Esther 9:20-32
Wij kunnen ons voorstellen hoe diep getroffen Mordechai en Esther waren door de triomf van de Joden over hun vijanden en hoe zij de uitslag van die beslissende dag aanzagen met een blijdschap en voldoening, geëvenredigd aan de zorg en kommer, waarmee zij hem tegemoet hadden gezien. Hoe was hun hart verruimd door blijdschap in God en Zijn heil, en welke lofliederen waren in hun mond gegeven! Maar nu wordt ons hier gezegd welke maatregelen zij genomen hebben om er de kennis van te verspreiden onder hun volk, en er de gedachtenis van te bestendigen onder het nageslacht, tot eer van God en om Zijn volk aan te moediger om te allen tijde op Hem te vertrouwen.
I. De geschiedenis werd geschreven en afschriften ervan verspreid onder al de Joden in al de provincies van het rijk, die nabij en die verre waren, vers 20. Allen wisten iets van de geschiedenis, daar zij er van zeer nabij in betrokken waren-zich door het eerste edict bewust waren geworden van hun gevaar en door het tweede van hun verlossing, maar hoe die verbazingwekkende ommekeer gewerkt was, wisten zij niet. Daarom heeft Mordechai deze geschiedenissen beschreven. En indien dit boek hetzelfde is dat hij schreef, zoals velen denken, dan moet ik wijzen op het verschil tussen Mordechai's stijl en die van Nehemia. Nehemia neemt bij iedere wending nota van Gods voorzienigheid en de goede hand van zijn God over hem, hetgeen zeer geschikt is om Godvruchtige aandoeningen op te wekken in het hart van zijn lezers, maar Mordechai noemt in geheel zijn boek de naam van God niet eens. Nehemia schreef zijn boek te Jeruzalem waar de Godsdienst in zwang was, en dit bleek zelfs in de gewone gesprekken van de mensen, Mordechai schreef het zijne op de burcht Susan waar staatkunde meer heerste dan vroomheid, en zo schreef hij dan naar de aard van de plaats Zelfs zij, die de wortel van de zaak in zich hebben, zijn er aan onderhevig om de geur en smaak van de Godsdienst te verliezen en hun blad te laten verdorren, als zij geheel en al omgang hebben met hen, die slechts weinig Godsdienst hebben. Het is Nehemia's schrijfwijze, die ik gaarne zou navolgen, maar uit die van Mordechai leer ik dat mensen waarlijk Godvruchtig zijn kunnen, al zijn zij ook niet overvloedig in de uiterlijke kenmerken en uitdrukkingen ervan, en dat wij dus onze broederen niet moeten oordelen of verachten. Omdat er echter zo weinig van de tale Kanaäns in dit boek is, denken velen dat het niet door Mordechai werd geschreven, maar dat het een uittreksel is van de jaarboeken van de koningen van Perzië, slechts een bericht gevende van de feiten, die de doden zelf dan wel nader zullen weten te verklaren.
II. Er werd een feest ingesteld, dat jaarlijks van geslacht tot geslacht door de Joden gevierd moest worden ter gedachtenis aan dit wonderwerk, dat God voor hen gewrocht heeft, "opdat de kinderen, die" "geboren zouden worden," het zouden weten en het "hun kinderen" "zouden vertellen, en hun hoop op God zouden stellen," Psalm 78:6,7. Het zal wezen tot eer van God als de beschermer van Zijn volk, en tot de eer van Israël als het voorwerp van de zorg van de hemel, een bevestiging zijn van de getrouwheid van Gods verbond, een uitnodiging aan vreemdelingen om tot de gemeenschap ervan toe te treden, en een aanmoediging voor Gods eigen volk om goedsmoeds ook in de grootste moeilijkheden en gevaren op Hem, op Zijn wijsheid en macht en goedheid te steunen en te betrouwen. Het nageslacht zal het voordeel oogsten van deze verlossing, weshalve zij de gedachtenis ervan behoren te vieren.
