Esther 6:12-14
Wij kunnen hier opmerken:
I. Hoe weinig Mordechai door zijn bevordering opgeblazen was, hij keerde weerom tot de poort van de koning, vers 12. Hij keerde terug tot zijn plaats en de plichten ervan, en dat wel terstond, deed even trouw en ijverig zijn werk als tevoren. Eer is goed besteed aan hen, die er niet trots en traag door worden, en zich er door niet boven hun werk verheven achten.
II. Hoe terneergeslagen Haman was door zijn teleurstelling. Hij kon het niet dragen, iemand, wie het ook zij, maar inzonderheid Mordechai, te dienen, en dat nog wel op een ogenblik, toen hij hoopte hem te zien hangen, dat was genoeg om zo'n trots hart als hij had te doen breken. Hij werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekt hoofd, als iemand, die zich gezonken ziet en, in een zekere zin, veroordeeld. Welk kwaad had het hem gedaan, om zich aldus tot Mordechai neer te buigen? Was hij er in iets minder om? Was het niet wat hij zelf voorgesteld had, dat door een van `s konings vorsten en grootste heren gedaan zou worden? Waarom is hij dan toornig omdat hij het heeft moeten doen? Maar datgene zal het hart van een hoogmoedig man breken, wat van een nederig man niet eens de slaap zou storen.
III. Hoe hem uit dit voorval door zijn vrouw en zijn vrienden zijn oordeel voorspeld werd. "Indien Mordechai, voor wiens aangezicht gij zijt begonnen te vallen, van het zaad van de Joden is, gelijk men zegt dat hij is, al is het dan ook maar dat gij op het stuk van eerbewijzen voor hem zijt begonnen te vallen, zo denkt niet dat gij ooit tegen hem zult overmogen, want gij zult gewis voor zijn aangezicht vallen vers 13. Moeilijke vertroosters zijn zij allen. Zij hebben hem niet aangeraden berouw te hebben van het kwaad, dat hij gedaan heeft, dat hij Mordechai om vergeving zal vragen voor zijn slechte bedoelingen en raadslagen tegen hem, maar voorspellen dat zijn plan zal falen en dat zijn val onvermijdelijk is. Zij voorzien twee dingen:
1. Dat Haman teleurgesteld zal worden in zijn onderneming tegen de Joden: "Gij zult niet vermogen dat volk uit te roeien, het is blijkbaar dat de hemel tegen u strijdt."
2. Dat hij zelf ten verderve zal gaan. Gij zult gewis voor zijn aangezicht vallen. De strijd tussen Michael en de draak zal geen onbesliste veldslag zijn, neen, Haman moet voor Mordechai's aangezicht vallen. Zij gronden hun voorspellingen op twee dingen.
a. Deze Mordechai is van het. zaad van de Joden, amechtige Joden hebben hun vijanden hen soms genoemd, maar geduchte Joden hebben zij hen soms bevonden. Zij zijn een heilig zaad, een biddend zaad, in verbond met God, en een zaad, dat de Heere van het begin af gezegend heeft, en daarom moeten hun vijanden niet verwachten over hen te zullen triomferen.
b. Haman was begonnen te vallen, en daarom was hij een verloren man. Men heeft opgemerkt van hofgunstelingen, dat zij, als zij eens met afkeurende, dreigende blik werden aangezien, even spoedig gevallen zijn als zij opgeklommen waren. Dit is waarvan de vijanden van de kerk, als God met hen begint, zal Hij een einde met hen maken. Gods werk is volkomen. IV. Hoe ter rechter tijd hij nu gehaald werd om aan de maaltijd te verschijnen, die Esther bereid had, vers 14. Hij dacht dat het op een gelegenen tijd was, omdat hij hoopte dat zijn moed er door opgewekt, zijn afnemende eer er door gered zou worden. Maar het was ook werkelijk een gelegen tijd, omdat zijn moed en geestkracht door deze zware teleurstelling gebroken zijnde, hij zoveel gemakkelijker door Esthers aanklacht tegen hem neergeworpen kon worden. De wijsheid Gods wordt gezien in Zijn beschikken van de juiste tijd voor de middelen, die ter verlossing van Zijn kerk worden aangewend, zodat Zijn heerlijkheid er in wordt geopenbaard.