2 Corinthiërs 5:1-11
In deze verzen vervolgt de apostel de redenering van het vorige hoofdstuk betreffende de gronden van hun moed en geduld onder de verdrukkingen.
I. Hij noemt de verwachting van, begeerte naar, en verzekerdheid van eeuwige gelukzaligheld na den dood. Voornamelijk merken we hier op:
1. De verwachting der gelovigen van eeuwige gelukzaligheid na den dood, vers 1. Hij weet niet alleen of is door het geloof wèl-verzekerd van de waarheid en de werkelijkheid der zaak zelf-dat er een ander en gelukkig leven is wanneer dit leven geëindigd is, maar hij heeft door genade goede hoop op zijn aandeel in de eeuwigdurende zegeningen van de onzichtbare wereld. Wij weten dat wij een gebouw hebben van God, wij hebben een vaste en wèl-gegronde verwachting van de toekomstige gelukzaligheid. Laat ons hier nagaan:
A. Welk soort van hemel de gelovige verwacht en in het oog heeft. Hij ziet er naar uit als naar een huis, een woning, een verblijfplaats, een rustoord, een schuilplaats, zijns Vaders huis, waarin vele woningen zijn, ons eeuwig tehuis. Het is een huis in de hemelen, in die hoge en heilige plaats, die zo verheven is boven al de paleizen dezer aarde als de hemel hoger is dan de aarde. Het is een gebouw van God, welks kunstenaar en bouwmeester God is, en daarom is het zijn maker waardig, de gelukzaligheid van den toekomstigen staat is wat God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben. Het is eeuwig in de hemelen, eeuwige woningen, niet gelijk de aardse tabernakelen, de armoedige hutten van klei, waarin onze zielen nu wonen, welke vergaan en verdwijnen, en welker grondslag in het stof is.
B. Wanneer het genot van deze heerlijkheid verwacht wordt. Dadelijk na den dood, zodra ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt. Het lichaam, dit aardse huis, is slechts een tabernakel, die binnenkort moet opgebroken worden, de pinnen zullen worden uitgehaald, de koorden losgemaakt, en dan keert het lichaam tot stof weer, waaruit het genomen is. Wanneer dit geschiedt, komt het huis niet met handen gemaakt. De geest keert terug tot God, die hem gegeven heeft, en zij, die met God hier gewandeld hebben, zullen eeuwig bij God wonen.
2. De ernstige begeerte van den gelovige naar deze toekomstige gelukzaligheid, welke uitgedrukt wordt door het woord stenazomen, wij zuchten, hetwelk betekent:
A. Een zuchten van zwoegen onder een zwaren last, zo zuchten de gelovigen onder den last des levens. In dezen zuchten wij, vers 2.
Want ook wij, die in dezen tabernakelzijn, zuchten, vers 4. Het lichaam des vlezes is een zware last, de moeilijkheden des vlezes zijn een wichtig pak. Maar de gelovigen zuchten omdat ze met een zondig lichaam bezwaard zijn, en omdat er nog zoveel verderf in hen overgebleven is en werkt. Dit doet hen uitroepen: Ik ellendig mens! Romeinen 7:24.
B. Er is een zuchten van verlangen naar de gelukzaligheid van het andere leven en daarom zuchten de gelovigen: verlangende met hun woonstede, die uit de hemelen is, overkleed te worden, vers 2, de zalige onsterflijkheid te verkrijgen, opdat het sterflijke van het leven verslonden worde, vers 4, opdat ze bekleed, en niet naakt bevonden worden, vers 3, dat, indien het Gode behaagt, wij niet mogen slapen, maar veranderd worden, want op zich zelve is het niet begeerlijk ontkleed te worden. De dood, alleen beschouwd als de scheiding van ziel en lichaam, is niet begeerlijk maar veel meer vreeslijk, maar beschouwd als een doorgang tot de heerlijkheid, is de gelovige gewillig liever te sterven dan te leven, uit te wonen uit het lichaam, opdat hij moge inwonen bij den Heere, vers 6, het lichaam te verlaten opdat hij tot Christus moge gaan, en deze lompen van sterflijkheid af te werpen ten einde de klederen der heerlijkheid aan te trekken. De dood zal ons ontdoen van dit bekleedsel des vlezes en van alle gemakken des levens, zowel als van alle moeiten, die blijven alle achter. Naakt kwamen we in de wereld, naakt zullen wij er uitgaan. Maar begenadigde zielen zullen in de andere wereld niet naakt bevonden worden, zij zijn bekleed met de versierselen des lofs en met de klederen van gerechtigheid en heerlijkheid. Zij zullen verlost zijn van al hun moeiten, en zullen hun klederen gewassen en wit gemaakt hebben in het bloed des Lams, Openbaring7:14.
3. De verzekerdheid van den gelovige omtrent zijn aandeel in de toekomstige zaligheid, op dubbelen grond.
A. Door de ondervinding van Gods genade, die hem bereid en geschikt maakt voor deze heerlijkheid. Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft is God, vers 5. Allen, die bestemd zijn voor den hemel hiernamaals, worden hier voor den hemel bereid, de stenen van dien geestelijken tempel worden hier gefatsoeneerd en behouwen. En Hij, die er ons voor bereidt, is God, omdat niets minder dan goddelijke macht een mens der goddelijke natuur deelachtig maken kan, geen andere hand dan die van God kan ons daarvoor bewerken. Er is veel te doen om onze zielen voor den hemel te bereiden, en de toebereiding van het hart is van den Heere.
