2 Koningen 15:8-31
Het waren de beste dagen van het rijk van Israël, toen Jehu's geslacht regeerde. Er waren onder zijn regering en de drie volgende wel veel afschuwelijke verdorvenheden in Israël, maar de kroon ging over van vader op zoon, de koningen stierven in hun bed, en er werd wel enige zorg gedragen voor de openbare aangelegenheden, maar nu zijn die dagen voorbij, en de geschiedenis, die wij in deze verzen hebben, en die ongeveer drie en dertig jaren omvat toont ons de zaken van dat koninkrijk in de uiterste verwarring. Wee de bevruchte vrouwen vers 16, en wee de zogende vrouwen in die dagen, want toen moesten er wel grote verdrukkingen zijn, toen om de vele overtreding van de vorsten van het land.
I. Laat ons nu iets opmerken in het algemeen betreffende deze ongelukkige omwentelingen, en de rampen, waarvan zij wel vergezeld moesten gaan in deze slechte tijden, zoals zij met recht genoemd kunnen worden.
1. God had het volk van Israël op de proef gesteld door oordelen zowel als door zegeningen, Zijn dienstknechten, de profeten, hadden er de roepstemmen van verklaard, en toch kwamen zij niet tot berouw en bekering, daarom heeft God rechtvaardig die rampen over hen gebracht, zoals Mozes hen gewaarschuwd had: "zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, zo zal Ik over u zevenvoudig slagen toevoegen," Leviticus 26:21, en verv.
2. God vervulde Zijn belofte aan Jehu, dat zijn zonen tot in het vierde geslacht na hem op de troon van Israël zouden zitten, dat een grotere gunst was dan aan een van de andere koninklijke families voor hem of na hem bewezen werd. God had gezegd dat het zo zijn zou, Hoofdstuk 10:30, en in dit hoofdstuk, vers 12, wordt ons gezegd, dat het alzo geschied is. Zie hoe stipt God Zijn beloften houdt, deze rampen had God reeds lang voor Israël bestemd, en zij verdienden ze, maar zij werden niet gezonden voordat dit woord ten volle bewaarheid was geworden. Aldus heeft God Jehu beloond voor zijn ijver om de Baälsdienst en het huis van Achab uit te roeien, en toch, toen de mate van de zonden van het huis van Jehu vol was, heeft God het bloed er aan gewroken, dat toen vergoten werd, en "de bloedschulden van Jizreël" wordt genoemd, Hosea 1:4.
3. Al deze koningen deden dat kwaad was in de ogen des Heeren, want zij wandelden in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat. Hoewel zij onderling in strijd waren, kwamen zij toch hierin overeen, de afgoderij te bestendigen, en het volk beminde dit, hoewel zij van vat in vat geledigd waren, bleef die smaak in hen, en was die reuk niet veranderd. Het was inderdaad treurig dat, toen zij zo dikwijls van regering veranderden, hoewel die verandering nooit een verbetering was), onder al die strijdende belangen, geen van hun ooit gedacht heeft, dat het evenzeer in zijn belang was de kalveren te vernietigen, als anderen het in hun belang achtten ze in tact te houden.
4. Ieder van deze (behalve één) rebelleerde tegen zijn voorganger, en doodde hem, Sallum, Menahem, Pekah en Hosea, allen verraders en moordenaars, en toch allen koningen voor een tijd, één van hun tien, een ander twintig, en nog een ander negen jaren, want God kan toelaten dat de boosheid voorspoedig is, en voor een tijdje de rijkdom en de eer bezit, maar vroeg of laat zal bloed bloed hebben, en met hem, die verraderlijk gehandeld heeft, zal verraderlijk gehandeld worden, de ene goddeloze wordt dikwijls tot een gesel gemaakt voor de andere, en ten slotte is iedere goddeloze een verderf voor zichzelf. 5. De eerzucht van de groten maakte het volk ongelukkig, hier is Tifsah, een stad van Israël, met al haar landpalen op barbaarse wijze verwoest door een van deze kroonpretendenten, vers 16, en ongetwijfeld zijn zij allen door bloed heen gewaad naar de troon. Ook kon geen van deze koningen alleen omkomen. Geen erger pesten voor een land, geen grotere beroerders van Israël, dan zulke mannen, die er zich niet om bekommeren hoezeer de welvaart en de rust van hun land opgeofferd worden aan hun wraak en zucht tot heerschappij.
