2 Kronieken 20:20-30
Wij zien hier het bovenvermelde gebed verhoord en de bovenvermelde belofte vervuld in de algehele vernieling van de krijgsmacht van de vijanden, en de triomf (want het was veeleer een triomf dan een overwinning) van Josafats leger over hen.
I. Nooit was een leger op een slagveld opgesteld zoals dat van Josafat. Hij had soldaten ten krijge toegerust, Hoofdstuk 17:18, maar hier wordt geen nota genomen van hun militaire toerusting, van hun zwaarden of spiesen, hun schilden of bogen. Maar Josafat droeg zorg:
1. Dat geloof hun wapenrusting zijn zou. Toen zij optrokken heeft hij, inplaats van hen te roepen tot het hanteren hunner wapenen, van hen te bevelen zich in de gelederen te houden, orders te gehoorzamen en kloekmoedig te strijden, hun gezegd te geloven in de Heere hun God, Zijn woord in de mond van de profeten te geloven, want dan zullen zij bevestigd worden en voorspoedig zijn, vers 20.
Het is ware moed, waarmee het geloof een mens bezielt, en niets zal er meer toe bijdragen om in tijden van schudding en beroering het hart te versterken en te bevestigen, dan een vast geloof in de macht en genade en belofte van God. Het hart is gesterkt, dat aldus vertrouwt op de Heere, en zal in volkomen vrede bewaard worden. In onze geestelijken strijd is dit de overwinning, dit de voorspoed, namelijk ons geloof.
2. Dat geloof en dankzegging hun voorhoede zouden zijn, vers 21..
Josafat belegde een krijgsraad, en er werd besloten dat zangers voor het leger zouden uitgaan, de voorhoede zouden uitmaken, meer dat zij niets anders te doen hadden dan God te prijzen, Zijn heiligheid te loven, die Zijn schoonheid is Hem te loven zoals zij Hem in de tempel geloofd hebben, die schoonheid van de heiligheid te loven met die alouden en heerlijken lofzang, die tot in eeuwigheid toe niet verouderen zal: Looft de Heere, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Door die vreemde nadering tot het slagveld bedoelde Josafat zijn vast vertrouwen te kennen te geven op het woord van God, (dat hem instaat stelde om te triomferen vóór de slag), zijn eigen krijgslieden te bezielen met moed, de vijand te beschamen, en God aan zijn zijde te brengen, want lof is God meer welgevallig dan alle brandoffers en slachtoffers.
II. Nooit werd een leger op zo onverklaarbare wijze vernield en vernietigd als dat van deze vijand, niet door donder, of hagel, of het zwaard eens engels, niet door middel van het zwaard, of door de kracht van de arm, of door een overweldigende verschrikking, een paniek, zoals door Gideon in het leger van de Midianieten werd teweeggebracht, maar de Heere stelde achterlagen tegen hen, hetzij door legerscharen van engelen, of, zoals bisschop Patrick denkt door hun eigen achterlagen, die door God met zo'n verblinding en verwarring geslagen werden, dat zij op hun vrienden aanvielen, alsof het hun vijanden waren, en zij hielpen de een de ander ten verderve, zodat niemand ontkwam.
Dit deed God toen Zijn volk aanhief met een vreugdegeroep en lofzang, vers 22, want Hij verlustigt zich er in om diegenen te voorzien van stof tot lofzegging, die er een hart voor hebben. Wij lezen van Zijn roken tegen -dat is: van Zijn toornig wezen wegens het gebeds Zijn volks, Psalm 80:5, maar nooit tegen hun lofzeggingen.
Toen zij het werk van de lofzegging nog pas begonnen, heeft God het werk hunner verlossing reeds voltooid.
Welke grond of oorzaak er was voor hun naijver op elkaar blijkt niet, misschien was er geen, maar zo geschiedde het, dat de Moabieten de Edomieten aanvielen en hen verdelgden, en toen vielen zij aan op elkaar, en verdelgden zij elkaar, vers 23.
Zo maakt God dikwijls goddeloze mensen tot werktuigen van verderf voor elkaar, en welk verbond kan zo vast zijn om diegenen bij elkaar te houden, die door God bestemd zijn om elkaar te verpletteren? Zie de boze gevolgen van verdeeldheid, waarvoor geen van de strijdende partijen een goede reden zou kunnen opgeven. Diegenen zijn wel allerongelukkigst verdwaasd tot hun verderf, die hun vrienden aanvallen alsof zij vijanden waren.
