2 Kronieken 30:13-20
De tijd, bepaald voor het houden van het pascha, is nu gekomen, en een zeer grote gemeente is bij die gelegenheid bijeenvergaderd, vers 13. Nu hebben wij hier:
I. De toebereidselen, die zij maakten voor het pascha, het was een goede toebereiding zij namen al de afgodische altaren weg, die gevonden waren, niet slechts in de tempel, maar in Jeruzalem, vers 14.
Eer zij het feest hielden hebben zij de oude zuurdesem buitengeworpen. De beste voorbereiding, die wij kunnen maken voor het Evangeliepascha, is onze ongerechtigheden, onze geestelijke afgoderijen, weg te werpen.
II. Hun viering van het pascha, hierin was het volk zó ijverig, dat de priesters en Levieten beschaamd werden toen zij zich door het gewone volk zagen voorbijgestreefd, hen meer gereed zagen om offeranden te brengen dan zij waren om ze te offeren. Dit bracht hen er toe om zich te heiligen, vers 15, opdat het werk niet zou stilstaan uit gebrek aan handen om het te doen. Als wij de ijver zien van anderen, dan moet dit ons beschaamd maken over onze eigen koelheid en ons opwekken om niet slechts onze plicht te doen, maar hem goed te doen en ons er voor te heiligen. Zij deden naar de plicht van hun ambt, vers 16, het bloed sprengende op het altaar, dat een type was van Christus, ons Pascha, dat voor ons geslacht is.
III. De onregelmatigheden, waaraan zij schuldig waren in deze plechtigheid. De zaak zelf werd met grote Godsvrucht gedaan, maar behalve dat het een maand buiten de tijd was:
1. Hebben de Levieten de paaslammeren geslacht, dat alleen door de priesters gedaan had moeten worden, vers 17. Zij hielpen ook meer dan de wet gewoonlijk toeliet, bij het offeren van de andere offeranden, inzonderheid die voor de reiniging van de onreinen, die velen thans nodig hadden.
Sommigen denken dat dit het werk was van hen, die de offers brachten, niet van de priesters, waarmee de Levieten hier belast waren. Gewoonlijk slachtte ieder man zijn lam maar nu hebben de Levieten het gedaan voor hen, die onder enigerlei ceremoniele onreinheid waren.
2. Aan velen werd toegestaan van het pascha te eten, die niet naar de stiptheid van de wet rein waren, vers 18. Dit was de tweede maand, en zij waren niet gerechtigd om het nogmaals uit te stellen, tot de derde maand, gelijk de wet hun, indien het de eerste maand was, veroorloofd zou hebben, om het uit te stellen tot de tweede maand.
En zij waren er afkerig van om hun te verbieden om er deel aan te nemen, want zij wilden de nieuwe bekeerlingen niet ontmoedigen, of hen klagende wegzenden, die zij wensen weg te zenden zich verblijdende. Hugo de Groot neemt hier aanleiding uit om op te merken dat rituele inzettingen wijken moeten, niet slechts voor openbare noodzakelijkheid, maar ook voor openbaar voordeel en welzijn.
IV. Hizkia's gebed tot God om vergeving voor deze onregelmatigheid. Het was zijn ijver die hen in zo groten haast bijeen had geroepen, en hij wilde niet dat zij er om te lijden zouden hebben, dat zij de nodigen tijd niet gehad hebben om zich voor te bereiden, daarom achtte hij zich geroepen om voorspraak te wezen voor hen, die het pascha aten, niet gelijk geschreven is, opdat er geen toornigheid op hen zou zijn van de Heere. Het gebed was:
1. Kort, maar ter zake. De Heere, die goed is, doe verzoening over een ieder in de gemeente, die zijn hele hart gericht heeft, of bereid heeft voor deze diensten, hoewel hij in ceremoniële bereiding tekort kwam. De grote zaak, die bij al onze Godsdienstige plechtigheden vereist wordt, is dat wij ons hart richten om Hem te zoeken, dat wij oprecht zijn in alles wat wij doen, dat de inwendige mens er bij in het werk gesteld is, en dat wij er hartewerk van maken, zonder dit blijft het alles zonder betekenis. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste.
Hizkia bidt niet dat dit voorbijgezien moge worden, noch dat God enigerlei onoprechtheid verschonen of voorbij zou zien, want dit is het nodige, dat wij God zoeken, Zijn gunst, Zijn eer, en dat wij hier ons hart op richten. Waar deze oprechtheid, dit vast voornemen des harten bestaat kunnen wel vele zwakheden en tekortkomingen zijn, en zowel de gemoedsstemming als de volbrenging van de dienst niet volkomen naar de reinheid des heiligdoms zijn.
Het bederf kan niet zo volkomen tenonder gebracht, de gedachten niet zo bepaald, de genegenheden niet zo levendig het geloof niet zo werkzaam zijn als dit alles moest wezen, er is een gebrek in reinheid des heiligdoms. Er is niets volmaakt onder de zon, daar is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt".
Voor deze gebreken is vergevende, genezende genade nodig, want nalatigheid in plicht is zonde, zowel als nalatigheid van plicht.
Indien God, ook voor het beste wat wij doen, naar streng recht met ons zou handelen, wij waren verloren. Het middel om vergeving te verkrijgen voor onze tekortkomingen in plicht en al de ongerechtigheden van onze heilige dingen, is: haar bij God te zoeken door gebed, die vergeving spreekt zo maar niet vanzelf, neen, zij moet verkregen worden op het gebed en door het bloed van Christus. Bij ons bidden hierom moeten wij aangemoedigd worden door Gods goedheid. De Heere die goed is, vergeve, want toen Hij Zijn goedheid uitriep, heeft Hij de meesten nadruk gelegd op deze tak ervan: vergevende de ongerechtigheid, de overtreding en de zonde. Het is de plicht van hen, die over anderen gesteld zijn, om niet slechts op zichzelf te zien, maar ook op hen, over wie zij gesteld zijn, om te zien waarin zij tekortkomen en voor hen te bidden, zoals Hizkia hier gedaan heeft. Zie Job 1:5.
2. Een voorspoedig gebed. De Heere verhoorde Jehizkia, had een welbehagen in zijn Godvruchtige zorg over de gemeente, en heelde het volk, vers 20, heeft niet slechts hun hun zonde niet toegerekend, maar in weerwil van hun zonde hun diensten genadig aangenomen, want heling geeft niet slechts vergeving te kennen, Jesaja 6:10 , Psalm 103:3 , maar ook vertroosting en vrede: Jesaja 57:18, Maleachi 4:2.