6. Terwijl de natie aldus verbrokkeld werd door binnenlandse verdeeldheden, togen de koningen van Assyrië, eerst de één, daarna een ander, vers 19, 29, er tegen op, en deden wat hun behaagde. Niets werkt er meer toe mee om een natie tot een gemakkelijke prooi te maken van de gemene vijand, dan binnenlandse woelingen en strijd om de oppermacht, gelukkig het land waar die gevestigd is.
7. Zodanig was de toestand van Israël even vóór zij geheel ten ondergang waren gebracht en gevankelijk waren weggevoerd, want dat geschiedde in het negende jaar van Hosea, de laatste van deze overweldigers. Indien zij zich in die dagen van verwarring en verbijstering voor God hadden verootmoedigd en Zijn aangezicht hadden gezocht, die eindverwoesting zou voorkomen zijn, maar als God oordeelt, zal Hij overwinnen. Deze verdeeldheid, de vrucht van een bozen geest, die onder hen gezonden was, verhaastte die gevangenschap, want een koninkrijk, aldus tegen zichzelf verdeeld, zal spoedig ten val komen.
II. Laat ons een kort overzicht nemen van deze regeringen.
1. Zacharia, de zoon van Jerobeam, begon te regeren in het acht en dertigste jaar van Azaria, of Uzzia, koning van Juda, vers 8. Sommigen van de nauwkeurigste tijdrekenkundigen achten dat tussen Jerobeam en zijn zoon Zacharia de troon twee en twintig jaren vacant is geweest, anderen zeggen elf jaren, vanwege de beroeringen en verdeeldheden, die in het rijk heersten, en dan was het niet vreemd, dat Zacharia vóór hij nog goed op de troon was gezeten, reeds afgezet werd. Hij regeerde zes maanden en toen sloeg Sallum hem voor het volk en doodde hem, misschien wel zoals Caesar gedood werd in de senaat, of wel, hij heeft hem openlijk gedood als een misdadiger, met de goedkeuring van het volk, bij hetwelk hij zich om het een of ander gehaat had gemaakt. Aldus eindigde de dynastie van Jehu.
2. Maar had Sallum vrede, die zijn heer heeft gedood? Neen, één maand van dagen mat zijn regering af, vers 13, en toen werd hij afgesneden. Misschien wordt door de profeet, die toen leefde, hiernaar verwezen, "nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun delen," Hosea 5:7. Een heerschappij gefundeerd in bloed en verraad is zelden lang van duur. Menahem, hetzij daartoe aangespoord door zijn misdaad of opgewekt door zijn voorbeeld, heeft hem spoedig gedaan wat hij zijn meester gedaan heeft, hij doodde hem en werd koning in zijn plaats, vers 14. Waarschijnlijk was hij generaal van het leger, dat toen te Thirza gekampeerd was, en, horende van Sallums verraad en overweldiging, haastte hij zich om ze te gaan straffen zoals Omri in een gelijk geval Zimri gestraft heeft, 1 Koningen 16:17.
3. Menahem hield het rijk tien jaren in bezit, vers 17. Maar terwijl wij gehoord hebben dat de koningen van het huis van Israël goedertieren koningen zijn, 1 Koningen 20:31, was deze Menahem (de schande van zijn land) zo buitensporig wreed voor diegenen van zijn eigen volk, die enigszins aarzelden om zich aan hem te onderwerpen, dat hij niet slechts een stad verwoestte met haar landpalen, maar vergetende dat hij zelf van een vrouw geboren was, heeft hij alle bevruchte vrouwen in stukken gehouwen, vers 16. Wèl kan het ons verbaasd doen staan, dat het ooit in het hart van enig man is opgekomen om zo barbaars te wezen, en dat iemand zo volkomen van alle menselijk gevoel ontbloot kon zijn. Door deze wrede wijze van handelen hoopte hij zich te versterken en door schrikaanjaging allen aan zijn zijde te krijgen. Hij schijnt zijn doel echter niet bereikt te hebben, want toen de koning van Assyrië tegen hem optrok, had hij:
a. Zó weinig vertrouwen in zijn volk, dat hij hem niet als vijand durfde tegemoet te treden, maar zich genoodzaakt zag om voor grote schatten de vrede van hem te kopen, en had hij:
b. Zozeer hulp nodig om het koninkrijk in zijn hand te sterken, dat hij in zijn verdrag met hem (een verdrag waarmee de koning van Assyrië later zeer goed zijn voordeel wist te doen) bedong dat hij hem tegen zijn eigen onderdanen te hulp zou komen, die hem niet genegen waren. Het was een zeer grote som geld, waarmee hij zijn vriendschap kocht, niet minder dan duizend talenten aan zilver vers 19, welk geld Menahem, waarschijnlijk door militaire executie, afperste van allen met een groot vermogen, zeer bedachtzaam de armen sparende, en-zoals betaamde-de last opleggende aan hen, die het best instaat waren om hem te dragen. Dit geld werd de koning van Assyrië gegeven, als soldij voor zijn leger voor elk man vijftig zilveren sikkels. Aldus bevrijdde hij zich voor het ogenblik van de koning van Assyrië, die daar niet in het land bleef, vers 20. Maar diens leger had nu met zó weinig moeite zó'n rijke buit verkregen, dat het hen aanmoedigde om weldra terug te komen, en toen hebben zij alles verwoest, en aldus was hij de verrader van zijn land, die er de beschermer van had moeten wezen.
