Ezra 1:1-4
Het zal goed zijn om hier eens na te gaan:
1. Hoe de toestand was van de gevangen doden in Babel. In vele opzichten was hij diep treurig; zij waren in de macht van hen, die hen haatten, hadden niets, dat zij het hun konden noemen; geen tempel, geen altaar. Als zij psalmen zongen, werden zij door hun vijanden bespot, en toch waren er profeten onder hen.
Ezechiël en Daniël werden afgezonderd gehouden van de heidenen; sommigen van hen kregen hoge bedieningen aan het hof, anderen waren goed gevestigd op het land, en allen werden zij gesteund en gedragen door de hoop dat zij ter bestemder tijd naar hun eigen land zouden terugkeren. In de verwachting daarvan hielden zij de onderscheidingen hunner geslachten in stand, bewaarden zij de kennis van hun Godsdienst en koesterden zij een diepen afkeer van afgoderij.
2. Wat de toestand was van de regering, onder welke zij zich bevonden. Nebukadnezar heeft velen van hen weggevoerd in gevangenschap in het eerste jaar zijner regering, dat het vierde was van Jojakim.
Nebukadnezar heeft twee en veertig jaren (604-56 geregeerd; zijn zoon Evilmerodach anderhalf jaar (561-560). Deze werd vermoord door Neriglissar, die van 559-556 regeerde. Diens zoon Labasji-Merodach werd na een regering van negen maanden vermoord en opgevolgd door Nabonedus (556-539). In 546 droeg deze het feitelijk bestuur op aan zijn zoon Belsasar, die daarom in Daniël 5:1 "Koning" genoemd wordt en Daniël (in 5:1 belooft dat hij de derde (niet de tweede) heerser in het Koninkrijk zal zijn.
Aan Nebukadnezar wordt ten laste gelegd, dat hij zijn gevangenen niet liet losgaan naar huis toe, Jesaja 14:17. En zo hij barmhartigheid had betoond aan de arme Joden, het zou, zegt hem Daniël, "de verlenging van zijn vrede geweest zijn," Daniël 4:27.
Maar eindelijk is de maat van de ongerechtigheid van Babel vol geworden, en toen werd er verwoesting over gebracht door Cyrus, de Perziaan. Deze werd door God gebruikt als het werktuig van de bevrijding van de Joden, waarvoor hij orders gaf, zodra hij meester was geworden van het Babylonische rijk, en wel in 538, hetzij uit staatkunde, om zijn nieuw gevestigde heerschappij als barmhartig en zacht voor te stellen; of, zoals sommigen denken, uit vromen eerbied voor de profetie van Jesaja, die openbaar was gemaakt en wel bekend was meer dan honderd en vijftig jaren tevoren, en waarin hij uitdrukkelijk genoemd werd als de man, die dit voor God doen zou, en voor wie God grote dingen zou doen, Jesaja 44:28, 45:1 en verv. en die hem wellicht getoond was door personen uit zijn omgeving.
Sommigen zeggen dat zijn naam in de Perzische taal "de zon" betekent, want hij bracht licht en genezing aan de kerk Gods, en was een voornaam type van Christus de Zon van de gerechtigheid.
Anderen zeggen dat zijn naam betekent een "vader," en Christus is de Vader van de eeuwigheid.
Nu wordt ons hier gezegd: I. Hoe deze proclamatie ontstaan is. "De Heere verwekte de geest van Kores". De harten van de koningen zijn in de hand des Heeren als waterbeken, Hij neigt ze tot al wat Hij wil.
Van Cyrus wordt gezegd dat hij God niet kende en Hem niet wist te dienen; maar God kende hem, en wist hoe zich van hem te doen dienen, Jesaja 45:4.
God regeert de wereld door Zijn invloed op de geest van de mensen, en wèlk goed er te eniger tijd gedaan wordt, het is God, die de geest opwekt om het te doen gedachten in het hart geeft, het verstand geeft om een recht oordeel te vormen, en de wil leidt waarheen Hij wil.
Welke goede diensten er dus voor de kerk gedaan worden, God moet er de eer voor ontvangen.
II. Dat zij in verband stond tot de profetie van Jeremia, door wie God niet alleen beloofd had dat zij zouden terugkeren, maar de tijd ervoor bepaald had; welke bestemde tijd om Zion gunst te betonen, nu gekomen was. Zeventig jaren waren vastgesteld, Jeremia 25:12; 29:10 en Hij, die de belofte gehouden heeft betreffende Israëls verlossing uit Egypte, tot op de eigen dag toe, Exodus 12:41, was ongetwijfeld even nauwkeurig in het houden van deze belofte.
Wat Cyrus nu deed, was voorlang reeds gezegd de bevestiging te zijn van het woord van Gods knechten, Jesaja 44:26.
Jeremia was bij zijn leven gehaat en veracht, maar aldus heeft Gods voorzienigheid hem lang daarna geëerd, dat een machtig vorst handelt ingevolge van het woord des Heeren in zijn mond.
