2 Kronieken 28:16-27
I. Hier is de grote benauwdheid, die over het rijk van Achaz is gekomen om zijn zonde. In het algemeen:
1. De Heere vernederde Juda vers 19. Zij waren kort tevoren zeer hoog in rijkdom en macht, maar God vond middelen om hen naar beneden te brengen en hen even verachtelijk te maken als zij geducht waren geweest. Zij, die zich niet willen verootmoedigen onder het woord van God, zullen rechtvaardiglijk vernederd worden door Zijn oordelen. Ongerechtigheid doet de mensen uitteren, Psalm 106:43.
2. Achaz ontblootte Juda, vers 19. Zijn zonde verlaagde hen en stelde hen bloot aan hun vijanden. Zij ontblootte hen tot hun schande, want zij stelde hen bloot aan verachting als een man zonder klederen aan het lijf. Zij ontblootte hen tot hun gevaar, want zij stelde hen bloot aan aanranding, zoals een ongewapend man, Exodus 32:25. De zonde berooft de mensen. In het bijzonder.
Uit weerwraak over Amazia's wrede behandeling van hen, Hoofdstuk 25:12, sloegen de Edomieten Juda, en voerden velen van hen gevankelijk weg, vers 17.
Ook de Filistijnen namen vele steden en dorpen die in hun nabijheid gelegen waren, in, en hielden ze in hun bezit, vers 18 en zo wreekten zij zich over de invallen, die Uzzia in hun land had gedaan, Hoofdstuk 26:6.
En om te tonen dat het zuiver en alleen de zonde van Achaz was, die de Filistijnen in zijn land bracht, heeft de profeet Jesaja in het jaar dat Achaz stierf, de verwoesting van de Filistijnen voorzegd door de zoon van Achaz, Jesaja 14:28, 29.
II. Hoe Achaz de benauwdheid des volks en de zonde des volks deed toenemen.
1. Hij deed de benauwdheid toenemen, door vreemden koningen het hof te maken in de hoop dat zij hem te hulp zouden komen. Toen de Edomieten en Filistijnen hem kwelden, zond hij tot de koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden, vers 16, want hij vond zijn eigen rijk verzwakt en ontbloot, en hij kon niet op God vertrouwen, en daarom moest hij zich zeer grote uitgaven getroosten, om de koning van Assyrië aan zijn zijde te krijgen. Hij plunderde het huis van God en het huis des konings, en perste de vorsten geld af, om deze vreemde krijgsmacht in dienst te kunnen nemen, vers 21.
Hoewel hij zich met de afgoderij van de heidense volken, zijn naburen, had verenigd, hebben zij hem daarom noch geacht noch gewaardeerd er hem niet meer om bemind, en zo heeft zijn inschikkelijkheid voor hen, waardoor hij God verloor, hen niet voor zich gewonnen, en kon hij ook niets van hen gedaan krijgen dan voor veel geld.
Het wordt dikwijls gezien dat de goddelozen zelf geen wezenlijke genegenheid hebben voor hen, die tot hen afvallen, en ook volstrekt niet geneigd zijn hun vriendelijkheid te bewijzen. Een ontaarde, verbasterde scheut wordt door iedereen als een gruwelijke scheut aangezien, Jesaja 14:19.
Maar wat verkreeg Achaz van de koning van Assyrië? Wèl, hij kwam tot hem, maar hij benauwde hem en sterkte hem niet, vers 20, hielp hem niet, vers 21.
De krijgsmacht van de Assyriërs was ingekwartierd in zijn land, waardoor het verarmd en verzwakt werd. De Assyrische krijgslieden werden beledigend en gebiedend, en berokkenden hem veel kwelling en ergernis, als een gebroken rietstaf, die niet slechts faalt, maar de hand doorboort van hem, die er op leunt.
