Ezra 1:5-11
Hier wordt ons gezegd:
I. Hoe de proclamatie van Cyrus bij anderen geslaagd is.
1. Daar hij de Joden vrijheid had gegeven om naar Jeruzalem te gaan, zijn velen van hen ingevolge daarvan dan ook derwaarts opgetrokken, vers 5.
De aanvoerders op die tocht waren de hoofden van de vaderen van Juda en Benjamin, uitnemende, ervaren mannen, van wie met recht verwacht kon worden dat zij, gelijk zij boven hun broederen stonden in waardigheid, hen ook voor zouden gaan in plichtsbetrachting.
De priesters en Levieten waren-gelijk hun betaamde-onder de eersten, die hun aangezicht naar Zion richtten.
Als er een goed werk gedaan moet worden, zo laat de bedienaars van de Godsdienst er in voorgaan.
Zij, die hen vergezelden, waren de zodanigen wier hart God geneigd had om te gaan. Dezelfde God, die de geest van Cyrus had verwekt om deze vrijheid uit te roepen, wekte hun geest op om er het nut en voordeel van te ontvangen, want het geschiedde "niet door kracht noch door geweld, maar door de Geest des Heeren van de heirscharen," Zacheria 6:4.
Voor sommigen van hen was de verzoeking misschien wel sterk om in Babel te blijven, zij hadden er zich goed en aangenaam gevestigd, hadden aangename betrekkingen aangeknoopt met hun naburen, en zij waren bereid te zeggen: Het is ons goed hier te zijn.
De ontmoedigingen voor hun terugkeer waren velen en sterk; de reis was lang, hun vrouwen en kinderen ongeschikt om te reizen; hun eigen land was hun een vreemd land geworden, de weg er heen een onbekende weg.
Opgaan naar Jeruzalem? En wat zullen zij er doen? Het lag geheel in puin, omringd door vijanden, voor wie zij een gemakkelijke prooi zullen wezen. Die gedachten hebben velen bewogen om in Babel te blijven, tenminste om niet met de eersten op te trekken. Maar er waren sommigen, die over deze bezwaren en moeilijkheden heenkwamen, het waagden om het ijs te breken, en niet vreesden voor de leeuw op de weg, de leeuw op de straten, en zij waren degenen, wier geest door God verwekt was.
Door Zijn Geest en genade gaf Hij hun een edele eerzucht naar vrijheid in het hart, een Godvruchtige liefde voor hun eigen land en een sterk verlangen naar de vrije en openbare uitoefening van hun Godsdienst. Indien God hen aan henzelf had overgelaten en aan de raadgevingen van vlees en bloed dan zouden zij in Babel gebleven zijn, maar Hij gaf het hun in het hart om hun aangezicht naar Zion te richten en, als vreemdelingen, naar de weg er heen te vragen, Jeremia 50:5 want, een nieuw geslacht zijnde, gingen zij, zoals hun vader Abraham, uit dit land van de Chaldeën, niet wetende waar zij komen zouden, Hebreeën 11:8. Welk goed wij doen, wij zijn het zuiver en alleen aan de genade Gods verschuldigd; Hij verwekt onze geest om het te doen, werkt in ons beide het willen en het werken. Van nature neigt onze geest naar deze aarde en naar de dingen van de aarde; als hij zich opwaarts beweegt in enigerlei goede neiging of goede daad, dan is het God, die hem verwekt.
De roeping en aanbieding van het Evangelie zijn als Cyrus' proclamatie: de gevangenen wordt loslating gepredikt, Lukas 4:19.
Zij, die gebonden zijn onder de onrechtvaardige heerschappij van de zonde en blootstaan aan het rechtvaardig oordeel Gods, kunnen door Jezus Christus vrij worden gemaakt. Voor allen, die door boete en berouw, door bekering en geloof, willen wederkeren tot God, tot hun plicht jegens God, tot hun geluk in God, heeft Jezus Christus de weg geopend, en Hij laat hen opgaan van uit de slavernij van de zonde tot de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods.
De aanbieding is algemeen, zij is gericht tot allen.
Christus doet die aanbieding ingevolge van de schenking, die Zijn Vader Hem gedaan heeft van alle macht in hemel en op aarde, (een veel grotere heerschappij dan die aan Cyrus gegeven was, en van de opdracht, die Hem gegeven is om Hem een huis te bouwen, Hem een kerk op te richten in de wereld, een koninkrijk onder de mensen.