III. De datum van deze proclamatie. Het was in zijn eerste jaar, niet het eerste van zijn regering over Perzië, het rijk, dat hem door geboorte toekwam, maar het eerste van zijn regering over Babel, het rijk, dat hij had veroverd. Diegenen zijn zeer geëerd, wier geest opgewekt wordt om met God te beginnen en Hem te dienen in hun eerste jaren.
IV. De afkondiging ervan: zij geschiedde mondeling, hij liet een stem doorgaan door zijn gehele koninkrijk, als de bazuin van een jubeljaar (een vreugdevol sabbatjaar na zoveel treurige), vrijheid verkondigende aan de gevangenen.
De bekendmaking geschiedde ook bij geschrifte, teneinde volkomen voldoende te zijn, en opdat zij tot de afgelegen provincies gezonden kon worden, waarheen de tien stammen verstrooid waren, in Assyrië, en Medië, 2 Koningen 17:6 K.
V. De inhoud en strekking van deze proclamatie van de vrijheid.
1. De inleiding legt de oorzaken en de overwegingen bloot, die hem er toe bewogen hebben, vers 2. Zijn geest schijnt verlicht te zijn geweest met de kennis van Jehovah, want zo noemt hij Hem, de God Israëls, als de enig levende en ware God, de God des hemels, die de vrijmachtige Heere en beschikker is over al de koninkrijken van de aarde; van Hem zegt hij, vers 3 : Hij is de God, alleen God, God boven allen. Hoewel hij God niet gekend heeft door opvoeding, heeft God nu inzoverre zich aan hem doen kennen, dat hij deze dienst deed met het oog op Hem. Hij belijdt dat hij het doet:
a. In dankbaarheid aan God voor de gunsten, die Hij hem geschonken had. "De God des hemels heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven". Dit klinkt wel ietwat verwaand, want er waren vele koninkrijken van de aarde, waarover hij niets te zeggen had; maar hij bedoelt dat God hem alle heeft gegeven, die aan Nebukadnezar gegeven waren, wiens heerschappij, zegt Daniël, aan het einde des aardrijks reikte, Daniël 4:22.
God is de fontein van macht; de koninkrijken van de aarde zijn tot Zijn beschikking; welk deel sommigen ervan hebben, zij hebben het van Hem, en zij, aan wie God grote macht en uitgestrekte bezittingen heeft toevertrouwd, moeten zich hierdoor gehouden en verplicht rekenen om veel voor Hem te doen.
b. Uit gehoorzaamheid aan God. "Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem"; waarschijnlijk in een droom of nachtgezicht, bevestigd door de vergelijking er van met de profetie van Jesaja, waarin zijn doen ervan voorzegd was.
Israëls ongehoorzaamheid aan Gods bevel, die hun dikwijls verweten is, wordt verzwaard door de gehoorzaamheid van deze heidensen koning.
2. Hij geeft verlof aan al de Joden in zijn gebied om op te gaan naar Jeruzalem, en er de tempel des Heeren te bouwen, vers 3. Zijn achtslaan op God deed hem:
a. Het wereldlijk belang zijn regering voorbijzien. Het zou in zijn staatsbelang geweest zijn om zo groot een aantal tot dienst geschikte mannen in zijn land en onder zijn gebied te houden, en het scheen onstaatkundig om hen wederom vasten voet te laten krijgen in hun eigen land; maar gehoorzaamheid aan God is de beste staatkunde.
b. De eer voorbijzien van de Godsdienst van zijn eigen land. Waarom heeft hij hun niet bevolen om een tempel te bouwen voor de goden van Babel of van Perzië? Hij gelooft dat de God Israëls de God des hemels is, en daarom stelt hij het Israël ten plicht Hem alleen te aanbidden; laat hen wandelen in de naam huns Gods.
3. Hij voegt er een verlof aan toe om een collecte te houden ter tegemoetkoming in de kosten voor hen, die arm waren en niet in staat om ze zelf te dragen, vers 4.
"Als er zijn die blijven omdat zij het niet kunnen bekostigen om naar Jeruzalem te gaan, zo laat de lieden hunner plaats hen helpen."
Sommigen houden dit voor een order aan des konings beambten, om hen uit zijn eigen inkomsten van het nodige te voorzien, zoals in Hoofdst. 6:8.
Maar het kan een volmacht betekenen aan de gevangenen, om aalmoezen en bijdragen te vragen en te ontvangen van al de onderdanen des konings. En wij kunnen onderstellen dat de Joden zich zo goed hadden gedragen onder hun naburen, dat deze even ijverig waren om hen te helpen omdat zij hen liefhadden, als de Egyptenaars omdat zij hen moe waren.
Velen tenminste zullen vriendelijk voor hen geweest zijn omdat zij zagen dat dit van de regering welgevallig was. Cyrus gaf aan hen, die vertrokken, niet alleen zijn goede wensen mee (hun God zij met hen, vers maar droeg ook zorg om hen te voorzien van hetgeen zij nodig hadden. Hij nam aan dat diegenen onder hen, die er toe bij machte waren een vrijwillige gave zouden geven voor het huis Gods, om er de herbouw van te bevorderen. Maar bovendien wilde hij, dat zij ook uit zijn eigen rijk bijdragen zouden ontvangen. Die de tempel wel willen, moeten er wèl aan doen.