B. Het onderpand des Geestes geeft hem die verzekerdheid, want onderpand is een deel der vervulling en verzekert de vervulling. De tegenwoordige genaden en vertroostingen van den Geest zijn het onderpand van eeuwige genade en vertroosting.
II. De apostel voegt hier een uitweiding tussen ten troost van de gelovigen in hun tegenwoordigen toestand en staat in de wereld, vers 6-8. Merk hier op:
1. Wat hun tegenwoordige toestand is. Zij wonen uit van den Heere, vers 6. Zij zijn pelgrims en vreemdelingen in deze wereld, zij houden slechts tijdelijk verblijf in hun aardse huis of in dien tabernakel, en ofschoon God hier met ons is door Zijn Geest en door Zijn instellingen, nochtans zijn wij niet met Hem zoals we hopen eens te zullen zijn, wij kunnen Zijn aangezicht niet zien, want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen, vers 7. Wij hebben geen gezicht en genot van God, als van iemand, die bij ons tegenwoordig is, en zoals wij eens hopen te hebben, want wij zullen Hem kennen gelijk wij gekend zijn. Het geloof is voor deze wereld, en het aanschouwen is bewaard voor de toekomende wereld, en het is onze plicht en zal ons deel zijn, te wandelen door geloof tot wij komen in het leven des aanschouwens.
2. Hoe getroost en moedig wij behoren te zijn in alle moeiten van dit leven en in de ure des doods. Daarom hebben wij, behoren te hebben, altijd goeden moed, vers 6, en wij hebben goeden moed en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, vers 8. Ware Christenen, indien zij behoorlijk in aanmerking nemen het vooruitzicht van de andere wereld, dat het geloof hun geeft, en de goede redenen voor hun hoop op gelukzaligheid na den dood, behoren vertroost te zijn in de moeiten van dit leven en ondersteund zich te gevoelen in de ure des doods. Zij behoren een moed te grijpen bij de ontmoeting van den laatsten vijand, en gewillig te zijn om liever te sterven dan te leven, wanneer het de wil Gods is dat deze aardse tabernakel verbroken wordt. Zij, die van boven geboren zijn, verlangen daar te wezen, dat is uit te wonen uit het lichaam, om zeer spoedig in te wonen bij den Heere, -te sterven om met Christus te zijn, -de ogen te sluiten voor de dingen dezer wereld om ze te openen in de wereld der heerlijkheid. Daar zal het geloof veranderd zijn in aanschouwen.
III. Hij gaat voort met zijn tussenrede om zichzelf en anderen op te wekken en te verlevendigen tot hunnen plicht, vers 9-11. Wèl gegronde hoop op den hemel zal nooit de geringste aanleiding geven tot slordigheid of zondige gerustheid, integendeel, ze zal ons aansporen tot de grootste zorg en den vurigsten ijver in onze Godsverering. Daarom, omdat wij hopen met den Heere te zijn, arbeiden wij en verdragen moeiten, vers 9, philotimoe nietha. Wij zijn zeer begerig en arbeiden zo vlijtig als de meest-begerige mensen, om te verkrijgen wat wij bedoelen. Merk hier op:
1. Wat het was, waarnaar de apostel zo begerig was: Gode welbehaaglijk te zijn. Wij zijn begerig, levende en stervende, in het lichaam of er uitwonende, Hem, den Heere, welbehaaglijk te zijn, dat wij mogen behagen Hem, die ons verkoren heeft, dat onze grote Heere eens tot ons zal zeggen: Wèl gedaan! Dat beschouwden zij als de grootste gunst en de hoogste eer, dat was het toppunt van hun begeren.
2. Welke andere aansporende beweegredenen zij hadden om hun vlijt uit te spannen, uit aanmerking van het toekomstig oordeel, vers 10, 11. Er zijn vele dingen in betrekking tot deze grote gebeurtenis, die de beste mensen moeten aansporen tot de uiterste zorgvuldigheid en ijver in hun godsvrucht, bijvoorbeeld de zekerheid van dit oordeel, dat wij moeten ondergaan, de algemeenheid van dit oordeel, de grote Rechter voor wiens zetel wij moeten verschijnen, de Heere Jezus Christus, die met vlammend vuur komen zal, de vergelding, die een ieder zal ontvangen voor hetgeen in het lichaam geschied is, die zeer bijzonder, voor ieder afzonderlijk, zijn zal, en zeer rechtvaardig overeenkomstig hetgeen wij gedaan hebben, hetzij goed, hetzij kwaad, De apostel noemt dit ontzaglijk oordeel: de schrik des Heeren, vers 11, en was door de beschouwing daarvan aangespoord om de mensen te bewegen tot berouw, tot een heilig leven, opdat wanneer Christus verschrikkelijk zou verschijnen, zij getroost voor Hem mochten verschijnen. En wat zijn eigen getrouwheid en ijver betreft, beroept hij zich getroost op God en de gewetens van hen aan wie hij schreef. Wij zijn Gode openbaar geworden, doch ik hoop ook in uwe gewetens geopenbaard te zijn, vers 11.