2. Hij deed toe aan de schuld, door de vreemde goden te zoeken in de hoop hulp en verlichting van hen te krijgen. Toen men hem benauwde had hij reden genoeg om de dwaasheid van de afgoderij in te zien, maar inplaats van er zich van te bekeren, maakte hij des overtredens tegen de Heere nog meer, vers 22, was hij meer dan ooit verzot op zijn afgoden, waarvoor hem hier een brandmerk van de schande ingedekt wordt: dit was de koning Achaz, die ongelukkige man, die de schande was van het huis van David, de vloek en de plaag van zijn tijd en geslacht.
Diegenen zijn wel waarlijk goddeloos en laag, die door hun beproevingen nog slechter gemaakt worden, inplaats van er door verzacht en verbeterd te worden, die in hun benauwdheid des overtredens tegen de Heere nog meer manen, verbitterd inplaats van vertederd worden, en hun hart verharden om kwaad te doen. Laat ons zien waarin zijn overtreding bestond.
a. Hij verdierf het huis van God, want hij hieuw de vaten van het huis Gods in stukken, opdat de priesters de tempeldienst niet zouden kunnen verrichten, of tenminste niet naar behoren, uit gebrek aan vaten, en eindelijk, hij sloot de deuren van het huis des Heeren toe, opdat het volk er niet in zou kunnen gaan, om de dienst bij te wonen, vers 24. Dit was erger dan de slechtste koningen gedaan hebben, die voor hem geweest zijn.
b. Hij smaadde het altaar Gods, want hij maakte zich altaren in alle hoeken van Jeruzalem, zodat zij, gelijk de profeet zegt, "als steenhopen waren op de voren van de velden". Hosea 12:12. En in de steden van Juda heeft hij, hetzij door zijn macht, of door zijn geld, of door beide, hoogten opgericht voor het volk om er reukwerk te offeren aan welke afgod zij wilden, als met het bepaalde doel om de Heere, van zijn vaderen God, tot toorn te verwekken, vers 25.
c. Hij verwierp God zelf, want hij offerde de goden van Damascus, vers 23, niet omdat hij hen beminde want hij dacht dat zij hem geslagen hadden maar omdat hij hen vreesde, denkende dat zij zijn vijanden hadden geholpen, en dat zij, zo hij hen slechts tot zijn belangen kon overhalen, hem zouden helpen.
Dwaas! Het was zijn eigen God, die hem sloeg en de Syriërs tegen hem sterkte, niet de goden van Damascus, indien hij aan Hem, en aan Hem alleen, geofferd had, Hij zou hem geholpen hebben.
Maar het is geen wonder, dat van de mensen genegenheid en Godsdienstige eerbewijzen misplaatst worden, als zij zich in de oorsprong van hun benauwdheid en de bewerker van hun heil en hun hulp vergissen. En wat komt ervan?
De goden van Syrië komen Achaz niet meer te hulp dan de koningen van Assyrië hem te hulp gekomen zijn, zij waren hem tot zijn val, mitsgaders aan geheel Israël. Deze zonde heeft God er toe gebracht om oordelen over hem te doen komen, hem af te snijden in het midden van zijn dagen, toen hij pas zes en dertig jaren oud was, en het heeft het volk zo verdorven, dat de reformatie onder de volgende regering niet vermocht hen van hun neiging tot afgoderij te genezen, die wortel van de bitterheid hebben zij behouden, totdat de gevangenschap in Babel hem uitgerukt heeft.
Het hoofdstuk eindigt met het einde van de regering van Achaz, vers 26, 27. Voorzoveel blijkt is hij onboetvaardig gestorven, en daarom ook roemloos, want hij werd niet begraven in de graven van de koningen. Terecht werd hij onwaardig geacht om onder hen gelegd te worden, die zo geheel ongelijk aan hen was, dat hij bij koningen zou begraven worden, die zijn koninklijke macht had gebruikt tot verwoesting van de kerk, en niet tot haar bescherming en opbouwing.