2 Kronieken 33:21-25
Er wordt ons weinig bericht nopens Amon maar toch genoeg, daar het niet beter is. Hier is:
1. Zijn grote goddeloosheid. Hij deed gelijk als zijn vader Manasse gedaan had in de dagen van zijn afval, vers 22. Zij, die dit als een bewijs aannemen dat Manasse zich niet in waarheid bekeerd heeft, vergeten hoeveel goede koningen slechte zonen hebben gehad. Het schijnt alleen dat Manasse hierin tekort is gekomen, dat hij, toen hij de gesneden beelden buiten de stad wierp, ze niet ten enenmale vernield heeft, overeenkomstig de wet, die hun voorschreef hun "gesneden beelden met vuur te verbranden," Deuteronomium 7:5.
Hoe nodig die wet was blijkt uit dit voorbeeld, want de gesneden beelden slechts weggeworpen zijnde en niet verbrand, wist Amon wel waar ze te vinden, weldra richtte hij ze weer op en aanbad ze. Om hem als uitermate zondig voor te stellen en God te rechtvaardigen, dat Hij hem zo spoedig heeft afgesneden, wordt er bijgevoegd:
a. Dat hij zijn vader voorbijstreefde in de zonde hij vermenigvuldigde de schuld, vers 23. Zijn vader deed kwaad, maar hij deed erger. Zij, die vergezeld zijn van de afgoden, raken er hoe langer hoe meer op verzot.
b. Dat hij achterbleef bij zijn vader in berouw, hij vernederde zich niet voor het aangezicht des Heeren, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had. Evenals deze is hij gevallen, maar hij werd niet gelijk deze weer opgericht. Het is niet zozeer de zonde als wel de onboetvaardigheid in de zonde, die de mensen ten verderve brengt, niet zozeer dat zij overtreden, als wel dat zij zich niet verootmoedigen om hun overtreding, niet de ziekte, als wel het veronachtzamen van het geneesmiddel.
2. Zijn snel verderf. Hij had slechts twee jaren geregeerd, en toen maakten zijn knechten een verbintenis tegen hem en doodden hem vers 24..
Misschien heeft Amon, toen hij evenals zijn vader zondigde in het begin zijner dagen zich voorgesteld dat hij evenals zijn vader in zijn laatste dagen zich zou bekeren. Maar hieruit ziet men dan hoe waanzinnig het is hierop te vertrouwen. Indien hij hoopte zich te bekeren als hij oud was, dan is hij allerellendigst teleurgesteld geworden, want hij werd afgesneden toen hij nog jong was. Hij rebelleerde tegen God, en zijn knechten rebelleerden tegen hem. Hierin was God rechtvaardig, maar zij-zijn knechten-waren goddeloos, en rechtvaardiglijk heeft het volks des lands hen ter dood gebracht als verraders. Het leven van koningen is zeer bijzonder onder de bescherming van de Goddelijke voorzienigheid en van de wetten, beide van God en de mensen.