4. Pekahia, de zoon van Menahem, volgde zijn vader op, maar regeerde slechts twee jaren en werd toen verraderlijk gedood door Pekah, vallende onder de last van zijn eigen en van de ongerechtigheid van zijn vader. Evenals tevoren wordt van hem gezegd, dat hij niet afweek van de zonden van Jerobeam, dit wordt nog vermeld om aan te tonen, dat God rechtvaardig was in deze verwoesting over hen te brengen, die niet lang daarna gekomen is, omdat zij zich niet wilden bekeren, vers 24. Deze Pekah scheen enige personen van aanzien aan zijn zijde te hebben gehad, twee hunner worden hier genoemd, vers 25, en met hun hulp bereikte hij zijn doel.
5. Pekah heeft het koninkrijk, hoewel hij het door verraad had verkregen, twintig jaren in bezit gehad, vers 27, zolang duurde het, eer zijn geweld op zijn eigen hoofd terugkwam, maar het kwam ten slotte toch. Deze Pekah de zoon van Remalia:
a. Wist zich naar buiten meer aanzien te verschaffen dan een van de anderen van deze overweldigers, want hij was zelfs in het laatst van zijn tijd (in de regering van Achaz, die begon in zijn zeventiende jaar) een schrik voor het rijk van Juda zoals wij zien in Jesaja 7:1 en verv.
b. Hij verloor een groot deel van zijn rijk aan de koning van Assyrië, verscheidene steden worden hier geroemd, vers 29 die hem ontnomen werden, het gehele land van Gilead aan de andere kant van de Jordaan, en Galilea in het noorden, bevattende de stammen van Nafthali en Zebulon, werden veroverd, en de inwoners gevankelijk naar Assyrië gevoerd. Door dit oordeel heeft God hem gestraft voor zijn aanslag tegen Juda en Jeruzalem. Toen werd voorzegd dat men binnen twee of drie jaar, nadat hij deze aanslag gedaan heeft, de buit van Samaria dragen zal voor het aangezicht van de koning van Assur, eer een kind dat toen geboren was, zal kunnen roepen. "Mijn vader of mijn moeder," Jesaja 8:4, en hier hebben wij de vervulling van die voorzegging.
c. Spoedig daarna verloor hij het leven door de toorn van zijn landgenoten, die waarschijnlijk misnoegd op hem waren omdat hij hen blootgesteld liet aan een vreemde vijand, toen hij zijn inval deed in Juda. Daarvan maakte Hosea gebruik en, om de kroon te bemachtigen, doodde hij hem en werd koning in zijn plaats. Voorzeker moet iemand toen wel belust zijn geweest op een kroon, die er zoveel in de waagschaal voor wilde stellen, want de kroon van Israël was, nu zij haar schoonste bloemen en juwelen had verloren, meer dan ooit met doornen gevoerd en in de laatste tijd was zij noodlottig geweest voor ieder hoofd, dat haar had gedragen, zij was verbeurd aan de Goddelijke gerechtigheid, en zal nu eerlang in het stof gelegd worden. Een wijs man zou die kroon niet van de straat hebben willen oprapen, maar Hosea waagt er zich aan, en het is hem duur te staan gekomen.