2 Kronieken 29:1-11
I. Hier is Jehizkia's leeftijd toen hij aan de regering kwam, hij was vijf en twintig jaren oud. Joas, die op de troon kwam na twee slechte regeringen was slechts zeven jaren oud Josia, die na twee slechte regeringen kwam was slechts acht jaar, hetgeen vertraging teweegbracht voor de reformatie. Maar Jehizkia was al tot rijpheid van jaren gekomen, en zo heeft hij er zich terstond op kunnen toeleggen.
Wij kunnen ons voorstellen met welk een bedroefd hart hij de afgoderijen zijns vaders aanzag en zijn goddeloosheid, hoe het hem smartte en benauwde de deuren van de tempel gesloten te zien, hoewel hij zolang als zijn vader leefde ze niet kon openen.
In het verborgen heeft zijn ziel er ongetwijfeld om getreurd, en hij deed de gelofte dat, als hij aan de regering kwam, hij deze grieven zou herstellen, en zo deed hij het dan ook met des te meer gereedheid en vastberadenheid.
II. Zijn algemeen karakter. Hij deed wat recht was, gelijk David, vers 2. Van verscheidenen van zijn voorgangers wordt gezegd, dat zij deden wat recht was, maar niet gelijk David, niet met Davids oprechtheid en ijver. Maar hier was nu een koning, die een even hartelijke genegenheid voor de ark en de wet Gods had als ooit David er voor gehad heeft.
III. Zijn snel zich toeleggen op het grote werk van de wederherstelling van de Godsdienst. Het eerste wat hij deed, was de deuren van het huis des Heeren openen, vers 3. Wij willen hopen, dat zijn vader de tempeldienst niet geheel afgeschaft of vernietigd heeft, want dan zou het heilige vuur op het altaar uitgegaan zijn, en wij lezen niet dat het opnieuw ontstoken werd, maar hij had het volk verhinderd de dienst bij te wonen, en ook de priesters behalve de zodanigen als van zijn eigen partij waren 2 Koningen 16:15.
Maar Jehizkia wierp de tempeldeuren open, en bracht de priesteren en Levieten in.
Hij vond Juda vernederd en ontbloot, doch het was niet zijn eerste werk om de burgerlijke belangen van zijn rijk te behartigen, maar om de Godsdienst te herstellen.
Zij, die beginnen met God, beginnen aan het rechte einde van hun werk, en dienovereenkomstig zal het voorspoedig zijn.
IV. Zijn rede tot de priesters en Levieten. Het was ongetwijfeld wel bekend dat hij de Godsdienst zeer genegen was en ontevreden was over de verdorvenheden van de vorige regering, maar wij bevinden niet dat de priesters en Levieten zich tot hem gewend hebben om de herstelling van de tempeldienst te verkrijgen, neen, hij roept hen er toe op, hetgeen naar ik vermoed, evenzeer wijst op hun koelheid als op zijn ijver, en misschien zouden de zaken ook niet in zo slechten toestand gekomen zijn, als waarin Jehizkia ze vond, indien zij met meer kracht waren opgetreden om hun plicht te doen.
Jehizkia's toespraak tot de Levieten is zeer aandoenlijk. 1. Hij wijst hen op het verval van de Godsdienst en de treurigen toestand, waarin die onder hen gekomen was, vers 6,7.
Onze vaders hebben overtreden. Hij zegt niet: mijn vader omdat het hem als zoon voegde zijns vaders naam zoveel mogelijk in ere te houden, en omdat zijn vader dit alles niet gedaan zou hebben, indien hun vaders hun plicht niet verzuimd hadden. Uria, de priester, had zich met Achaz verenigd om een afgodisch altaar op te richten. Hij klaagt:
a. Dat het huis Gods verlaten was geworden, zij hebben Hem verlaten, zij hebben hun aangezichten van de tabernakel des Heren afgewend. Van hen, die aan Gods inzettingen de rug toekeren kan in waarheid gezegd worden dat zij God zelf verlaten.
b. Dat de ingestelde eredienst van God in verval was gekomen, de lampen waren niet aangestoken, reukwerk werd niet geofferd. Er zijn ook nu gelijksoortige verzuimen, en zij zijn niet minder zondig, als het woord niet gelezen en behoorlijk verklaard wordt want dat werd te kennen gegeven door het aansteken van de lampen, en indien gebed en lofzegging niet naar behoren tot God worden opgezonden, want dat werd aangeduid door offeren van reukwerk.
