit de koning hebben voorgesteld.
a. Zij noemen de tempel te Jeruzalem het huis van de grote God, vers 18, want hoewel de Samaritanen nog vele goden en vele heren schijnen gehad te hebben, erkenden zij toch de God Israëls als de grote God, die boven alle goden is. "Het is het huis van de grote God, en daarom durven wij het bouwen ervan niet tegenstaan, zonder orders van u".
b. Zij zeggen hem naar waarheid wat gedaan was, niet zoals hun voorgangers deden, namelijk dat zij bezig waren de stad te versterken, alsof zij voornemens waren oorlog te voeren, maar alleen dat zij de tempel bouwden met het voornemen er God te aanbidden, vers 8.
c. Zij delen hem hun verdediging van hetgeen zij deden volledig mee en willen de zaak in het rechte licht doen zien. Eindelijk. Zij laten het aan de koning over om het archief te raadplegen of Cyrus werkelijk zo'n decreet heeft uitgevaardigd, en dan instructies te geven naar hij het gepast oordelen zal, vers 17. Wij hebben reden te denken dat Artahsastha, indien hem de zaak van de Joden even onpartijdig was voorgesteld, als zij nu aan Darius is voorgesteld, geen bevel zou gegeven hebben om het werk te verhinderen. Gods volk zou niet vervolgd kunnen worden, indien het niet werd belasterd, men zou geen honden op hen hebben kunnen aanhitsen, indien men hen niet eerst in een berenhuid had gestoken. Laat de zaak Gods en van de waarheid slechts naar waarheid voorgesteld en met onpartijdigheid aangehoord worden, en zij zal zegevieren.