2 Kronieken 30:21-27
Na het pascha volgde het feest van de ongezuurde broden, dat zeven dagen duurde. Hier wordt ons gezegd hoe dit waargenomen werd en alles in dit verhaal is liefelijk, opwekkend en aangenaam.
I. Zeer vele offeranden werden Gode geofferd in dankoffers, waarmee zij de gunst van God beide erkenden en afsmeekten, van een deel van deze offeranden hielden de offeraars met hun vrienden gedurende zeven dagen een feestmaal, vers 22, ten teken van hun gemeenschap met God, en de vertroosting en lieflijkheid, die zij smaakten in Zijn gunst en door met Hem verzoend te zijn.
Om dit deel van de dienst gaande te houden, zodat op Gods altaar overvloedig bloed en vet zou komen, en Zijn priesters en het volk overvloedig met het vlees gespijzigd zouden worden van de dankoffers, gaf Hizkia van zijn eigen vee duizend varren en zeven duizend schapen, en de vorsten, opgewekt door dit Godvruchtig voorbeeld, gaven hetzelfde aantal varren en een nog groter aantal schapen, allen tot dankoffers, vers 24.
Hierdoor werd God geëerd en de vreugde van het feest gaande gehouden, en werden de vreemdelingen aangemoedigd om weer te komen in Jeruzalem. Het was edelmoedig van de koning en de vorsten, om aldus de gehele gemeente rijk te onthalen, maar waartoe dient een grote bezitting anders dan om de mensen instaat te stellen te meer goed te doen? Christus heeft hen gespijzigd, die Hem volgden. Ik geloof, dat Hizkia en zijn vorsten aan het einde des jaars om hun vrome weldadigheid niet armer zijn geweest.
II. Veel goede gebeden werden bij het offeren van deze dankoffers tot God opgezonden, vers 22. Zij deden belijdenis aan de Heere, de God hunner vaderen, vers 22, waarin de bedoeling, het oogmerk, van de dankoffers werd aangetoond. Toen de priesters het bloed sprengden en het vet verbrandden, deden zij belijdenis, dat deed ook het volk van hun zijde toen zij het vlees aten.
Zij deden een Godsdienstige belijdenis van hun betrekking tot God en hun afhankelijkheid van Hem, een boetvaardige, berouwvolle belijdenis van hun zonden en zwakheden, een dankbare belijdenis van Gods genade over hen, en een smekende belijdenis van hun behoeften en begeerten, en in dit alles hadden zij het oog op God als de God hunner vaderen, een God in verbond met hen.
III. Werden zeer veel goede dingen de volke gepredikt. De Levieten, wier ambt het was, Deuteronomium 33:10, leerden het volk de goede kennis des Heeren, lazen en verklaarden de Schriften en onderrichtten de vergadering omtrent God en hun plicht jegens Hem, daar was, na zo lang een hongersnood naar het woord als er onder de vorige regering geweest, grote behoefte aan.
Hizkia heeft niet zelf gepredikt, maar hij sprak naar het hart van alle Levieten, die het deden, woonde hun prediking bij, prees hun ijver, en verzekerde hun van zijn bescherming en steun. Hiermede moedigde hij hen aan om goed te studeren, zich moeite te geven, en bracht hij hen in ere, opdat het volk hen te meer zou eerbiedigen en naar hen zou horen.
Vorsten en overheidspersonen kunnen door getrouwe en ijverige leraren en predikers aan te moediger de belangen van Gods koninkrijk onder de mensen grotelijks bevorderen. IV. Iederen dag zongen zij psalmen, vers 21. De Levieten nu en de priesteren prezen de Heere dag op dag, beide met liederen en met muziekinstrumenten, uitdrukking gevende aan hun eigen blijdschap in God, en elkaar opwekkende tot blijdschap en dankbaarheid aan Hem. God te loven moet een groot deel van ons werk zijn in onze Godsdienstige bijeenkomsten.
V. De zeven dagen van het feest op deze Godsdienstige wijze gevierd hebbende, vonden zij er zoveel genot en vertroosting in, dat zij nog zeven dagen gingen houden, vers 23. Zij hebben geen nieuwe wijze van Godsverering ingevoerd, maar herhaalden de oude.
De omstandigheden waren buitengewoon, zij hadden de inzetting lang ontbeerd, zij hadden door haar te verzuimen schuld op zich geladen. Er was nu een grote vergadering bijeen, en zij waren in een Godvruchtige gemoedsstemming, zij wisten niet of zij nog eens zo'n gelegenheid zouden hebben, en daarom konden zij het nu niet van zich verkrijgen om van elkaar te scheiden voor zij de tijd van de feestviering verdubbeld hadden.
Velen van hen waren zeer ver van huis en hadden zaken op het land te doen, dit de tweede maand zijnde, was het begin van hun oogst ophanden, maar toch haastten zij zich niet om terug te keren, de ijver van Gods huis maakte dat zij zichzelf en hun wereldlijke zaken vergaten. Hoe ongelijk aan hen, die van de dienst Gods zeiden: Welk een vermoeidheid! of die vroegen: wanneer zal de sabbat voorbij zijn? De dienstknechten Gods moeten overvloedig zijn in zijn werk.
Vl. Dit alles deden zij met blijdschap, vers 23. Allen verblijdden zij zich, ook de vreemdelingen, vers 25.
Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem, vers 26.
Sedert de inwijding van de tempel in Salomo's tijd is er nooit iets dergelijks geweest. Heilige plichten moeten met heilige blijdschap volbracht worden, wij moeten er vurig en ijverig in zijn, er behagen in vinden, de zoetheid proeven en smaken van gemeenschap met God, en het als een oorzaak van onuitsprekelijke blijdschap en vreugde beschouwen, dat wij aldus bevoorrecht zijn en zo'n voorsmaak hebben van de eeuwige blijdschap.
VII. De gemeente werd eindelijk heengezonden met een plechtige zegen, vers 27.
1. De priesters hebben hem uitgesproken want het behoorde tot hun ambt het volk te zegenen, Numeri 6:22, 23, waarin zij beide de mond des volks waren bij God, bij wijze van gebed, en Gods mond bij het vork, bij wijze van belofte, want die beide waren in de zegen begrepen. Zij betuigden er beide hun verlangen in naar het welzijn des volks en hun afhankelijkheid van God en dat woord van Zijn genade, aan hetwelk zij hen bevalen.
Welk een lieflijkheid is het voor een gemeente om aldus gekroond naar huis te worden gezonden!
2. God zei er Amen toe. De stem van de priesters, toen zij het volk zegenden, werd gehoord in de hemel en kwam tot Zijn heilige woning. Toen zij de zegen uitspraken, heeft God hem geboden, en misschien wel een merkbaar teken gegeven van de bekrachtiging ervan. Het gebed, dat in een wolk van reukwerk ten hemel opstijgt, zal weer in een stortvloed van zegen op de aarde nederkomen.