Esther 8:3-14
Haman, de voornaamste vijand van de Joden was gehangen, Mordechai en Esther, hun voornaamste vrienden, waren genoegzaam beschermd maar in het gebied van de koning waren nog velen, die de Joden haatten en hun verderf wensten, en aan hun woede en boosaardigheid waren de overigen van het volk blootgesteld, want het edict tegen hen was nog geldig, en ingevolge daarvan zullen hun vijanden op de bepaalde dag hen aanvallen, en zij zullen als rebellen tegen de koning en de regering geacht worden, indien zij beproeven zich te verdedigen en daartoe de wapens op te vatten. Om dit te voorkomen:
I. Doet de koningin met liefde en aandrang voorbede voor hen. Voor de tweede maal kwam zij opgeroepen in de tegenwoordigheid van de koning, vers 3, en evenals tevoren werd zij aangemoedigd om haar verzoek voor te dragen, doordat de koning haar de gouden scepter toereikte, vers 4. Haar bede is dat de koning, Haman weggedaan hebbende, nu ook het kwaad zou wegdoen, dat Haman tegen de Joden beraamd had. Het kwaad van menig mens overleeft hem, en de slechtheid, die hij heeft beraamd, komt na zijn dood in werking. Wat de mensen beramen en schrijven kan na hun dood of zeer nuttig of zeer schadelijk zijn. Daarom was het nu in deze omstandigheden nodig, dat zij ter verijdeling van Hamans komplot zich tot de koning zou wenden om nog een daad van genade van hem te verkrijgen, dat hij door een nieuw edict de brieven zou teniet doen door Haman geschreven (zij zegt niet met toestemming van de koning en bekrachtigd door zijn zegel, zij laat het aan zijn consciëntie over om dat te zeggen) om de Joden om te brengen, die in alle de landschappen des konings zijn, vers 5. Indien de koning er inderdaad verontrust over was, zoals hij scheen te zijn, dat zo'n decreet uitgevaardigd was dan kon hij niet minder doen dan het herroepen. Immers, wat is berouw anders dan naar ons uiterste vermogen ongedaan maken wat wij verkeerd hebben gedaan?
1. Met grote aandoening droeg Esther deze bede de koning voor. Zij viel voor zijn voeten en weende, vers 3, elke traan even kostbaar als wèlke van de paarlen ook, waarmee zij versierd was. Het was tijd om ernstig te wenen, nu de kerk Gods in gevaar is. Laat niemand zo groot wezen dat hij zich niet wil neerbuigen, niemand zo vrolijk zijn dat hij niet wil wenen, als hij er Gods kerk en volk dienst mee kan doen. Esther, hoewel zelf veilig, viel de koning te voet, en smeekte hem met tranen om de verlossing van haar volk.
2. Zij drukt zich uit met grote onderworpenheid en diepe eerbied voor de koning voor zijn wijsheid en zijn wil, vers 5. Indien het de koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb, en opnieuw: "Indien de zaak zelf de koning recht en redelijk dunkt, en indien ik, die het vraag, in zijn ogen aangenaam ben, laat het edict dan vernietigd worden." Zelfs als rede en recht volkomen aan onze zijde zijn, en de zaak, die wij bepleiten, geheel duidelijk is, dan betaamt het ons toch om met nederigheid en bescheidenheid tot onze meerderen te spreken, en met alle mogelijke uitdrukkingen van eerbied, niet tot hen te spreken als eisers, als wij smekelingen zijn. Met betamelijkheid en welgemanierdheid verliest men niets. Evenals een zacht antwoord de grimmigheid afkeert, zo zal een zacht vragen gunst verkrijgen.
3. Zij zet aan haar bede kracht bij dooreen aandoenlijker pleitgrond. Want hoe zal ik vermogen dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk treffen zal? Weinig genot kan ik smaken in mijn eigen leven, als ik niet kan bereiken om het hunne te behouden, evengoed zou ik zelf in het kwaad willen delen, als het over hen te zien komen, want hoe zal ik vermogen dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht?" Esther, een koningin, erkent haar arme nabestaanden, en spreekt met tere zorg en belangstelling van hen. Nu was het, dat zij haar tranen mengde met haar woorden, dat zij weende en smeekte. Wij lezen van geen tranen, toen zij om haar eigen leven bad maar nu zij daar zeker van was, weende zij voor haar volk. Tranen van medelijden en tederheid zijn als de tranen van Christus. Zij, die waarlijk in zorg zijn voor het algemeen, zouden liever sterven dan leven om de verwoestingen te zien van Gods kerk of het verderf van hun land. Mensen van een teder gemoed kunnen het niet dragen, om te denken aan het verderf van hun volk en hun geslacht, en daarom durven zij geen gelegenheid verzuimen om hen te helpen en te redden.