2. Hij wijst op de treurige gevolgen van het veronachtzamen van de Godsdienst, vers 8, 9.
Dat was de oorzaak van al de rampen, die over hen gekomen zijn. In Zijn toorn had God hen in benauwdheid doen komen, hen overgegeven aan het zwaard en aan gevangenschap. Als wij onder de bestraffingen zijn van Godsvoorzienigheid, dan is het goed om eens na te "aan, of wij Gods inzettingen niet veronachtzaamd hebben, en of dat de twist niet is, die Hij met ons heeft.
3. Hij geeft zijn eigen voornemen en vast besluit te kennen om de Godsdienst te herstellen en er zich op toe te leggen om hem te bevorderen, vers 10. Het is in mijn hart, dat is: "ik ben vast besloten een verbond te maken met de Heere, de God Israëls", dat is: "Hem alleen te aanbidden op de door Hem verordineerde wijze, want ik ben er van verzekerd dat anders Zijn grimmigheid niet van ons afgewend zal worden." Dit verbond wilde hij niet slechts zelf maken, maar er ook zijn volk in doen delen.
4. Hij spoort de Levieten aan om bij deze gelegenheid hun plicht te doen. Daar begint hij mede, vers 5, en daar eindigt hij mee vers 11.
Hij noemt hen Levieten om hen te herinneren aan hun verplichting jegens God, hij noemt hen zijn zonen om hen te herinneren aan hun betrekking tot hem, dat hij verwachtte dat zij, als een zoon met zijn vader, met hem zouden dienen in de reformatie van hun land. Hij zei hun wat hun plicht was, eerst zichzelf te heiligen, door berouw te hebben van hun verzuimen, hun eigen hart en leven te hervormen, te beteren, en hun verbond met God te vernieuwen, om voortaan beter hun plichten waar te nemen, en dan het huis des Heeren te heiligen, als Zijn dienstknechten, het te reinigen van alles, dat onaangenaam was, hetzij door niet in gebruik te zijn geweest, of door ontheiligd te zijn geworden, en het te stellen tot het doel, waartoe het gemaakt was.
Hij wekt hen op om het te doen, vers 11. "weest nu niet traag of nalatig in uw plicht. Laat dit goede werk niet vertraagd worden door uw verzuim of onachtzaamheid."
Dwaalt niet, zo is het in de kanttekening. Zij, die door hun verzuim of nalatigheid in de dienst van God denken God te bespotten en Hem te bedrieger bedriegen slechts zichzelf. Weest niet gerust zoals sommigen die woorden overzetten, alsof er geen dringende noodzakelijkheid was om het te doen, of geen gevaar in het na te laten. Der mensen verzuim of nalatigheid in de Godsdienst komt voort uit hun vleselijke gerustheid.
De overweging, waarmee hij hen aanspoort, is hun ambt. God had hierin eer op hen gelegd, "Hij heeft u verkoren, dat gij voor Zijn aangezicht zoudt staan". God verwachtte werk van hen, zij waren niet verkoren om lui en ledig te zijn en van hun waardigheid te genieten, terwijl zij hun plicht aan anderen overlieten, maar om Hem te dienen, "opdat gij Hem dienaars zoudt wezen". Daarom moeten zij zich schamen over hun vroegere nalatigheid en, nu de deuren des tempels weer geopend waren, met dubbelen ijver aan hun werk gaan.