Betreffende dit feest wordt ons hier meegedeeld: 1. Wanneer het gevierd moet worden: ieder jaar op de veertiende en vijftiende dag van de twaalfde maand, juist een maand voor het pascha vers 21. Aldus hebben de eerste maand en de laatste maand van het jaar de maanden in herinnering gehouden, die voorbijgegaan waren, de dagen toen God hen bewaarde. Zij hielden twee opeenvolgende dagen als dagen van dankzegging, en achtten die niet te veel om doorgebracht te worden in het loven van God. Laat ons niet karig zijn in Hem onze dankzegging te brengen, die ons zo mildelijk Zijn gunsten en weldaden schenkt.
Merk op: Zij hielden de dag niet toen zij streden, maar wel de dagen toen zij rustten, op de veertiende dag rustten de Joden van de provincies, en op de vijftiende die te Susan woonden, en zij hielden beide dagen. De sabbat was vastgesteld niet op de dag dat God Zijn werk volbracht had maar op de dag toen Hij er van rustte. De hedendaagse Joden nemen de dertiende dag, de dag vastgesteld voor hun verdelging, waar als een vastendag, en gronden dit op vers 31, de zaken van het vasten en hun geroep. Maar dat ziet op de dag van hun benauwdheid, Hoofdst. 4:3, 16, die niet bestendigd moest worden, nadat God hun vasten in "vreugde" "en blijdschap" verkeerd had, Zacheria 8:19.
2. Hoe het genoemd werd: het feest van purim, vers 26, naar pur, een Perzisch woord dat lot betekent, omdat Haman door het lot beslist had dat dit de dag zou wezen voor de verdelging van de Joden, terwijl de Heere, wienshet beleid is van het lot, bepaald had dat het de tijd zou wezen van hun triomf. De naam van dit feest zal hen herinneren aan de souvereine heerschappij van de God Israëls, die de dwaze bijgelovigheden van de heidenen tot Zijn eigen doeleinden heeft doen dienen, en "die naar de nieuwe manen voorzeggen" overtroffen heeft in wijsheid, Jesaja 47:13, "de tekenen van de leugendichters vernietigende, en de waarzeggers dol" " makende," Jesaja 44:25.
3. Door wie het ingesteld en verordend werd. Het was geen Goddelijke inzetting, en daarom wordt het ook geen heilige dag genoemd, maar een menselijke bepaling, waardoor hij tot een vrolijker dag werd gemaakt, vers 19, 22.
A. De Joden hebben het verordend, en namen op zich, vers 27, zij namen vrijwillig aan te doen wat zij begonnen hadden, vers 23. Zij verplichtten zich er toe met algemene instemming.
B. Mordechai en Esther bevestigden hun besluit, opdat het te meer bindend zou zijn voor het nageslacht, en hun door die grote, eerwaardige namen goed aanbevolen zou zijn. Zij schreven:
a. Met alle macht, vers 29, of gezag zoals het hun toekwam, Esther als koningin en Mordechai als eerste staatsminister. Het is goed als zij, die macht hebben, machtigen tot hetgeen goed is.
b. Met woorden van vrede en trouw. Hoewel zij schreven met macht, schreven zij met tederheid en liefde, niet gebiedend geen last opleggende, maar in de taal, zoals het concilie van Jeruzalem haar gebruikte in zijn decreet, Handelingen 15:29 :"Indien gij zo" "en zo doet, zo zult gij wel doen, Vaarwel." Dat was de stijl van hun brieven of hun begroeting, hun woord van afscheid. "Vrede en trouw," of waarheid, "zij met ulieden."
4. Door wie het gehouden moest worden: door al de Joden en door hun zaad, en door allen, die zich tot hen vervoegen zouden, vers 27. De waarneming van dit feest moest beide algemeen en persoonlijk wezen, de proselieten moeten het waarnemen ten teken van hun oprechte genegenheid voor het Joodse volk, en om te tonen dat zij zich met hun belangen verenigd hadden. Samenstemming in blijdschap en lofzegging behoort tot de gemeenschap van de heiligen.
