Esther 7:1-6
De koning in goeden luim en Haman in neerslachtige stemming, ontmoeten elkaar aan Esthers tafel. Hier nu:
I. Dringt de koning Esther voor de derde maal om hem te zeggen wat haar verzoek is, want hij verlangde dit te weten te komen, en herhaalt zijn belofte, dat het haar toegestaan zal worden, vers 2. Indien de koning vergeten had dat Esther hem iets te verzoeken heeft en haar niet nogmaals had gevraagd wat het was, dan zou zij nauwelijks geweten hebben hoe er nu over te beginnen, maar hij had het niet vergeten, en nu was hij door het drievoudig snoer van een driemaal gedane belofte verbonden haar gunst te bewijzen.
II. Eindelijk verrast Esther de koning met een bede, niet om rijkdom of eer, of om de verhoging van sommigen harer vrienden tot een hoge post, dat de koning verwachtte, maar dat zij zelf en haar stamgenoten voor dood en verderf bewaard zullen worden, vers 3, 4. Zelfs aan een vreemdeling, aan een misdadiger zal het vergund worden om zijn leven te smeken, maar dat een vriend, een echtgenote, het nodig zou hebben zo'n bede te doen, was zeer aandoenlijk: men geve mij mijn leven terwille van mijn gebed, en mijn volk ter wille van mijn verzoek wil. Twee dingen duiden aan dat die levens zeer kostbaar zijn, en dat het betaamt die, zo zij onschuldig zijn, tot elke prijs te redden.
1. Majesteit. Als het een gekroond hoofd is, waarop de slag gericht wordt, dan is het tijd om er voor in de bres te springen. Zo was het met Esther. "Men geve mij mijn leven. Indien gij enige liefde hebt voor de huisvrouw van uw schoot, dan is het nu tijd om dit te tonen, want haar leven staat op het spel."
2. Veelheid. Indien er vele levens zijn, zeer vele levens, en die op generlei wijze verbeurd zijn, op welke men het gemunt heeft om ze te verderven, dan moet geen tijd worden verloren geen moeite worden gespaard om dit kwaad te voorkomen. "Het zijn niet maar een paar vrienden, maar mijn volk, een gehele natie, een natie, die mij dierbaar is, om welks behoud ik thans voorbede doe."
Om de koning nog meer te treffen, zegt zij:
a. Dat zij en haar volk verkocht zijn. Zij hadden zichzelf niet verkocht door enigerlei misdrijf tegen de regering, maar zijn verkocht om de hoogmoed en de wraakzucht te bevredigen van een enkele man.
b. Dat het niet maar hun vrijheid, doch hun leven was, dat men verkocht had. "Indien wij tot slaven waren verkocht," zegt zij, "ik zou niet geklaagd hebben, want mettertijd zouden wij onze vrijheid hebben kunnen herkrijgen, hoewel de koning er verliezen door geleden zou hebben, hij zou zijn rijkdom niet vermeerderd hebben door onze prijs. Wat ook voor ons betaald zou zijn geworden, het verlies van zoveel vlijtige handen uit zijn rijk zou aan de schatkist meer schade hebben toegebracht dan de voor hen betaalde prijs vergoed zou hebben." Goede mensen te vervolgen is even onstaatkundig als slecht en een blijkbaar onrecht aan de belangen van vorsten en staten, zij worden er door verzwak" en verarmd. Maar dit was het geval niet. Wij zijn verkocht, zegt zij, om verdelgd, gedood en omgebracht te worden, en zo is het dan nu tijd om te spreken. Zij verwijst naar de bewoording van het decreet, Hoofdst. 3:13, dat niets minder dan hun verdelging bedoelde. Dit zal een gevoelige plek-indien er zo'n plek in het hart des konings is-aanraken en hem vermurwen.
III. De koning staat verbaasd over dit vertoog en vraagt, vers 5. "Wie is die en waar is hij, die het in zijn hart heeft durven bestaan om alzo te doen? Hoe! de moord te beramen van de koningin en van al haar volk? Is er zo'n man, of liever zo'n monster, in de natuur?" Of, wie is het, die zijn hart vervuld heeft? Hij verbaast er zich over:
1. Dat iemand slecht genoeg kon zijn om zo iets te bedenken, Satan moet zijn hart vervuld hebben.
2. Dat iemand zo vermetel kon zijn om zo iets te doen, zijn hart zo volkomen erop gezet kan hebben om zo slecht te doen, het zou durven. Het is moeilijk om zich voor te stellen dat er zo afschuwelijke slechtheid in de wereld gepleegd wordt. Wie, waar is hij, die het bestaan van God en Zijn voorzienigheid in twijfel durft trekken, Zijn orakels durft bespotten Zijn naam durft ontheiligen, Zijn volk durft vervolgen, en toch Zijn toorn durft trotseren? Er zijn van de zodanigen, aan wie te denken genoeg is om ons door "grote beroering te doen" "bevangen," Psalm 119:53. Soms schrikken wij op de vermelding van kwaad, dat onszelf ten laste gelegd kan worden. Ahasveros is verbaasd over de boosheid, waaraan hijzelf schuldig was want hij heeft het bloedig edict tegen de doden getekend. Gij zijt die man, zou Esther hebben kunnen zeggen, en het zou maar al te waar zijn geweest.
IV. Vast en duidelijk beschuldigt Esther Haman ervan in zijn aangezicht. "Hier is hij, laat hem zich verantwoorden, want daarom is hij genodigd. De man, de onderdrukker en vijand is deze boze Haman, vers 6. Hij is het, die de moord op ons beraamd heeft, en wet erger is, er de koning in betrokken heeft om particeps criminis-in de misdaad te delen, daar hij er onwetend in toegestemd heeft.
V. Haman krijgt spoedig besef van zijn gevaar, hij verschrikte voor het aangezicht van de koning en van de koningin, en het was tijd voor hem om verschrikt te zijn en te vrezen, nu de koningin zijn aanklaagster, de koning zijn rechter was, en zijn eigen geweten tegen hem getuigde, en het kon niet anders, of de verbazingwekkende werkingen van Gods voorzienigheid tegen hem op die eigen morgen moesten zijn vrees nog doen toenemen. Nu smaakt hij er weinig genoegen in tot de maaltijd des wijns te zijn genodigd, want nu hij denkt dat zijn genoegzaamheid vol is, is hij bang, door zijn eigen voeten is hij in het net geworpen.