2 Kronieken 21:1-11
Wij bevinden hier:
I. Dat Josafat een zeer zorgzaam, toegevend vader was voor Joram. Hij had vele zonen, die hier genoemd worden, vers 2, en in vers 13, wordt gezegd, dat zij beter waren dan Joram, veel meer wijsheid en deugd hadden, leefden overeenkomstig de opvoeding, die zij genoten hadden, terwijl hij er tegen inging.
Zij waren veelbelovende jonge mannen, meer geschikt om de kroon te dragen dan hij, en toch heeft zijn vader hem, omdat hij de eerstgeborene was, het koninkrijk toegewezen, en zijn broeders met vele gaven bedeeld, en zulke schikkingen voor hen gemaakt, dat zij welvarend en rustig konden zijn en hem geen onrust zouden veroorzaken, evenals Abraham, toen hij Izak tot zijn erfgenaam maakte, zijn andere kinderen met geschenken weggezonden heeft.
Hierin was Josafat zeer vriendelijk en billijk voor zijn zoon, hetgeen hem had moeten verplichten om eerbiedig te zijn jegens zijn vader en in zijn voetstappen te wandelen. Maar het is niets nieuws dat kinderen, voor wie hun ouders het toegeeflijkst zijn geweest, het minst eerbiedig jegens hen zijn. Of hij, door dit te doen, goed en verstandig voor zijn volk heeft gehandeld en rechtvaardig jegens hen is geweest, zou ik niet kunnen zeggen. Jorams geboorterecht gaf hem aanspraak op een dubbel deel van zijns vaders goed, Deuteronomium 21:17.
Maar zo hij ten enenmale ongeschikt bleek voor de regering (die het welzijn des volks ten doel heeft), en waarschijnlijk alles ongedaan zou maken wat zijn vader gedaan had, zou het misschien beter geweest zijn hem ter zijde te zetten, en de volgenden te nemen, die veelbelovend was voor het goede, en niet gelijk hij, tot afgoderij neigde.
Macht is een heilige zaak waarmee de mensen of veel goed of veel kwaad kunnen doen, en daarom `Detur digniori' -Laat hem, die haar verdient haar hebben. `Salus populi suprema lex' -Het heil des volks moet het eerst in aanmerking komen.
II. Dat Joram een zeer wrede broeder was voor de zonen zijns vaders. Zodra hij zich goed gevestigd had op de troon, heeft hij al zijn broeders met het zwaard gedood, hetzij op valse beschuldiging onder schijn van wet, of veeleer door sluipmoord, waarschijnlijk voorgevende dat hij zich niet veilig kon achten op de troon, voordat zij allen uit de weg geruimd waren. Zij, die zelf kwaad voorhebben, zijn gewoonlijk zonder reden achterdochtig op hun omgeving.
De goddelozen vrezen waar geen reden is tot vrees, of wenden vrees voor om hun boosaardigheid te bedekken. Joram heeft waarschijnlijk zijn broeders gehaat en hen verslagen om dezelfde reden, waarom Kaïn Abel heeft gehaat en doodgeslagen, namelijk omdat hun Godsvrucht zijn goddeloosheid veroordeelde en hun de achting won van het volk, die hij had verloren. Met hen versloeg hij ook enigen van de vorsten Israëls, die hen aanhingen of waarschijnlijk hun dood zouden wreken. De vorsten van Juda, zij, die de goede kennis des Heeren hadden geleerd, Hoofdstuk 17:7, worden hier vorsten Israëls genoemd, zoals tevoren hoofden van de vaderen Israëls, Hoofdstuk 19:8, omdat zij waarlijk Israëlieten waren, mannen van oprechtheid en trouw.
Het zwaard, dat de goede vader hun in handen had gegeven, stak deze slechte zoon in hun hart. Wee hem, die aldus een koninkrijk in bloed fondeert, Habakuk 2:12, het zal een fondament zijn, dat de bovenbouw doet verzinken.
III. Dat Joram een zeer goddeloos koning was, die zijn rijk verdierf, de reformatie, die zijn goede vader en zijn grootvader hadden ingevoerd, tenietdeed, hij wandelde in de weg van het huis van Achab, vers 6, richtte hoogten op, waartoe het volk maar al te zeer geneigd was, en deed zijn uiterste best om de afgoderij weer in te voeren, vers 11.
1. Wat de inwoners betreft van Jeruzalem waar hij zijn hof hield, hen heeft hij gemakkelijk tot zijn geestelijke hoererij overgehaald, hij deed hen hoereren, hen verleidende om afgodenoffer te eten, Openbaring 2:20.
2. Het landvolk scheen daar met meer moeite toe gebracht te zijn, maar zij, die zich niet wilden laten verderven door vleierij, werden er met geweld toe gedreven om deel te nemen aan zijn gruwelijke afgoderijen, hij dreef Juda daartoe. Hij gebruikte de macht tot verwoesting van de kerk, die hem gegeven was om haar op te bouwen.
IV. Dat, toen hij God en Zijn aanbidding had verlaten, zijn onderdanen hem hun trouw hebben opgezegd.
1. Sommigen van de buitenprovinciën, die hem schatplichtig waren, hebben dit gedaan. De Edomieten vielen af, vers 8, en hoewel hij hen tuchtigde, vers 9, kon hij hen toch niet ten onder brengen, vers 10.
2. Een van de steden van zijn eigen rijk deed dit. Libna viel af van onder zijn gebied, vers 10, en vormde zich tot een vrijstaat, zoals het tevoren een eigen koning had, Jozua 12:15.
En de reden wordt hier opgegeven, niet alleen waarom God het toeliet, maar waarom zij het deden, zij onttrokken zich aan zijn regering, omdat hij de Heere, de God van zijn vaderen had verlaten, een afgodendienaar en een aanbidder van valse goden was geworden, en zij konden geen onderdanen van hem blijven, zonder dat ook zij gevaar liepen om zelf van God en hun plicht afgetrokken te worden.
Zolang hij God aankleefde, kleefden zij hem aan, maar toen hij God verwierp, verwierpen zij hem. Of die reden hen nu al of niet in hun afval zal rechtvaardigen, Gods voorzienigheid, die het zo beschikte, wordt er zeer zeker door gerechtvaardigd.
V. Dat God toch tedere zorg bleef houden voor Zijn verbond met het huis van David, en daarom de koninklijke familie niet wilde verderven, hoewel zij zo schandelijk ontaard was vers 7. Deze dingen hadden wij tevoren, 2 Koningen 8:19-22. De inhoud van het verbond was, dat er over Davids zaad bezoeking gedaan zou worden om hun ongerechtigheid, maar dat het verbond nooit verbroken zal worden, Psalm 89:31 en verv..