III. Nooit werd buit zo blijmoedig verdeeld want Josafats leger had niets anders te doen, al het overige werd voor hen gedaan. Toen zij dit grote leger in het oog kregen, zagen zij geen levende mensen om mee testrijder, zij waren allen dood, hun lijken lagen als mest op de aarde uitgespreid, vers 24.
Zie hoe rijk God is in barmhartigheid over hen die Hem aanroepen in waarheid, en hoe dikwijls Hij meer doet dan waar Zijn volk Hem om bidt, hun verwachting overtreft. Josafat en zijn volk baden er voor bewaard te blijven om door de vijand te worden beroofd, en God heeft dit niet slechte gedaan, maar hen verrijkt met de roof hunner vijanden. De buit op het slagveld genomen was zeer groot en zeer rijk, zij vonden edelgesteenten op de dode lichamen, die er hen toch niet tegen konden behoeden om weerzinwekkende lijken te zijn, zij roofden de buit drie dagen want die was veel, zij namen voor zich weg totdat zij niet meer dragen konden, vers 25.
Nu bleek het wat Gods bedoeling was met dit grote leger tegen Juda te doen komen, het was om hen te verootmoedigen en te beproeven en hun ten laatste wel te doen. Het scheen in het eerst een stoornis in hun reformatie, maar het bleek de beloning ervan te zijn.
IV. Nooit werd een overwinning met plechtiger en ruimen dankzegging gevierd.
1. Zij hielden een dag van lofzegging in het leger, eer zij hun strijdmacht van het slagveld terugtrokken. Ongetwijfeld werden reeds terstond veel dankzeggingen tot God opgezonden, maar op de vierde dag verzamelden zij zich in een dal, waar zij God loofden met zoveel vurigheid en ijver, dat hetgeen zij op die dag deden een naam heeft gegeven aan die plaats: het dal van Berachah, dat is: van zegen, vers 26.
De gedachtenis aan dit wonder werd hierdoor bestendigd ter bemoediging van de opvolgende geslachten, opdat ook zij op God zouden vertrouwen.
2. Toch achtten zij niet dat dit genoeg was, maar in plechtigen optocht gingen zij, met Josafat aan het hoofd, naar Jeruzalem, opdat het land, waar zij door heentrokken, zich met hen zou verenigen in hun lof, en zou dankzeggen voor de zegen, daar waar zij hem door gebed hadden verkregen, namelijk in het huis des Heeren, vers 27, 28..
Het leven van God moet niet maar het werk van een dag zijn, als wij zegen, genade en goedertierenheid hebben verkregen, moet onze lofzegging er voor dikwijls herhaald worden, zoals onze gebeden, toen wij die zegen zochten.
Elken dag moeten wij God loven zolang wij leven, onze tijd doorbrengende in dat werk, waarmee wij hopen de eeuwigheid door te brengen. Openbare zegeningen roepen tot openbare dankerkentenis in de voorhoven van het huis des Heeren, Psalm 116:19.
V. Nooit had een overwinning heerlijker gevolgen dan deze, want:
Josafats koninkrijk kreeg er een zeer groot en gewichtig aanzien door naar buiten, vers 29. Toen zij hoorden dat God aldus voor Israël had gestreden moesten zij wel zeggen: Niemand is er gelijk God, o Jeshurun, en welgelukzalig zijt gij o Israël! Het wekte in de naburige volken eerbied voor God, en een omzichtige vrees om Zijn volk enig leed te doen. Het is gevaarlijk om te strijden tegen hen, met wie God is. In het eigen land was alles rustig en stil, vers 30.
Zij waren rustig onder elkaar. Zij, die misnoegd waren geweest over het vernielen van de beelden en bossen, waren nu tevreden, en zij meesten erkennen dat, daar de God Israëls op die wijze verlossing kon werken Hij alleen aangebeden behoort te worden en alleen op de door Hem verordineerde wijze. Zij waren nu ook gerust, omdat zij de beledigingen hunner naburen niet behoefden te vrezen God had hun rust gegeven van rondom. En ais Hij rust geeft, wie kan dan beroeren?