Velen, die dit blijde geklank horen, verkiezen toch om maar stil in Babel te blijven zitten; zij hebben hun zonden lief en wagen zich niet aan de moeilijkheden van een heilig leven; maar er zijn sommigen, die door de bezwaren en ontmoedigingen heenbreken en besluiten het huis Gods te bouwen, wat het hun ook moge kosten.
Dat zijn degenen, wier geest God verwekt heeft, opgeheven heeft boven de wereld en het vlees, "en die Hij gewillig heeft gemaakt ten dage van Zijn heirkracht", Psalm 110:3.
Aldus zal het hemelse Kanaän bevolkt worden, ofschoon er velen omkomen in Babel, en zal de aanbieding van het Evangelie niet tevergeefs gedaan zijn.
2. Cyrus had order gegeven, dat hun naburen hen zouden helpen, en zij deden het, vers 6. Allen, die hen omringden, voorzagen hen van zilveren vaten, goud en have, om de kosten te bestrijden van hun reis, en hen te helpen in het bouwen en meubileren, zowel van hun eigen huizen als van Gods huis. Gelijk de tabernakel gemaakt werd van de roof van Egypte en de eerste tempel werd gebouwd door de arbeid van de vreemdelingen, zo werd de tweede tempel opgericht door de bijdragen van de Chaldeën, en dit alles wijst op de toelating ter bestemder tijd van de heidenen in de kerk.
Als het Hem behaagt, kan God het hart van vreemdelingen neigen om vriendelijk te zijn voor Zijn volk en hun handen doen sterken door degenen, die ze verzwakt hadden de aarde kwam de vrouw te hulp.
Behalve alles wat vrijwillig gegeven werd uit een beginsel van liefde tot God en Zijn huis door de Joden zelf, die achterbleven, werd veel men kan wel zeggen onwillig-geofferd door de Babyloniërs onder de invloed van een Goddelijke kracht, een drang op hun gemoed, waarvan zij zelf zich geen rekenschap konden geven.
II. Hoe deze proclamatie gesteund werd door Cyrus zelf. Om een bewijs te geven van de oprechtheid van zijn welwillendheid jegens het huis Gods, heeft hij niet slechts het volk Gods vrijgelaten, maar ook de vaten des tempels teruggegeven, vers 7, 8.
Merk hier op:
1. Hoe zorgzaam Gods voorzienigheid was voor de vaten van de tempel, zodat zij niet verloren waren geraakt, niet versmolten waren of zo met andere vaten vermengd dat zij niet te herkennen waren, maar nu allen tevoorschijn werden gebracht. Zulke zorg heeft God over de levende "vaten van de barmhartigheid, de vaten van de ere," waarvan gezegd is, 2 Timotheus 2:19, 20 T : "de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, en niemand uit hen zal verloren gaan".
2. Hoewel zij in een afgodstempel geplaatst waren en waarschijnlijk in de dienst van de afgoden gebruikt waren geworden, werden zij toch teruggegeven om voor God te worden gebruikt. God zal het Zijne terug erlangen, en de roof van de sterk gewapende zal ten gebruike van de overwinnaar worden aangewend.
3. Juda had een vorst, zelfs in de gevangenschap. Sesbazar, die ondersteld wordt dezelfde te zijn als Zerubbabel, wordt hier de vorst van Juda genoemd; de Chaldeën noemden hem Sesbazar, hetgeen betekent: blijdschap in verdrukking, maar onder zijn eigen volk droeg hij de naam van Zerubbabel, een vreemdeling in Babel; aldus beschouwde hij zichzelf, en dat Jeruzalem zijn tehuis, zijn vaderland was, hoewel hij, gelijk Josefus zegt, kapitein was van de lijfwacht van de koning van Babel.
Hij droeg zorg voor de zaken van de Joden, en had enig gezag over hen, sedert de dood waarschijnlijk van Jojachin of Jechonia, die hem tot zijn erfgenaam maakte, daar hij van het huis van David was.
4. Aan hen werden de heilige vaten toegeteld, vers 8, en hij droeg zorg voor hun veilige overbrenging naar Jeruzalem, vers 11..
Het zal hen aanmoedigen om de tempel te bouwen, dat zij zo rijke meubelen hadden, om er in geplaatst te worden, als hij gebouwd zal zijn.
Hoewel Gods inzettingen, evenals de veten van het heiligdom, verdorven en ontwijd worden door het Nieuw-Testamentische Babel, zullen zij toch ter bestemder tijd tot haar oorspronkelijk gebruik en bedoeling teruggebracht worden, want geen tittel of jota van Gods instellingen zal ter aarde vallen.