Esther 2:21-23
De goede dienst, door Mordechai aan de regering bewezen in zijn ontdekking van de samenzwering tegen het leven van de koning, is hier vermeld, omdat het later wederom, en dan zeer ten zijnen voordele, vermeld zal worden. Er is nog geen stap gedaan om Hamans plan om de Joden te verdelgen tot uitvoering te doen komen, maar er zijn verscheidene stappen gedaan om Gods plan voor hun verlossing te doen uitvoeren, en dit is een van die stappen. God geeft nu aan Mordechai gelegenheid om de koning een goeden dienst te bewijzen, opdat hij later te beter gelegenheid zou hebben om de Joden een goeden dienst te bewijzen.
1. Er was een plan beraamd tegen de koning door twee van zijn eigen dienaren die de hand aan hem zochten te slaan, niet alleen om hem gevangen te nemen, maar om hem van het leven te beroven, vers 21. Waarschijnlijk waren zij toornig om de ene of andere belediging, die zij dachten door hem hun aangedaan te zijn. Wie zou hoog en groot willen zijn, om dan tevens het voorwerp van zoveel haat en afgunst te wezen? Wie zou onbeperkte macht begeren te hebben, om dan ook het voorwerp van kwaadwilligheid te zijn? Meer dan andere stervelingen hebben vorsten hun ziel, dat is hun leven, voortdurend in hun hand, en dikwijls gaan zij vermoord ten grave inzonderheid diegenen, die een schrik zijn geweest in het land van de levenden.
2. Mordechai kreeg kennis van dit voorgenomen verraad, en heeft het door Esther de koning bekend gemaakt, waardoor hij haar bevestigde in, en zichzelf bevolen heeft aan, de gunst van de koning. Hoe hij aan die kennis gekomen is, blijkt niet, of hij hun gesprekken gehoord heeft, of dat zij hem in hun komplot wilden trekken, hoe het zij, de zaak werd hem bekend. Dit moet een waarschuwing zijn aan alle verraders, en tegen alle oproerige handelingen, zij bebouwen op geheimhouding, maar het gevogelte des hemels zal de stem wegvoeren. Zodra Mordechai het wist, heeft hij het de koning doen weten, hetgeen een onderricht en voorbeeld moet wezen voor allen, die als goede onderdanen bevonden willen worden, om geen boos opzet tegen de vorst of tegen de openbare vrede, dat hun bekend is, te verzwijgen, want daardoor zouden zij met de openbare vijanden in verbond zijn.
3. De verraders werden gehangen, gelijk zij verdiend hadden, maar niet voordat hun schuld na een nauwkeurig onderzoek bewezen was vers 23, en de gehele zaak werd in dejaarboeken van de koning vermeld met de bijzondere opmerking, dat Mordechai de man was, die het verraad had ontdekt en aan het licht gebracht. Hij is niet terstond beloond, maar er was een gedenkboek geschreven, zo ook met betrekking tot hen, die Christus dienen, hun beloning kan wel uitgesteld zijn tot aan de opstanding van de rechtvaardigen, maar hun werk des geloofs en hun arbeid van de liefde blijven in gedachtenis want God is niet onrechtvaardig, dat Hij die zou vergeten, Hebreeën 6:10.