II. De koning neemt nu maatregelen om het kwaad te voorkomen dat Haman beraamd had.
1. De koning wist en deelde het aan de koningin mede, dat volgens het Perzische staatsbestuur het vorige edict niet herroepen kon worden, vers 8. Wat in de naam van de koning geschreven en met de ring van de koning verzegeld is, kan onder generlei voorwendsel teniet worden gedaan. Het was een fundamenteel artikel van hun magna charta, hun grondwet, dat geen wet, geen decreet, dat de toestemming van de koning had verkregen en door hem bekrachtigd was, herroepen kon worden, geen oordeel of onterend vonnis worden vernietigd. Daniël 6:16. Dit is zo weinig een blijk van de wijsheid en eer van de Meden en Perzen, dat het veeleer een bewijs is van hun hoogmoed en dwaasheid, en bijgevolg van hun schande. Het is voor iedere mens, iedere vereniging van mensen, bespottelijk om aanspraak te maken op zo'n onfeilbaarheid en wijsheid, waardoor zij alle gevolgen voorzien van wat zij decreteren, en daarom is het onrechtvaardig en schadelijk voor de mensheid om op zo'n hoogte van macht aanspraak te maken, als waardoor hun wetten onherroepelijk worden, hetzij de uitwerking ervan goed of slecht is. Het riekt naar die aloude aanmatiging, welke ons allen in het verderf heeft gestort: Wij zullen als God zijn. Veel voorzichtiger is het voorbehoud in onze constitutie, dat geen wet, door welk woord of bekrachtiging het ook zij, onherroepelijk gemaakt kan worden, evenmin als enigerlei goed onvervreemdbaar gemaakt kan worden Cujus est instruere, ejus est destruere-Het recht om vast te stellen sluit het recht in om te herroepen. Het is Gods kroonrecht om geen berouw behoeven te hebben, om te zeggen wat nooit veranderd of herroepen kan worden.
2. Toch vond hij een middel om de raadslagen van Haman ongedaan te maken en zijn aanslag te doen mislukken, en wel door een nieuw decreet te ondertekenen en af te kondigen, waarbij de Joden worden gemachtigd om zich te verdedigen, vim vi repellere, et invasorem occidere-geweld met geweld te keren, en de aanvaller neer te slaan. Dit zal hen krachtdadig en afdoend beveiligen. De koning toont hun dat hij reeds genoeg gedaan heeft om hun de overtuiging te geven, dat hij vriendelijke zorg had voor het Joodse volk, want hij had bevolen dat zijn gunsteling gehangen zou worden omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen heeft. Hij wilde dus alles doen wat hij kon om hen te beschermen, en geeft aan Esther en Mordechai even volkomen verlof om van zijn naam en zijn macht gebruik te maken tot hun verlossing, als hij tevoren aan Haman verlof heeft gegeven om gebruik te maken van zijn naam en gezag om hen te verderven. "Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, vers 8, behouders de eer van onze constitutie. Laat het kwaad zo krachtig en afdoend mogelijk tenietgedaan worden, zonder de brieven te herroepen."
Op de drie en twintigste dag van de derde maand werd aan de staatssecretarissen bevolen om dit edict op te stellen, vers 9, ongeveer twee maanden na de afkondiging van het vorige, maar negen maanden voor de vastgestelden tijd van de uitvoering ervan het werd opgesteld en afgekondigd in de diverse talen van al de provincies. Zullen de onderdanen van een aardse vorst zijn decreten ontvangen in een taal, die zij verstaan? En zullen dan Gods orakelen en wetten voor Zijn dienstknechten weggesloten worden in een vreemde taal? Het moest gericht worden aan de bevoegde beambten van iedere provincie, zowel aan de vrederechters als aan de stadhouders. Het moest zorgvuldig verspreid worden door het gehele gebied van de koning, en authentieke afschriften er van gezonden worden naar al de landschappen
De strekking van dit decreet was de Joden te machtigen om op de dag, vastgesteld voor hun verdediging, zich tot een lichaam te verenigen, teneinde zich te verdedigen, en:
A. Voor hun leven te staan opdat, wie hen aanviel, dit deed op zijn gevaar.
B. Zij mochten niet slechts verdedigender wijs te werk gaan, maar mochten verdelgen, doden en ombrengen alle macht van het volk en van het landschap die hen benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, vers 11, en om zich te wreken aan hun vijanden, vers 13, en indien zij zich door hun vijanden wilden verrijken dan was het hun geoorloofd hun buit te roven. Dit nu toonde:
a. Zijn vriendelijkheid voor de Joden, en het heeft genoegzaam in hun veiligheid voorzien, want het laatste edict zal beschouwd worden als een stilzwijgende herroeping van het eerste. Maar
b. Het toont ook het ongerijmde van dat deel van hun staatsregeling, dat geen edict van de koning herroepen mocht worden: want het brengt de koning hier in de noodzakelijkheid om in zijn eigen rijk een burgeroorlog te verordenen tussen de Joden en hun vijanden, zodat aan beide zijden op zijn gezag de wapens opgevat werden en toch tegen zijn gezag. Niets beters kon er uit voortkomen, dat de mensen zich aanmatigen wijs te willen zijn boven hetgeen hun gegeven is. Er werd grote spoed gemaakt met de verspreiding van dit decreet, de koning zelf in angst zijnde dat het te laat zou komen, en krachtens het vorige decreet kwaad gedaan zou zijn aan de Joden, voordat het nieuwe te algemene kennis was gekomen. Het was dus op bevel van de koning zowel als van Mordechai, dat de boden tot grote spoed werden aangemaand, vers 14, en dat hun snelvoetige rijdieren gegeven waren, vers 10. Nu zoveel levens in gevaar zijn, is het geen tijd om te talmen of te beuzelen.