2 Corinthiërs 10:12-18
Merk op in deze verzen:
I. De apostel weigert zich zelven te rechtvaardigen of naar de regelen van de valse apostelen te handelen, vers 12. Hij toont duidelijk aan, dat zij een verkeerden maatstaf gebruikten om zich aan te bevelen. Zij meten en vergelijken zich zelven met zich zelven, hetgeen niet wijs is. Zij behaagden zich zelven en prezen zich zelven, ten opzichte van hun eigen aantrekkelijkheid, en letten nooit op anderen, die hen ver overtroffen in gaven en genaden, en dat maakte hen hooghartig en aanmatigend. Zo wij ons zelven wilden vergelijken met anderen die ver boven ons uitsteken, zou dat een goede manier zijn om ons nederig te houden, wij zouden dan tevreden zijn met en dankbaar voor de gaven en genaden, die wij hadden, maar er ons niet op verhovaardigen alsof er niemand met ons vergeleken kon worden of ons kon overtreffen. De apostel wilde niet tot die ijdele mensen behoren, laat ons voor ons zelven dat besluit ook nemen!
II. Hij geeft een beteren regel voor zijn gedrag aan, namelijk, niet te roemen buiten de maat, welke is de maat, die God hem toebedeeld heeft, vers 13. Hij bedoelt dat hij niet roemen wil over meer gaven, genaden, macht en gezag, dan God hem verleend heeft, of liever, dat hij ten opzichte van personen en dingen niet handelen wil buiten zijn opdracht of gaan over de hem gestelde grenzen, zoals hij duidelijk aantoont dat de valse apostelen deden, die roemden in den arbeid van anderen. Het besluit des apostels was zich tot zijn eigen werkkring te bepalen, tot dat deel, dat God hem aangewezen had. Zijn zending als apostel was overal het Evangelie te verkondigen, voornamelijk onder de heidenen, en hij was niet tot ene plaats beperkt. Toch lette hij op de leidingen van de Voorzienigheid en van den Heiligen Geest bij de keuze van de plaatsen, waar hij heenging of zich ophield.
III. Hij handelde volgens dezen regel. Wij strekken ons zelven niet te wijd uit, vers 14. En vooral handelde hij volgens dezen regel in zijn prediking te Corinthe en in de uitoefening van zijn apostolisch gezag aldaar, want hij kwam daar door goddelijke leiding en bekeerde velen tot het Christendom. Daarom, wanneer hij over hen roemde, ging hij niet buiten de maat, en roemde niet in anderer arbeid, vers 15.
IV. Hij schrijft zijn welslagen toe aan het in acht nemen van dezen regel. Zijne hoop was dat hun geloof zou zijn gewassen, en dat anderen, zelfs in afgelegen delen van Achaje, evenzeer het Evangelie zouden omhelzen, maar in dit alles ging hij niet buiten zijn zending en handelde niet in eens anders werkzaamheid.
V. Maar hij schijnt zich in te binden over dit onderwerp, alsof hij teveel tot zijn eigen roem gezegd had. De onrechtvaardige beschuldigingen en aanmerkingen van zijne vijanden hadden hem gedwongen zich zelven te rechtvaardigen, en hun slechte handelwijzen hadden hem goede gelegenheid gegeven om den beteren regel te vermelden, dien hij in acht genomen had. Nu is hij bevreesd te roemen of zich zelven te prijzen, en daarom noemt hij twee dingen op die behartigd moeten worden.
1. Doch wie roemt, die roeme in den Heere, vers 17. Indien wij instaat zijn om een goede gedragslijn vast te stellen, en daarnaar te handelen, en daardoor wèl slagen, dan komt al de prijs en dank daarvoor Gode toe. Vooral dienaren moeten zorgvuldig zijn om niet te roemen in hun vorderingen, maar moeten Gode de eer van hun werk geven en van het welslagen daarvan.
2. Niet die zich zelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd, vers 18. Van alle vleierij is zelfvleierij de slechtste, en toejuiching van zich zelven is zelden iets beter dan zelfvleierij en zelfverheffing. Op zijn best is zelfaanbeveling geen prijs, en het is dikwijls even dwaas en ijdel als hoogmoedig. Daarom, in plaats van ons zelven aan te bevelen of te prijzen, moeten wij er naar streven om Gode aangenaam te zijn, en Zijne goedkeuring zal onze beste aanbeveling zijn.