5. Waarom het waargenomen moest worden: opdat de gedachtenis aan de grote dingen, die God voor Zijn kerk gedaan heeft, geen einde nemen zou hij hun zaad, vers 28. God doet geen wonderen voor een enkele dag, maar om in eeuwige gedachtenis gehouden te worden. "Wat God doet zal in eeuwigheid zijn," en moet daarom voor eeuwig in gedachtenis worden gehouden, Prediker 3:14. In deze zaak moeten zij gedenken:
a. Aan Hamans slechte handelingen tegen de kerk tot zijn eeuwige schande, vers 24, omdat hij tegen de Joden gedacht had hen om te brengen. Laat dit in gedachte worden gehouden, opdat Gods volk zich nooit aan gerustheid overgeve zolang zij zulke boosaardige vijanden hebben, op wie zij een wakend oog moeten. houden, hun vijanden beogen niets minder dan hun verderf, laat hen dus op God betrouwen om hen te verlossen.
b. Esthers goede diensten aan de kerk, tot haar onsterflijke eer. Toen Esther met gevaar van haar leven voor de koning kwam, heeft hij het edict vernietigd, vers 25. Ook dit moet herdacht worden, opdat, overal waar dit feest gehouden en deze geschiedenis ter verklaring ervan gelezen zou worden hetgeen zij deed verhaald zou worden ter gedachtenis aan haar. Goede daden, gedaan voor het Israël Gods, moeten herdacht worden ter aanmoediging van anderen, om desgelijks te doen. God zal ze niet vergeten, en daarom moeten wij ze ook niet vergeten.
c. Hun eigen gebeden en de verhoring ervan, vers 31, de zaken van het vasten en hun geroep. Hoe meer wij in onze benauwdheid geroepen hebben, hoe meer gebeden om verlossing wij hebben opgezonden, des te meer zijn wij verplicht God te danken voor de verlossing. Roept Mij aan in de dag van de benauwdheid, en dan, offert Gode dank.
6. Hoe het gehouden moest worden. En laat ons daarvan zien:
A. Wat hier geboden werd, hetgeen zeer goed was. Dat zij het zouden maken:
a. Tot een dag van vrolijkheid, een dag van maaltijden en vreugde, vers 22. "Men maakt maaltijden om te lachen." Prediker 10:19. Als God ons reden geeft om ons te verblijden, waarom zouden wij onze vreugde dan niet te kennen geven?
b. Een dag van milddadigheid, van zending van delen aan elkaar, ten teken van hun opgeruimdheid en van hun wederzijdse achting, en van hun verbonden zijn aan elkaar door dit en andere algemene gevaren en verlossingen in innige hartelijke liefde.
c. Een dag van barmhartigheid, van zending van gaven aan de armen, het is niet alleen aan onze bloedverwanten en rijke naburen, dat wij tekenen moeten zenden, maar aan "de armen en verminkten," Lukas 14:12-13. Zij, die barmhartigheid verkregen hebben, moeten ten teken van hun dankbaarheid barmhartigheid bewijzen, en de gelegenheid daartoe ontbreekt ons nooit, want de armen hebben wij altijd met ons. Dankzegging en het geven van aalmoezen moeten samengaan, opdat, als wij ons verheugen en God danken, het hart van de armen zich met ons verheuge en hun lenden ons zegenen. B. Wat daar aan toegevoegd werd, was nog veel beter. Op het feest lezen zij iedere dag de gehele geschiedenis in de synagogen en zenden driemaal een gebed op tot God. In het eerste loven zij God dat zij waardig geacht zijn om die dienst bij te wonen, in het tweede loven zij Hem voor de wonderbaarlijke bewaring van hun voorouders, in het derde loven zij Hem dat zij het nog eenmaal beleefd hebben dit feest ter gedachtenis er aan te vieren. Aldus bisschop Patrick.
C. Waartoe het sedert ontaard is, en dat is veel erger. Hun eigen schrijvers erkennen dat dit feest gewoonlijk met gulzig eten en drinken gevierd wordt, en met uitspatting van vermakelijkheden. Hun Talmud zegt uitdrukkelijk, dat op het feest van purim men drinken moet, totdat men het verschil niet weet tussen "Gevloekt zij Haman" en "Gezegend zij Mordechai." Zie waartoe de verdorven, boze natuur van de mens dikwijls datgene brengt, wat oorspronkelijk goed bedoeld was, hier wordt een Godsdienstig feest in een carnaval, in brassen en zwelgen verkeerd. Niets reinigt meer het hart en versiert de Godsdienst dan heilige vreugde, niets verontreinigt het hart meer en smaadt meer de Godsdienst dan vleselijke pret en zinnelijk genot. Corruptio optimi est pessima-Wat het beste is, wordt nadat het verdorven is het slechtste.