Esther 5:9-14
Het bericht, hier van Haman gegeven, is een verklaring van het woord van Salomo, Spreuken 21:24 : " Een overmoedige en" "vermetele heet spotter hij die handelt in mateloze overmoed." Nooit heeft iemand meer aan die naam beantwoord, dan hier Haman, in wie hoogmoed en toorn zozeer de bovenhand hebben. Zie hem:
I. Opgeblazen van hoogmoed wegens de eer die hem was aangedaan door aan Esthers maaltijd genodigd te zijn. Hij was er vrolijk en goedsmoeds om, vers 9.
Merk op met welk een genot hij ervan spreekt, vers 12, hoe hij er zich op laat voorstaan, en hoe hij denkt daardoor tot het toppunt van geluk te komen, dat Esther, de koningin, niemand dan hem alleen met de koning tot de maaltijd heeft doen komen, en hij dacht, dat het was omdat zij ten zeerste bekoord was door zijn gesprekken, dat zij hem ook voor de volgende dag genodigd had om met de koning te komen, want niemand is zo geschikt als hij om de koning gezelschap te houden. Zij, die zichzelf bewonderen en zichzelf vleien, bedriegen slechts zichzelf. Haman vleide zich met het denkbeeld, dat de koningin met deze herhaalde uitnodiging bedoelde hem te eren, terwijl zij in werkelijkheid bedoelde hem te beschuldigen, met hem tot de maaltijd te roepen, riep zij hem slechts voor het gericht. In welke vergrootglazen beschouwen trotse mensen hun gelaat! En "hoe" "worden zij door de trotsheid van hun hart bedrogen!" Obadja: 3.
II. Zich kwellen en verbitteren wegens de minachting, die Mordechai hem betoonde, waardoor hij zichzelf en allen, die hem omringen, tot last wordt.
1. Mordechai was even vastbesloten als ooit tevoren, hij stond niet op, noch bewoog zich voor hem, vers 9. Wat hij deed, deed hij uit een beginsel van nauwgezetheid van geweten, en daarom volhardde hij er in, wilde hij niet voor hem kruipen, neen, zelfs niet, toen hij reden had hem te vrezen en Esther zelf hem beleefdheid betoonde. Hij wist dat God hem en zijn volk van de woede van Haman kon en zou verlossen zonder enigerlei van die lage, kruipende hulpmiddeltjes om hem te vermurwen. Zij, die wandelen in heilige oprechtheid, kunnen wandelen in heilige gerustheid, en voortgaan met hun werk zonder te vrezen wat de mens hun zou kunnen doen. Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker.
2. Haman kan het even moeilijk als ooit dragen, ja hoe hoger hij verheven is, hoe minder hij minachting kan dragen en hoe meer verwoed hij er om is.
a. Het maakte hem onrustig in zijn gemoed, ontroerde en ontstelde hem, hij werd vervuld met grimmigheid, vers 9, en toch bedwong hij zich, vers 10. Zeer gaarne zou hij zijn zwaard getrokken hebben om Mordechai er mee te doorsteken, wijl hij hem dus beledigde, maar hij hoopte hem weldra met al de Joden te zien vallen, en daarom heeft hij zich met grote moeite bedwongen om hem niet terstond te doden. Welk een strijd was er in zijn hart tussen zijn toorn, die Mordechai's dood terstond eiste "Och of ik van zijn vlees had, ik zou" "niet verzadigd worden," Job 31:3, en zijn boosaardigheid, die hem deed besluiten om tot de algemene moord te wachten! Zo zijn er doornen en strikken op de weg des verkeerden. b. Het nam de smaak en de geur weg van al zijn genietingen. Deze kleine belediging, door Mordechai hem aangedaan, was de dode vlieg, die al zijn kostbare zalf bedierf. Hij erkende dit zelf in de tegenwoordigheid van zijn vrouw en zijn vrienden, tot eeuwige schande voor een hoogmoedig en ontevreden hart, dat hij geen genot kon smaken in zijn bezittingen, zijn bevordering, zijn gezin, zolang Mordechai leefde en een plaats had in de poort des konings, vers 10 13. Hij nam nota van zijn rijkdom en zijn eer, de talrijkheid van zijn zonen, de hoge posten, waartoe hij bevorderd was, dat hij de lieveling was van zijn vorst, de afgod van het hof, en toch dit alles baat hem niet, zolang Mordechai niet gehangen is. Zij, die neiging hebben tot onrust, zullen nooit verlegen zijn om iets dat hen onrustig maakt. Zodanig zijn trotse mensen: hoewel zij veel hebben dat hun naar de zin is, betekent dit niets voor hen, als zij niet in alles hun zin kunnen hebben. Het duizendste deel van hetgeen Haman had zou een nederig, bescheiden man zo gelukkig maken, als hij verwachten kan in deze wereld te zullen zijn, en toch klaagt Haman even hartstochtelijk als wanneer hij tot de laagsten trap van armoede en schande ware vervallen.
III. Zinnende op wraak en hierin bijgestaan door zijn vrouw en zijn vrienden, vers 14. Zij zagen hoe gaarne hij zijn besluit zou willen opgeven om de slachting uit te stellen tot aan de tijd, door het lot er voor aangewezen, en daarom raden zij hem aan, om al vast een voorproef en onderpand ervan te nemen in de snelle terdoodbrenging van Mordechai. Laat hem dat nu hebben, om hem voor het ogenblik tevreden te stellen, en daar de verdelging van al de Joden nu toch, naar hij dacht, zeker is op de daartoe bepaalde tijd, zal hij het niet versmaden om voor het ogenblik alleen aan Mordechai de hand te slaan.
1. Om zijn verbeelding te strelen raden zij hem aan een galg in gereedheid te laten brengen en haar voor zijn eigen deur te laten oprichten opdat er, zodra het vonnis door de koning getekend was, geen uitstel zou behoeven te zijn voor de voltrekking ervan, hij zou dan niet eens op het maken en oprichten van de galg behoeven te wachten. Dit behaagt Haman ten zeerste, onmiddellijk laat hij de galg maken en oprichten, zij moet vijftig ellen hoog zijn tot meerdere smaad van Mordechai, en om hem tot een schouwspel te maken voor allen, die zouden voorbijgaan, en zij moet voor Hamans deur staan, opdat allen zouden zien, dat het aan de afgod van zijn wraak was, dat Mordechai geofferd werd, en hij zijn ogen zou kunnen verlustigen aan dit gezicht.
2. Om hem zijn doel te doen bereiken, raden zij hem aan om vroeg in de morgen tot de koning te gaan, teneinde een order van hem te verkrijgen om Mordechai te hangen, hetgeen-zij twijfelden er niet aan geredelijk toegestaan zou worden aan iemand, die bij de koning zo hoog in gunst stond, en die zo gemakkelijk een edict had verkregen om het gehele volk van de Joden uit te roeien. Er was om die order te verkrijgen niets anders nodig dan de koning te doen weten dat Mordechai in minachting van het gebod van de koning, geweigerd had Haman eer te bewijzen. En nu laten wij Haman zich ter ruste begeven met de strelende gedachte van morgen Mordechai te zien hangen, en dan vrolijk en wel naar het feestmaal te gaan, zonder dat ook maar in het minst de gedachte bij hem opkwam dat hij die galg voor zichzelf heeft opgericht.